Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7241

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
200.043.772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderingen uit schulderkenning uit vrijgevigheid. Deels verjaard. Geen sprake van schuldomzetting. Beroep op de gevolgen van de schulderkenning uit vrijgevigheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.043.772

(zaaknummer rechtbank 258466/HA ZA 08-2393)

arrest van de vierde civiele kamer van 29 mei 2012

inzake

de stichting [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante, verder: de stichting,

advocaat: mr. E.J.A. Vilé,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. L.A.M. van Kippersluis.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 18 februari 2009 en 1 juli 2009 die de rechtbank Utrecht tussen de stichting als eiseres en geïntimeerden als gedaagden heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De stichting heeft bij exploot van 14 september 2009 geïntimeerden aangezegd van dat vonnis van 1 juli 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft de stichting drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en twee nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, ieder van geïntimeerden zal veroordelen om aan de stichting te betalen

A. een bedrag van € 45.378,-, vermeerderd met een rente van 8% vanaf 14 oktober 2000 tot aan de dag van algehele betaling;

B. een bedrag van € 63.628,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2000 tot 8 januari 2004 zijnde een bedrag van € 13.506,77 alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 77.134,77 vanaf 8 januari 2004 tot aan de dag van algehele betaling;

met veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden, hebben zij bewijs aangeboden en twee nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof de stichting in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen zal ontzeggen met bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling van de stichting in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 23 mei 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun advocaten.

2.5 Partijen hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2.6 Ten slotte heeft het hof arrest bepaald.

3. Vaststaande feiten

3.1 Op 11 juli 2002 is [A.] overleden. Zijn echtgenote [B.] is overleden op 8 januari 2004. Zij worden hierna verder aangeduid als: de schenkers. Geïntimeerden zijn kinderen van de schenkers en zijn samen met hun broers [C.] en [D.] de enige erfgenamen van elk van beide schenkers, ieder voor een vijfde deel.

3.2 De schenkers hebben op 10 april 1986 de stichting opgericht die tot doel heeft: "Het in het algemeen belang doen voortbestaan van buitenplaats [X] te [vestigingsplaats] aan de [adres], met de daarbij behorende gebouwen en met de zich in het huis bevindende inboedel als cultuurhistorisch en natuurmonument, een en ander in de zin van de Natuurschoonwet 1928 en de Monumentenwet en het uitoefenen van de daaraan verbonden rechten en het voldoen aan de daarmee gepaard gaande verplichtingen."

3.3 De schenkers waren tot 23 juni 1994 de enige leden van het bestuur van de stichting. Op 23 juni 1994 is hun zoon [C.] tot het bestuur toegetreden en daarna op 23 december 1996 hun zoon [D.] alsmede twee personen van buiten de familie [ ].

3.4 Bij notariële akte, die op 27 december 1989 is verleden ten overstaan van mr. C.M.R. Privé, hebben de schenkers samen aan de stichting:

* kwijtgescholden al hetgeen de stichting per ultimo 1989 aan hen verschuldigd was;

* ten titel van schenking een bedrag van f. 500.000,- schuldig erkend onder de bepaling dat dit bedrag pas opeisbaar is bij het overlijden van de langstlevende van de schenkers en dat zij over dit schuldig erkende bedrag een rente zijn verschuldigd van 8% per jaar, welke rente vervalt in halfjaarlijkse termijnen, voor het eerst op 30 juni 1990;

* ten titel van schenking schuldig erkend een periodieke uitkering van f. 25.000,- per half jaar gedurende hun leven, derhalve tot aan het overlijden van de langstlevende van hen, welke uitkeringen vervallen per 30 juni en 31 december van elk jaar, voor het eerst op 30 juni 1990;

* voorwerpen van inboedel geschonken.

De stichting, die hierbij werd vertegenwoordigd door de schenkers, heeft deze kwijtschelding en schenkingen aanvaard.

3.5 Noch de kwijtschelding noch de schenkingen zijn verwerkt in de jaarrekeningen van de stichting vanaf 1989, die (mede) door de schenkers als lid van het bestuur van de stichting zijn vastgesteld. Er heeft nooit enige betaling van rente plaatsgehad ten aanzien van de schulderkenning van f. 500.000,-. Er heeft evenmin enige betaling plaatsgehad van de periodieke uitkeringen.

3.6 Bij onderhandse akte, opgesteld door notaris mr. J.W. van Ee, en ondertekend op 25 december 1996 hebben de schenkers aan de stichting in totaal een bedrag kwijtgescholden van f. 3.168.604,-. Zij hebben bij die onderhandse akte verder een bedrag van f. 2.000.000,- aan de stichting geschonken en bepaald dat de kwijtschelding en schenking geschieden onder de last voor de stichting om de stichting gedurende een periode van 25 jaar in stand te houden en de gelden te gebruiken voor de het behouden van de eigendom en het in stand houden van het monument Huis [X]. In de kwijtschelding van f. 3.168.604,- is ook begrepen al hetgeen de stichting ultimo 1989 al aan de schenkers verschuldigd was.

3.7 [D.] is in de nalatenschap van zijn vader opgetreden als executeur. Mr. Vilé heeft in zijn brief van 2 mei 2003 namens [D.] aan mr. Van Kippersluis, die ook toen al optrad voor geïntimeerden, bericht: "Hierbij gaat een notarieel gelegaliseerde verklaring van 25 december 1996, waaruit de gehele financiële relatie tussen wijlen de heer [A.] en de [stichting] blijkt. Sinds 25 december 1996 is er geen wijziging opgetreden."

3.8 Mr. Vilé heeft in zijn brief van 7 mei 2003 aan mr. W.J.M. van Andel namens de stichting bericht: "Uw vraag over de vermogenspositie van de Stichting betreft eigenlijk uitsluitend de nalatenschap van wijlen de heer [A.]. Niettemin stuur ik u hierbij een notarieel gelegaliseerde verklaring van 25 december 1996. Hieruit blijkt de financiële relatie tussen wijlen de heer [A.] en de Stichting. Uit de jaarstukken over 2001 van de Stichting blijkt dat er in deze situatie geen wijziging is gekomen. Ook in 2002 bleef deze situatie ongewijzigd."

3.9 In een procedure tussen de erfgenamen van de schenkers inzake de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de schenkers is mede namens [C.] en [D.], die sedert 23 juni 1994 respectievelijk 23 december 1996 lid van het bestuur van de stichting waren ter zitting van de kantonrechter op 8 november 2004 gesteld dat het onjuist is dat de stichting een vordering op of een schuld aan de schenkers had. In dat verband is een accountantsverklaring verstrekt, waaruit blijkt dat de stichting geen vordering op of schuld aan de schenkers had.

3.10 Bij brief van 7 september 2005 bericht mr. Vilé aan mr. Van Kippersluis: "Bij mijn fax van 2 mei 2003 stuurde ik een notarieel gelegaliseerde verklaring gedateerd 25 december 1996, over de financiële relatie tussen wijlen het echtpaar [A.-B.] en de [stichting]. Dezer dagen dook, onverwacht, bijgaande notariële akte van 27 december 1989 op over "kwijtschelding en schenking". Uit deze akte van 27 december 1989 blijkt dat de kwijtschelding aan de Stichting reeds gedeeltelijk was geëffectueerd voor de notariële verklaring van 25 december 1996."

3.11 Bij brief van 12 oktober 2005 heeft mr. Vilé aan mr. Van Kippersluis bericht: "Bij mijn brief van 7 september jl. stuurde ik u een notariële akte van 27 december 1989, onder meer over schenkingen door het echtpaar [A.-B.] aan de [stichting]. De in deze notariële akte genoemde schenkingen zijn nooit geëffectueerd. Dit betekent dat de [stichting] terzake van de schenkingen nog te vorderen heeft NLG 500.000,- opeisbaar 8 januari 2004. Deze hoofdsom moet worden vermeerderd met 8% rente. Verder heeft de [stichting] te vorderen NLG 50.000,- per jaar over de periode 30 juni 1990 tot 8 januari 2004, vermeerderd met de wettelijke rente. Namens de [stichting] geldt deze fax als een schriftelijke aanmaning aan de erfgenamen [geïntimeerden sub 2 en 3] (hof; geïntimeerden onder 2 en 3), ter stuiting van de verjaring van beide bovengenoemde vorderingen met rente. De [stichting] zal bovengenoemde vorderingen ook laten melden aan de notaris voor de boedelbeschrijving." Mr. Vilé heeft op 14 oktober 2005 eenzelfde brief verzonden aan geïntimeerde onder 1.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Bij dagvaarding van 17 november 2008 heeft de stichting gevorderd dat de rechtbank Utrecht ieder van de geïntimeerden veroordeeld aan de stichting de in 2.2 vermelde bedragen te betalen. De rechtbank heeft in haar bestreden vonnis geoordeeld dat:

(a) de overeenkomst van 27 december 1989 is herroepen of ongedaan gemaakt; en

(b) dat de schenkers en de stichting met de overeenkomst van 25 december 1996 hebben beoogd de schulden en vorderingen over en weer volledig weer te geven en te regelen;

en de vorderingen afgewezen.

De drie grieven van de stichting richten zich tegen deze oordelen en beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang voor te leggen.

4.2 Geïntimeerden zijn samen met hun broers [C.] en [D.] de enige erfgenamen van elk van beide schenkers, ieder voor een vijfde deel, en als zodanig ieder op grond van artikel 4:182 lid 2 BW voor een vijfde deel verbonden voor de schulden van de schenkers die niet met hun dood zijn tenietgegaan. Het hof gaat bij de beoordeling ervan uit dat de stichting op grond van de notariële akte van 27 december 1989 in beginsel een vorderingsrecht heeft op de erfgenamen van de schenkers en van elk van hen betaling kan vorderen van een vijfde deel van de schuldig erkende bedragen en de daarover verschuldigde rente. Dat de schenkers en de stichting deze notariële akte en de daarin opgenomen schulderkenningen zouden zijn 'vergeten' betekent nog niet dat de schulderkenning niet meer bestaat. Wat wordt vergeten is immers nog niet non-existent. Het onverwachte 'opduiken' van de 'vergeten' notariële akte van 27 december 1989 in 2005 leidt evenmin tot enige vorm van ongeldigheid van de schulderkenning.

4.3 Het verst strekkende verweer van geïntimeerden is dat de vorderingen zijn verjaard. Dit verweer komt vanwege de devolutieve werking in elk geval aan de orde indien de grieven slagen en wordt daarom eerst beoordeeld.

4.4 De rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis uit de overeenkomst van 27 december 1989 tot betaling door ieder van de geïntimeerden van een vijfde deel van f. 500.000,- (€ 45.378,-) verjaart op grond van artikel 3:307 lid 1 BW (voor de hoofdsom) vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Deze vordering is opeisbaar geworden bij het overlijden van de langstlevende van de schenkers op 8 januari 2004. De verjaring is gestuit bij de brieven aan geïntimeerden van 12 respectievelijk 14 oktober 2005. De over dit bedrag gevorderde rente van 8% vanaf 14 oktober 2000 is telkens opeisbaar geworden op 30 juni en 31 december van elk jaar. De rechtsvordering tot betaling daarvan is op grond van artikel 3:308 BW verjaard voor zover het de periode tot 14 oktober 2000 betreft en gestuit voor de periode daarna. Dat betekent dat de vordering van de stichting zoals die onder 2.2 is weergegeven niet is verjaard.

4.5 De stichting vordert verder betaling van alle periodieke uitkeringen die sedert 30 juni 1990 zijn vervallen. Het gaat hier over de periode van 30 juni 1990 tot aan het overlijden van de langstlevende van de schenkers in totaal om 28 periodieke uitkeringen van elk f. 25.000,-. Het totaal daarvan is f. 700.000,-, waarvan ieder van de geïntimeerden voor een vijfde deel of f. 140.000,- (€ 63.628,-) wordt aangesproken. Deze uitkeringen zijn telkens opeisbaar geworden op 30 juni en 31 december van elk jaar. Op grond van artikel 3:307 lid 1 dan wel artikel 3:308 BW is de rechtsvordering tot betaling daarvan voor elke periodieke uitkering telkens verjaard door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Het hof oordeelt dat de rechtsvordering tot betaling daarvan op grond van artikel 3:307/308 BW is verjaard voor zover het de periodieke uitkeringen betreft die vóór 14 oktober 2000 zijn vervallen, maar tijdig is gestuit voor de periodieke uitkeringen die daarna zijn vervallen. Dat betekent dat de vordering van de stichting zoals die onder 2.3 is weergegeven niet is verjaard voor de zeven periodieke uitkeringen die zijn vervallen in de periode van 14 oktober 2000 tot aan het overlijden van de langstlevende van de schenkers. Het hof berekent het totaal daarvan op f. 175.000,- waarvan ieder van de geïntimeerden nog kan worden aangesproken voor een vijfde deel of f. 35.000,- (€ 15.882,-).

4.6 Geïntimeerden betwisten dat zij gehouden zijn tot betaling. Zij voeren aan dat aan de akte van 27 december 1989 en (naar het hof moet begrijpen:) de daarin opgenomen rechtshandelingen geen enkele gelding meer toekomt, aangezien deze in de notarieel gelegaliseerde verklaring van de schenkers en de stichting van 25 december 1996 zijn herroepen dan wel tenietgedaan dan wel genoveerd. Verder voeren zij aan dat, ook als vaststaat dat de stichting de gestelde vordering op hen heeft, het in de omstandigheden die zij in hun memorie van antwoord onder punt 21 hebben geschetst onaanvaardbaar is dat de stichting van de erven nakoming van deze vordering verlangt.

4.7 Het beroep van geïntimeerden op herroeping, tenietdoening en novatie is naar het oordeel van het hof een zelfstandig of bevrijdend verweer, waarvan geïntimeerden op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bewijslast dragen.

4.8 Het beroep van geïntimeerden op herroeping en tenietdoening is kennelijk gebaseerd op het bepaalde in artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek zoals dat gold tot 1 januari 1992 (herroeping) en van 1 januari 1992 tot 1 januari 2003 (vernietiging), waarin de mogelijkheid tot herroeping respectievelijk vernietiging was opgenomen bij niet-vervulling van de voorwaarden waaronder een schenking was gedaan, bij veroordeling van de begiftigde wegens het plegen van een misdrijf jegens de schenker en indien de begiftigde een wettelijke plicht tot levensonderhoud niet nakwam. Dat zich een van de genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en de schenking op die grond is herroepen of vernietigd is gesteld noch gebleken. Er zijn ook geen verklaringen of gedragingen gesteld of gebleken die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de schenking op andere gronden is vernietigd of ontbonden.

4.9 Het hof is verder van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van novatie of schuldomzetting in die zin dat de schenking van 25 december 1996 in de plaats is gekomen van de schenking van 27 december 1989. In de bewoordingen van de akte van 27 december 1996 is daarvoor geen enkel aanknopingspunt te vinden. Daarin wordt immers niet gerept over of verwezen naar de akte of de schenkingen uit 1989. Dat de schenking van f. 2.000.000,- als het ware een 'blinde' schuldvernieuwing is, in die zin dat deze schenking in de plaats komt van alle andere schenkingen die in het verleden zijn gedaan en niet tot uitvoering zijn gekomen met inbegrip van schenkingen die de schenkers en de stichting mochten zijn vergeten, blijkt evenmin uit de bewoordingen in de onderhandse akte van 25 december 1996. Dat in de akte van 25 december 1996 de kwijtschelding van schulden ook de schulden betreft die al in de akte van 27 december 1989 waren kwijtgescholden en dat de schenkingen uit 1989 niet in de boeken zijn verwerkt en, voor zover dat mogelijk was, niet zijn uitgevoerd tijdens het leven van de schenkers, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om te oordelen dat daardoor ook de verplichtingen die voortvloeien uit schenkingen in de akte van 27 december 1989 zijn omgezet in de verplichtingen die voortvloeien uit de schenkingen in de akte van 25 december 1996. Daarbij komt dat de schenking uit 1996 van geheel andere aard was en een bedrag in contanten betrof en evenals de kwijtschelding is geschied onder een last, terwijl de schenking uit 1989 bestond uit een tweetal schulderkenningen, waarvan de eerste pas effect zou hebben bij het overlijden van de langstlevende van de schenkers. Andere verklaringen of gedragingen die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van schuldomzetting zijn gesteld noch gebleken.

4.10 Dat met de overeenkomst van 25 december 1996 werd beoogd, al dan niet bij wijze van vaststellingsovereenkomst, de gehele financiële situatie tussen de schenkers en de stichting te regelen blijkt niet uit de bewoordingen van de onderhandse akte van 25 december 1996. Ook de hiervoor in rechtsoverweging 4.9 genoemde omstandigheden kunnen niet tot dat oordeel leiden. Er zijn daarnaast geen andere verklaringen en gedragingen gesteld of gebleken die tot dat oordeel zouden kunnen leiden.

4.11 Geïntimeerden hebben naast een algemeen geformuleerd bewijsaanbod niet aangeboden feiten en omstandigheden te bewijzen die zouden kunnen leiden tot een ander oordeel ten aanzien van de onder 4.7 tot en met 4.10 besproken stellingen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding hen toe te laten tot bewijs. Dat betekent dat de grieven in zoverre slagen.

4.12 Het hof dient thans nog te beoordelen of, zoals geïntimeerden aanvoeren, het beroep van de stichting op de gevolgen van de overeenkomst van 27 december 1989 in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en overweegt daartoe als volgt. Het hof is van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de schenkers de overeenkomst van 27 december 1989 zijn vergeten, althans geen nadere uitvoering daaraan wilden geven, maar hebben verzuimd de overeenkomst te ontbinden of te vernietigen of de verplichtingen die daaruit voortvloeiden om te zetten in een andere schenking. Zij hebben immers nimmer enige uitvoering gegeven aan de afspraken uit 1989, hebben de jaarrekeningen van de stichting sedert 1989 waarin de gevolgen van de overeenkomst niet waren verwerkt als enige leden van het bestuur van de stichting vastgesteld, hebben in de onderhandse akte van 25 december 1996 opnieuw kwijtgescholden wat zij al op 27 december 1989 hadden kwijtgescholden en in hun testamenten van 9 april 1998 aan de stichting een legaat gemaakt van roerende zaken die zij in de overeenkomst van 27 december 1989 al hadden geschonken aan de stichting. Het hof is verder van oordeel dat ook de stichting de overeenkomst van 27 december 1989 vergeten was, althans geen nadere uitvoering daarvan wenste. De schenkingen zijn immers nooit verwerkt in de jaarrekeningen van de stichting, de stichting heeft gedurende het leven van de schenkers nimmer betaling gevraagd van de schuldig erkende periodieke uitkeringen en van de rente over de schulderkenning van f. 500.000,- en de kwijtschelding in de akte van 25 december 1996 betrof ook het bedrag dat al in de overeenkomst van 27 december 1989 was kwijtgescholden. De bestuursleden die naast de schenkers zijn toegetreden tot het bestuur van de stichting, inclusief [C.] en [D.], waren evenmin op de hoogte van de schenkingen uit 1989 en waren verrast door het opduiken van deze akte in 2005. De schenkers en de stichting zijn kennelijk zonder nog te weten wat zij in 1989 al hadden afgesproken, althans kennelijk zonder daarop nog acht te slaan of daaraan betekenis toe te kennen, op 25 december 1996 overeengekomen dat de schenkers aan de stichting een bedrag in contanten van f. 2.000.000,- schenken. Daarnaast hebben de schenkers aan de stichting een schuld van f. 3.168.604,- kwijtgescholden. De stichting heeft zich totdat de akte in 2005 plotseling 'opdook' jegens geïntimeerden onder verwijzing naar een accountantsverklaring telkens op het standpunt gesteld dat er geen vorderingen op de schenkers dan wel hun rechtsopvolgers onder algemene titel meer bestonden. Het hof is van oordeel dat in die omstandigheden het beroep van de stichting op de gevolgen van de overeenkomst van 27 december 1989 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.13 De grieven slagen weliswaar, maar dat kan gelet op het oordeel van het hof dat in de gegeven omstandigheden het beroep van de stichting op de gevolgen van de overeenkomst van 27 december 1989 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet leiden tot toewijzing van de vordering van de stichting, zodat het hof het bestreden vonnis onder verbetering van gronden zal bekrachtigen.

4.14 Als de in het ongelijk gestelde partij zal de stichting in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden worden begroot op € 1.188,- aan verschotten en op € 9.789,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief VI).

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 1 juli 2009;

veroordeelt de stichting in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden vastgesteld op € 10.977,-, te weten € 9.789,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en € 1.188,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke- Nieuwenhuizen en J.G. Luiten, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2012.