Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7090

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
21-001789-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2730, Meerdere afhandelingswijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1755, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord. Poging overval: vrijwillige terugtred? Levenslang geëist. Strafmaatoverweging: levenslang alleen in uitzonderlijke gevallen. Snelle recidive na uitzitten lange vrijheidsstraf.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 31
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

GERECHTSHOF AMSTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001789-10

Uitspraak d.d.: 31 mei 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

28 april 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-711030-08 en 16-600905-08, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in [1982],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis

-onbeperkt- hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 mei 2011, 19 juli 2011, 7 mei 2012, 8 mei 2012 en 31 mei 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr H.O. den Otter, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder parketnummer

16-600905-08 onder 2 tenlastegelegde.

Hoger beroep tegen de genoemde vrijspraak staat voor de verdachte niet open. Het hof zal daarom de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

De officier van justitie heeft in zijn appelschriftuur uitdrukkelijk aangegeven dat het hoger beroep niet tegen deze vrijspraak is gericht. Nu tegen deze beslissing geen grieven zijn ingediend noch mondeling bezwaren zijn opgegeven en het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van dit feit, zal de officier van justitie in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na aanpassing van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

Parketnummer 16-711030-08:

1 primair:

hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden.

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk, meermalen, althans eenmaal,

met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een hoeveelheid (van een materiaal bevattende, althans gelijkende op) cocaïne, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 13 januari 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk meermalen,

althans eenmaal, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1]

geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2:

hij op of omstreeks 21 maart 2008, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 2 april 2008, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava, model 70), en/of munitie van categorie III, te weten een of meer kogelpatro(o)n(en), heeft overgedragen aan [getuige 1] en/of [getuige 2], althans voorhanden heeft gehad.

Parketnummer 16-600905-08:

1 primair:

hij op of omstreeks 6 februari 2008 te Eindhoven, althans in het arrondissement

's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toegehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],

als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- met een auto naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (gelegen aan de [adres]) gereden en/of

- (vervolgens) uit die auto gestapt en/of in de richting van die woning gelopen en/of

- (al lopende) een capuchon over zijn/hun hoofd getrokken en/of

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter hand genomen en/of

- (vervolgens) dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) doorgeladen en/of

- (met dat (op een) getrokken vuurwapen (gelijkend voorwerp)) aangebeld bij die woning en/of met de brievenbus geklepperd bij die woning, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 6 februari 2008 te Eindhoven, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers is/zijn en/of heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- (zichtbaar) een capuchon over zijn/hun hoofd getrokken en/of

- (vervolgens) (zichtbaar) een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter

hand genomen en/of

- (vervolgens) (zichtbaar) dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)

doorgeladen en/of

- (zichtbaar) (met dat (op een) getrokken vuurwapen (gelijkend voorwerp))

aangebeld bij de woning van die [slachtoffer 2] en/of met de brievenbus geklepperd

bij de woning van die [slachtoffer 2].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De beoordeling van het bewijs

TWIST

Feit 1 in de zaak met parketnummer 16-711030-08, de dood van [slachtoffer 1]

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair tenlastegelegde, te weten medeplegen van moord.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van dit feit. Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte rade, dat (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van [slachtoffer 1] ontbreekt en dat niet van medeplegen kan worden gesproken. Volgens de verdediging zou sprake zijn geweest van een drugsgerelateerde vechtpartij waarbij per ongeluk een wapen is afgegaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [slachtoffer 1] als eerste een vuurwapen trok, waarna een worsteling in de auto ontstond tussen medeverdachte [naam medeverdachte] en [slachtoffer 1]. Verdachte zou tijdens die worsteling het vuurwapen van [slachtoffer 1] hebben bemachtigd. Vervolgens pakte [slachtoffer 1] de autosleutels af, in reactie waarop buiten de auto opnieuw een schermutseling ontstond tussen [slachtoffer 1], medeverdachte [naam medeverdachte] en verdachte. Het wapen van [slachtoffer 1] is tijdens die schermutseling per ongeluk afgegaan toen verdachte het vasthield. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet wist dat dat wapen (door)geladen was en dat hij niet heeft gemerkt dat het wapen afging. Eén en ander zou zich in een zeer kort tijdsbestek hebben afgespeeld.

De verdediging heeft verder als bewijsverweer aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen plaats delict niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze verklaringen - volgens de verdediging - onderling op cruciale punten verschillen en bovendien in strijd zijn met bevindingen van het NFI. Voorts heeft de verdediging de betrouwbaarheid betwist van [getuige 3].

Het oordeel van het hof

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair tenlastelegde, gelet op de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.(1) Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen.

Bewijsoverzicht

Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de Dickenslaan met de Cervanteslaan een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [slachtoffer 1].(2)

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1]. Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding.(3) Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linker schouderblad.(4) Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd.(5)

Van het incident zijn verscheidene mensen getuige geweest.

[Getuige 4] heeft verklaard dat hij geschreeuw hoorde op straat en dat hij ruzie hoorde maken. Het geschreeuw kwam van de Cervanteslaan op de hoek met de Dickenslaan te Utrecht. Hij zag dat één persoon de Dickenslaan inliep en dat anderen achter diegene aan liepen. Even later hoorde hij een knal. Na dit schot hoorde hij roepen: "Nee, nee, niet doen." De getuige hoorde aan het stemgeluid dat de persoon als het ware smeekte om het niet te doen. Hierna hoorde de getuige weer een knal. Na het tweede schot renden twee personen weg over de Cervanteslaan. De getuige zag dat zij in een personenauto stapten die ongeveer 20 à 30 meter van de hoek Cervanteslaan/Dickenslaan stond geparkeerd.(6)

[Getuige 5] heeft verklaard dat zij aan het tennissen was toen twee mannen, die ook aan het tennissen waren, zeiden dat er werd geschoten. Direct hierna hoorde zij iemand roepen dat hij was geraakt. Kort hierop hoorde zij een knal. Later realiseerde ze zich dat ze al eerder een knal had gehoord, maar dat ze toen dacht dat het vuurwerk was.(7)

[Getuige 6] heeft verklaard dat zij vier mannen zag die ruzie aan het maken waren. Eén van de mannen rende al snel weg. Daarna waren ze met zijn drieën. De getuige zag dat twee van de mannen de derde man schopten. Deze derde persoon lag op de grond. Hij lag op de plaats waar hij later was neergeschoten. Terwijl hij werd geslagen, hoorde ze een paar keer: "sleutel". De getuige heeft gehoord dat er werd geschoten.(8)

[Getuige 7] heeft verklaard dat hij vanuit een woning gelegen aan de Dickenslaan twee knallen hoorde. Hij keek door het raam naar buiten en zag op de hoek van de Cervanteslaan met de Dickenslaan een man op de grond liggen. Bij de man stonden twee personen. De ene persoon stond ter hoogte van het middel van de liggende man. Deze persoon had een voorwerp in zijn rechterhand dat eruit zag als een pistool. Hij hield zijn rechterarm gestrekt richting het lichaam van de liggende man, ter hoogte van diens borst of hoofd. De andere persoon stond ter hoogte van de rechterschouder van het slachtoffer.(9)

[Getuige 8] heeft verklaard dat hij zich in zijn woning gelegen aan de Dickenslaan bevond toen hij door het raam zag dat twee personen inschopten op een persoon die op de grond lag.(10) De getuige heeft twee schoten gehoord.(11)

[Getuige 9] heeft verklaard dat zij in haar woning gelegen aan de Dickenslaan televisie zat te kijken toen het klonk alsof er mensen aan het rennen waren. Vervolgens hoorde zij geschreeuw. Door het raam zag zij dat er buiten op straat een man op de grond lag. Vlakbij de man stonden twee andere mannen. Eén man stond ter hoogte van het hoofd van de man die op de grond lag. De andere man stond ter hoogte van het middel van de liggende man. De liggende man werd geschopt. Eén van de mannen boog zich voorover over het bovenlichaam van het op de grond liggende slachtoffer. Daarna hoorde de getuige een soort plof of plop of tok geluid.(12)

[Getuige 3] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij "Sahara" aan de Vleutenseweg samen met [slachtoffer 1] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [Slachtoffer 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 1] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [Slachtoffer 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin. [Slachtoffer 1] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de Cervanteslaan 26/28. [Slachtoffer 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: "Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles." [Slachtoffer 1] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [slachtoffer 1]. De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [slachtoffer 1] zei: "Ik neem het. Ik heb geld genoeg." Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [Getuige 3] zag dat het een vuurwapen was. [Getuige 3] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend.(13)

[Medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [slachtoffer 1]. De afspraak ging over cocaïne. [Medeverdachte] is samen met verdachte naar Utrecht gereden. [Medeverdachte] en [slachtoffer 1] hebben elkaar bij theehuis Sahara getroffen. [Slachtoffer 1] had iemand bij zich. [Slachtoffer 1] ging achter [medeverdachte] in de auto zitten. De andere persoon ging achter verdachte zitten. [Slachtoffer 1] zei waar [medeverdachte] heen moest rijden. Ze stopten ergens. [Slachtoffer 1] zei dat [medeverdachte] even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [slachtoffer 1] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 3] achter [medeverdachte]. [Slachtoffer 1] vroeg [medeverdachte] weg te rijden en rechtsaf te slaan. [Medeverdachte] parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [Slachtoffer 1] haalde het zakje coke te voorschijn en gaf het aan [medeverdachte]. [Medeverdachte] keek ernaar en hij rook eraan. [Medeverdachte] zei tegen [slachtoffer 1] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [Slachtoffer 1] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg [medeverdachte] of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos. [Getuige 3] rende weg. [Medeverdachte] is als tweede uit de auto gestapt. Vanonder de stoel pakte [medeverdachte] zijn eigen vuurwapen. [Slachtoffer 1] pakte de autosleutels uit het contact van de auto. Op een gegeven moment stond [slachtoffer 1] buiten de auto op de stoep. [Medeverdachte] is op hem gesprongen, omdat hij de sleutels terug wilde hebben en [slachtoffer 1] die niet terug wilde geven. [Medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. [Medeverdachte] hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: [medeverdachte], verdachte en [slachtoffer 1]. Op een gegeven moment, toen [medeverdachte] het schot hoorde, lag [slachtoffer 1] op de grond. [Medeverdachte] heeft de autosleutels gepakt toen [slachtoffer 1] op de grond lag. [Medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar [getuige 10] gegaan. Daar heeft [medeverdachte] gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten.(14)

De verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte]) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met [medeverdachte] is meegereden naar Utrecht. [Medeverdachte] en [slachtoffer 1] zouden elkaar treffen in coffeeshop Sahara en verdachte is meegegaan. [Medeverdachte] zat op de bestuurdersstoel en verdachte op de bijrijdersstoel. [Slachtoffer 1] ging achter [medeverdachte] zitten en [getuige 3] achter verdachte. Ze zijn vervolgens naar het huis van [slachtoffer 1] gereden. [Medeverdachte] reed. Toen ze bij het huis van [slachtoffer 1] aankwamen, is [slachtoffer 1] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [slachtoffer 1] weer ingestapt. Toen zat [slachtoffer 1] achter verdachte en [getuige 3] achter [medeverdachte]. Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [Slachtoffer 1] is een gesprek gestart met [medeverdachte] over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan [medeverdachte]. [Medeverdachte] rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [Getuige 3] is uit de auto gestapt en weggerend. Op een gegeven moment hoorde verdachte [medeverdachte] zeggen dat [slachtoffer 1] de autosleutel had. Op enig moment zijn [medeverdachte], verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto gestapt. Verdachte had toen een vuurwapen vast. [Medeverdachte] liep naar [slachtoffer 1] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat verdachte vasthield, is afgegaan. [Medeverdachte] had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft [medeverdachte] de sleutel te pakken gekregen. Verdachte en [medeverdachte] zijn in de auto gestapt en weggereden.(15) Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd en nader aangevuld. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd.

Bij een doorzoeking van de woning in Hoogvliet waar [medeverdachte] destijds verbleef, is op 16 april 2008 een vuurwapen van het merk Pietro Beretta aangetroffen.(16) [Getuige 11] heeft verklaard dat dit vuurwapen van haar vriend [medeverdachte] is.(17)

Op 2 april 2008 is in het kader van een onderzoek tegen [getuige 2] in een kelderbox van een woning te Rotterdam een vuurwapen van het merk Zastava aangetroffen. Met dit wapen heeft de politie proefschoten uitgevoerd.(18) Hieruit bleek dat er overeenkomsten zijn met twee hulzen die op 13 januari 2008 op de plaats delict te Utrecht zijn aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de twee hulzen die op 13 januari 2008 zijn aangetroffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het onder [getuige 2] in beslag genomen vuurwapen.(19) [Getuige 2] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft gekocht van ene [voornaam getuige 1].(20) De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dit wapen op 13 januari 2008 uit de auto heeft gepakt en dat hij dit wapen later, in het bijzijn van [medeverdachte], aan [getuige 1] heeft overgedragen.

Door het NFI is onderzocht of de bij [slachtoffer 1] geconstateerde hoofdletsels (nader aangeduid met letsels G, H, I en K) veroorzaakt kunnen zijn door het slaan met een van de genoemde vuurwapens. Het NFI heeft geconcludeerd dat letsel G kan zijn opgeleverd door slaan of stoten met een puntig deel van één van beide wapens. De letsels H en I kunnen zijn opgeleverd door slaan of stoten met de uitstekende rand aan de voorzijde van de patroonhouder van het wapen Zastava en het letsel K kan worden toegeschreven aan met kracht slaan of stoten met de onderzijde van de kolf van hetzelfde wapen.(21)

De politie heeft een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [getuige 11], afgeluisterd op 10 juni 2008. [Medeverdachte] zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

"Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (...) we zijn naar de man toe gegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man "droppen", eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (...) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (...) We zijn uit de auto gestapt, die man... weet je wat deze man gedaan heeft, broeder? De man is via achterin gesprongen en heeft de autosleutel gepakt, die man heeft de autosleutel gepakt en is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten. Weet je wat die man wilde doen? Die man wil de sleutel in de put gooien. Die man wil de sleutel in de put gooien... Eindstand: we willen vechten.. die man wil de sleutel niet loslaten broeder..."(22)

Overwegingen

[Getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: [medeverdachte]) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. [Medeverdachte] zou dit wapen vervolgens op [getuige 3] en [slachtoffer 1] hebben gericht. Volgens de getuige had [slachtoffer 1] geen wapen bij zich.(23) Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven.(24) [Medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 1] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van de verdachte en [medeverdachte]. Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van [getuige 3]. De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [slachtoffer 1] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [slachtoffer 1] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [slachtoffer 1] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer.

Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [getuige 11], afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten:

"de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de "bro" schieten."

Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [slachtoffer 1] het wapen van [medeverdachte] of verdachte probeerde af te pakken.

Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario's het juiste is, wordt in het midden gelaten of [slachtoffer 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

- Op enig moment waren [medeverdachte], verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto.

- [Medeverdachte] en verdachte hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast en [slachtoffer 1] had op dat moment geen vuurwapen (evt.: meer) in zijn handen.

- [Slachtoffer 1] is vervolgens weggelopen.

- [Medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] gewapend achtervolgd.

- [Medeverdachte] is op [slachtoffer 1] gesprongen.

- [Medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.

- [Slachtoffer 1] is op de grond terechtgekomen.

- [Medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag.

- Verdachte heeft op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- [Slachtoffer 1] heeft geroepen "nee nee niet doen" en dat hij was geraakt.

- Verdachte heeft nogmaals op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- Verdachte heeft met gestrekte arm geschoten.

- Op het moment dat verdachte schoot, lag [slachtoffer 1] op de grond en stonden verdachte en [medeverdachte] naast hem.

- [Slachtoffer 1] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden.

- [Slachtoffer 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. De verdachte heeft [slachtoffer 1] door middel van een opgezet schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat de verdachte op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden.

Door de verdediging is nog het verweer gevoerd dat de hiervoor genoemde verklaringen van de getuigen plaats delict niet bruikbaar zouden zijn voor het bewijs nu deze verklaringen onderling op cruciale punten verschillen. Het hof verwerpt dit verweer nu de getuigen plaats delict in hoofdlijnen consistent hebben verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen. Nu het gaat om niet bij het feit betrokken ooggetuigen heeft het hof ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen zij hebben waargenomen. Dat de verklaringen op details van elkaar verschillen, maakt dit niet anders. Het terzake gevoerde verweer wordt verworpen.

Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte]. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door [medeverdachte] geregelde ontmoeting met [slachtoffer 1] over drugs. [Medeverdachte] had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken.(25) [Medeverdachte] en verdachte hebben beiden bewapend [slachtoffer 1] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat verdachte schoot, stond [medeverdachte] erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [slachtoffer 1] is neergeschoten, hebben verdachte en [medeverdachte] alsnog de autosleutels afgepakt en zijn zij naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat verdachte en [medeverdachte] zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.

Voor het aannemen van voorbedachte raad is naar vaste jurisprudentie voldoende dat komt vast te staan dat de dader de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat -objectief gezien- gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het voorgaande volgt dat dat in deze zaak het geval is geweest. Het hof doelt daarbij in het bijzonder op de achtervolging door de gewapende verdachten van de onbewapende [slachtoffer 1] vanaf de plaats waar de auto is geparkeerd tot aan de plaats waar op [slachtoffer 1] is geschoten, op de verschillende vormen van fysiek geweld die de verdachte en [medeverdachte] hebben gebruikt en op de tijd die tussen de twee schoten heeft gezeten. Daarnaast is vastgesteld dat er door verdachte is geschoten met gestrekte arm met 0 cm afstand. Deze gedragingen duiden er niet op dat verdachten hebben gehandeld in paniek of een andere plotselinge gemoedsbeweging; zij duiden veeleer op een weloverwogen optreden. Daarmee kan bewezen worden dat verdachte en [medeverdachte] hebben gehandeld met voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Parketnummer 16-711030-08:

1 primair:

hij op 13 januari 2008 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden.

Feit 2 in de zaak met parketnummer 16-711030-08, het overdragen van een vuurwapen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het vuurwapen, van het merk Zastava, in Rotterdam aan [getuige 1] heeft overgedragen.

Oordeel van het hof

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 2 tenlastelegde, gelet op de hierboven weergegeven bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.(26)

In het kader van een onderzoek tegen [getuige 2] is op 2 april 2008 in een kelderbox van een woning te Rotterdam een vuurwapen aangetroffen. In de patroonhouder van het vuurwapen zaten twee kogelpatronen.(27)

De politie heeft vastgesteld dat het wapen een pistool is van het merk Zastava, model 70, en dat dit pistool een vuurwapen is in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). De bij het vuurwapen in beslag genomen kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 2, tweede lid, categorie III WWM.(28)

[Getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [getuige 2] hem had gevraagd of hij aan een vuurwapen kon komen. De getuige maakte vervolgens een afspraak met [voornaam medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte]), die hem een week eerder een vuurwapen had aangeboden. Op 21 maart 2008 werd de getuige in Rotterdam opgehaald door [medeverdachte], [voornaam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) en [naam derde persoon]. In de auto kreeg hij van verdachte een vuurwapen. De getuige heeft dit vuurwapen vervolgens aan [getuige 2] gegeven.(29)

[Getuige 2] heeft verklaard dat hij bij het vuurwapen twee kogelpatronen heeft gekregen.(30)

Bewezenverklaring

Parketnummer 16-711030-08:

2:

hij op 21 maart 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava, model 70), en munitie van categorie III, te weten kogelpatronen, heeft overgedragen aan [getuige 1].

EINDHOVEN

Feit 1 in de zaak met parketnummer 16-600905-08, de poging gewapende overval op [adres] te Eindhoven

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Volgens de verdediging kan niet bewezen worden dat verdachte met een vuurwapen in zijn handen naar de woning is gelopen. Ook los daarvan kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat sprake is van een begin van uitvoering van enig strafbaar feit. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de verdachte vanwege vrijwillige terugtred dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van het hof

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair tenlastelegde, gelet op de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.(31) Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen.

Bewijsoverzicht

Op 18 februari 2008 werd door [getuige 12] aan de politie Eindhoven een CD-rom overhandigd. [Getuige 12] verklaarde daarbij dat hij deze CD-rom had gekregen van een kennis en dat twee daders kennelijk geprobeerd hadden die kennis te overvallen.(32)

Op deze CD-rom is beeldmateriaal opgeslagen, welk beeldmateriaal ook ter terechtzitting in eerste aanleg is getoond. De rechtbank heeft ter terechtzitting het volgende op de beelden waargenomen. Een auto komt aanrijden en stopt vervolgens in een straat met woningen. Uit deze auto stappen twee donkergekleurde mannen. Zij steken de straat over en lopen in de richting van de plek waar de camera's zich bevinden. Eén van de mannen, gekleed in een lichte jas met twee horizontale strepen op borsthoogte en donkere vlakken op de schouders, loopt vervolgens voor de andere man uit. De man die voorop loopt, houdt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand en steekt dit voorwerp tussen de broeksriem en zijn broek. Daarna loopt hij met het wapen in zijn rechterhand door. Een donkergekleurde man, met een capuchon over zijn hoofd, staat vervolgens bij de voordeur van een woning. Hij is gekleed in een lichtgekleurde jas met horizontale strepen op borsthoogte en zwarte vlakken op de schouders. De persoon die bij de voordeur staat maakt

handbewegingen ter hoogte van het midden van de deur, mogelijk ter hoogte van een brievenbus. Op een zeker moment kijkt deze man nagenoeg recht in een van de beveiligingscamera's. Deze man vertoont zeer grote uiterlijke overeenkomsten met [verdachte]. Nadat de deur niet wordt geopend, vertrekt de man bij de deur. Daarna lopen de beide mannen terug naar dezelfde auto als waarmee zij eerder waren aangekomen en rijden zij weg.(33)

Uit nader onderzoek door de politie is gebleken dat deze beelden zijn opgenomen door beveiligingscamera's aan de woning gelegen aan [adres] te Eindhoven.(34) De bewoners van deze woning, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], wilden geen aangifte doen, onder andere uit angst voor represailles.(35)

[Slachtoffer 2] heeft echter op 26 maart 2008 wel een verklaring afgelegd bij de politie. Hij heeft toen verklaard dat er op 6 februari 2008, omstreeks 22.30 uur, bij zijn woning werd aangebeld. Omdat hij noch zijn vriendin (het hof begrijpt: [slachtoffer 3]) bezoek verwachtte, keek hij op de monitor van de bewakingscamera's. Hij zag toen dat er een onbekende man aan de deur stond en dat deze persoon zijn hoofd bedekt had met de capuchon van zijn jas. Hij heeft niet opengedaan, omdat hij deze persoon niet kende. Hij vertrouwde het niet. Toen [slachtoffer 2] de beelden van de beveiligingscamera's terugkeek, zag hij dat een auto kwam aanrijden en dat er twee personen uit deze auto stapten. Verder zag hij dat de genoemde man een vuurwapen doorlaadde, deze achter in zijn broekzak stak, en daarna bij de woning aanbelde.(36)

[Politieambtenaar A] heeft op 1 augustus 2008 naar de beveiligingsbeelden gekeken. Hij heeft het volgende gezien. Een personenauto rijdt een straat in en stopt aldaar. Vervolgens stappen twee negroïde mannen uit. De kleinere man, gekleed in een lichtkleurig gewatteerd jack, steekt direct de straat over nadat hij de auto uitstapte als bijrijder. Hij neemt een vuurwapen in zijn rechterhand en laadt deze door. Vervolgens loopt hij naar de voordeur van een woning. Bij de voordeur kijkt hij om zich heen en vervolgens is zijn gezicht te zien. [Politieambtenaar A] herkent deze man als de hem ambtshalve bekende [verdachte]. De andere negroïde man stapt als de bestuurder van de auto uit. Hij loopt aan de overzijde van de straat en steekt pas later de straat over. Hij loopt achter de eerder omschreven man aan. Deze man is veel langer dan de eerder omschreven man. Hij draagt een zwartkleurige, driekwart jas. De wijze waarop deze man zijn voeten neerzet en loopt, komt zeer sterk overeen met de manier van lopen van [medeverdachte], die [politieambtenaar A] ambtshalve bekend is.(37)

[Politieambtenaar B] heeft dezelfde beelden bekeken. Ook hij is tot de conclusie gekomen dat de man met de zwartkleurige, driekwart jas vanwege onder meer de specifieke manier van lopen een zeer sterke gelijkenis vertoont met de hem ambtshalve bekende persoon [medeverdachte].(38)

[Getuige 13] heeft verklaard dat hij behalve [verdachte] ook [medeverdachte] op de beelden heeft herkend, en wel als de daarop als tweede zichtbare man. Hij heeft verklaard [medeverdachte] onder meer te herkennen aan zijn loopje. Volgens de getuige loopt niemand zoals [medeverdachte].(39)

[Getuige 14] heeft verklaard dat hij op de foto die naar aanleiding van overvallen in Eindhoven bij het programma "Opsporing Verzocht" werd getoond, de man voor de deur herkende als [verdachte]. Onder meer gezien de manier van lopen, moet de andere man [medeverdachte] zijn geweest: hij zet zijn voeten namelijk naar buiten tijdens het lopen.(40)

[Getuige 15] heeft verklaard dat haar toenmalige vriend [voornaam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) in januari/februari 2008 een pistool had.(41)

Uit paalgegevens blijkt dat de telefoons die destijds bij [medeverdachte] en [verdachte] in gebruik waren, zich beide op 6 februari 2008 onafhankelijk van elkaar aan het begin van de avond van Rotterdam naar Eindhoven hebben bewogen. De telefoon van [verdachte] bevond zich in elk geval om 19.53 uur en 23.37 uur in de onmiddellijke nabijheid van Eindhoven. De telefoon van [medeverdachte] bevond zich om 19.40 uur in de omgeving van Moergestel (tussen Tilburg en Eindhoven) en om 23.31 uur in Eindhoven.(42) Op 6 februari 2008 om 23.40 uur was er telefonisch contact tussen [medeverdachte] en [verdachte]. Tijdens dat gesprek straalde de telefoon van [medeverdachte] een zendmast in Eindhoven aan. [Medeverdachte] vraagt [verdachte] in dat gesprek of hij een tosti moet bestellen, waarop hoorbaar is dat [medeverdachte] bij een mevrouw twee tosti's bestelt. [Verdachte] zegt vervolgens dat hij eraan komt.(43)

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op voornoemde beelden is te zien. De verdachte heeft zich verder beroepen op zijn zwijgrecht.

Overwegingen

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

- [Medeverdachte] en [verdachte] zijn op 6 februari 2008 's avonds laat samen naar [adres] te Eindhoven gereden.

- [Medeverdachte] en [verdachte] zijn vervolgens beiden uitgestapt en in de richting van de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gelopen.

- [Medeverdachte] en [verdachte] hadden geen afspraak met de bewoners en de bewoners kenden hen niet.

- Al lopende heeft [verdachte] een capuchon over zijn hoofd getrokken, een pistool ter hand genomen en dit doorgeladen.

- [Verdachte] heeft vervolgens bij de woning aangebeld.

- [Verdachte] en [medeverdachte] zijn nadien beiden teruggelopen naar de auto en ze zijn samen weggereden.

- [Medeverdachte] en [verdachte] hebben geen enkele verklaring of toelichting kunnen of willen geven die de redengevendheid van deze feiten en omstandigheden zou kunnen ontzenuwen.

Naar het oordeel van het hof zijn de genoemde gedragingen van [medeverdachte] en [verdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de voltooiing van (medeplegen van) diefstal met geweld, gericht tegen de bewoners van de woning. Het hof acht derhalve bewezen dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.

Het hof constateert voorts dat de uitvoering van het voornemen van [medeverdachte] en [verdachte] om de bewoners van de woning aan [adres] te overvallen slechts is verhinderd doordat de bewoners de deur niet openden. Dit is een van de wil van verdachten onafhankelijke omstandigheid. Reeds om die reden acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachten vrijwillig zijn teruggetreden. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Parketnummer 16-600905-08:

1 primair:

hij op 6 februari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of een aan andere deelnemer van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

- met een auto naar de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (gelegen aan [adres]) gereden en

- vervolgens uit die auto gestapt en in de richting van die woning gelopen en

- (al lopende) een capuchon over zijn hoofd getrokken en

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter hand genomen en

- vervolgens dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) doorgeladen en

- met dat (op een) getrokken vuurwapen (gelijkend voorwerp) aangebeld bij die woning, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Parketnummer 16-711030-08

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Parketnummer 16-600905-08

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep geëist dat de verdachte ter zake van de feiten wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer 1], de omstandigheid dat verdachte slechts een aantal weken na de moord op [slachtoffer 1] heeft geprobeerd om samen met een ander een gewapende overval op een woning te plegen, dat verdachte lange tijd geen openheid van zaken heeft willen geven en dat verdachte slechts elf dagen voor de moord op [slachtoffer 1] is vrijgekomen na een gevangenisstraf van negen jaren voor - onder meer - een geweldsdelict met gebruikmaking van een vuurwapen, waarvan hij zes jaren heeft uitgezeten. Volgens de advocaat-generaal bestaat, nu de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn persoon en weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek, een zodanige kans op herhaling dat terugkeer van de verdachte in de maatschappij onaanvaardbaar is.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar een aantal rechterlijke uitspraken, aangevoerd dat een enkelvoudige moord niet voldoende legitimatie biedt voor het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met de artikelen 3 en 5 van het EVRM.

Volgens de verdediging zou moeten worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar en zou ten voordele van de verdachte moeten worden meegewogen dat de redelijke termijn is geschonden.

Het hof overweegt hierover als volgt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord door op 13 januari 2008 samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] met een vuurwapen om het leven te brengen. Dit geschiedde op de openbare weg en vele mensen waren hiervan getuige. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Met zijn handelen heeft de verdachte onpeilbaar leed toegebracht aan de dierbaren van het slachtoffer, in het bijzonder aan zijn echtgenote en zijn jonge kinderen. Ook de rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt.

Voorts heeft verdachte zich op 6 februari 2008 samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot beroving met gebruikmaking van een doorgeladen vuurwapen en heeft hij op 21 maart 2008 een vuurwapen met bijbehorende munitie verkocht.

Moord, zoals onder parketnummer 16-711030-08 onder 1 primair bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Voor moord kan een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Een levenslange gevangenisstraf is, behoudens gratie, evenwel ook echt levenslang. Naar het oordeel van het hof dient deze straf daarom alleen in uitzonderlijke gevallen en met grote behoedzaamheid te worden opgelegd. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof in de onderhavige zaak geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die zouden moeten leiden tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige moord hanteert het hof een gevangenisstraf van tussen de twaalf en achttien jaren, zoals ook wordt weergegeven in de databank consistente straftoemeting, waarin straffen zijn opgenomen die eerder voor dit soort feiten zijn opgelegd. In de onderhavige zaak neemt het hof een aantal strafverzwarende factoren in aanmerking. Zwaarwegend acht het hof dat de verdachte toen hij [slachtoffer 1] om het leven bracht nog maar elf dagen op vrije voeten was, nadat hij wegens berovingen met gebruikmaking van een vuurwapen was veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en daarvan zes jaren had uitgezeten. Bovendien heeft de verdachte kort nadat hij [slachtoffer 1] om het leven had gebracht, geprobeerd om een gewapende overval te plegen. Daar staat tegenover dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten nog maar 25 jaar oud was.

Alles afwegend, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar passend en geboden.

Van schending van de redelijke termijn is geen sprake, nu het hof arrest wijst binnen vier jaar nadat de verdachte in verzekering is gesteld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.068,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.023,91. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting van het hof niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 16-711030-08 onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 289, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de gegeven vrijspraak van het onder parketnummer 16-600905-08 onder 2 tenlastegelegde.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de gegeven vrijspraak van het onder parketnummer 16-600905-08 onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer

16-711030-08 onder 1 primair en 2 en het onder parketnummer 16-600905-08 onder

1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 16-711030-08 onder 1 primair en 2 en het onder parketnummer 16-600905-08 onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde], terzake van het onder parketnummer 16-711030-08 onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 16.068,77 (zestienduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 6.068,77 (zesduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 16.068,77 (zestienduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) bestaande uit € 6.068,77 (zesduizend achtenzestig euro en zevenenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 115 (honderdvijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr R.H. Koning en mr P.L. van Dijke, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.A.M. Oude Vrielink, griffier,

en op 31 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover hierna wordt verwezen naar bijlagen, wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte (stam)proces-verbaal, genummerd PL0915/08-001121 I ([medeverdachte]) resp. PL0981/08-012014 H ([verdachte]), gesloten en getekend op 28 november 2008 door [verbalisant C], brigadier van politie.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van een niet natuurlijke dood als bijlage op pagina 69 en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 80 en 81.

3 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084, opgemaakt door dr. B. Kubat, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 29 februari 2008 (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina's 192-196) en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 96.

4 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084 (aanvraag 5), opgemaakt door ing. S.B.C.G. Chang, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 28 mei 2008 (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina's 236-242) en het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 2 november 2011 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van S.B.C.G. Chang.

5 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084, opgemaakt door dr. B. Kubat, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 29 februari 2008 (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina's 192-196) en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 96.

6 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 808-811, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4].

7 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 814-815, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5].

8 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 616-620, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 6].

9 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 641-644, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 7].

10 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 90-91, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 8].

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 2 juni 2009 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 8].

12 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 636-640, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 9].

13 De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor als bijlagen op pagina 592-594 en 595-600, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3].

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 10 november 2011 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte].

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 10 november 2011 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte].

16 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 1773-1774 en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding als bijlage op pagina 327.

17 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 820, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 11].

18 Het in de wettelijke vorm opgemaakte omschrijvingsproces-verbaal Wet Wapens en Munitie, genummerd 2008109993, gesloten en getekend op 2 april 2008 door [verbalisant D], brigadier van politie, met bijlage en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2008109993, gesloten en getekend op 2 april 2008 door [verbalisant D], brigadier van politie (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina 96-98 en 99).

19 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084 (aanvullend), opgemaakt door W. Kerkhoff, werkzaam als vast gerechtelijke deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 9 april 2008 (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina's 247-250).

20 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 1583-1593, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2].

21 Het deskundigenrapport, genummerd 2008.01.14.084, opgemaakt door H.N.J.M. van Venrooij, werkzaam als forensisch arts bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 13 januari 2009, als bijlage op pagina 2785-2795.

22 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal opname vertrouwelijke communicatie als bijlage op pagina 372, voor zover inhoudende als uitlating van [medeverdachte].

23 De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor als bijlagen op pagina 592-594 en 605, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3].

24 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 25 mei 2009 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3].

25 Het hof leidt dit af uit het hierboven weergegeven gesprek tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [getuige 11], afgeluisterd op 10 juni 2008.

26 Voor zover hierna wordt verwezen naar bijlagen, wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte (stam)proces-verbaal, genummerd PL0915/08-001121 I ([medeverdachte]) resp. PL0981/08-012014 H ([verdachte]), gesloten en getekend op 28 november 2008 door [verbalisant C], brigadier van politie.

27 Het in de wettelijke vorm opgemaakte omschrijvingsproces-verbaal Wet Wapens en Munitie, genummerd 2008109993, gesloten en getekend op 2 april 2008 door [verbalisant D], brigadier van politie, met bijlage en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2008109993, gesloten en getekend op 2 april 2008 door [verbalisant D], brigadier van politie (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina 96-98 en 99).

28 Het in de wettelijke vorm opgemaakte omschrijvingsproces-verbaal Wet Wapens en Munitie, genummerd 2008109993, gesloten en getekend op 2 april 2008 door [verbalisant D], brigadier van politie, met bijlage (ordner "Dossier Forensisch Onderzoek", pagina 96-98).

29 Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 4 juni 2009 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1].

30 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 1586-1587, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2].

31 Voor zover hierna wordt verwezen naar bijlagen, wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte (stam)proces-verbaal, genummerd PL0915/08-001121 H ([medeverdachte]) resp. PL0981/08-012014 G ([verdachte]), gesloten en getekend op 28 november 2008 door [verbalisant C], brigadier van politie.

32 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 214 (ordner onderzoek Eindhoven).

33 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 april 2010 van de meervoudige kamer in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als eigen waarneming van de rechtbank, pagina 6.

34 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 218 (ordner onderzoek Eindhoven).

35 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 214 (ordner onderzoek Eindhoven).

36 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 53 (ordner onderzoek Eindhoven).

37 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 251 (ordner onderzoek Eindhoven).

38 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 252 (ordner onderzoek Eindhoven).

39 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, gesloten en getekend op 3 februari 2009 door [verbalisant B], inspecteur van politie, pagina 2649-2651, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 13] en het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 20 augustus 2009 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende als verklaring [getuige 13].

40 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal als bijlage op pagina 274 en 275 (ordner onderzoek Eindhoven).

41 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor als bijlage op pagina 468 en 469 (ordner onderzoek Eindhoven), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 15].

42 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen als bijlage op pagina 83-85 (ordner onderzoek Eindhoven).

43 De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal als bijlagen op pagina 88 en 89 (ordner onderzoek Eindhoven).