Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6790

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
23-003779-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld voor doodslag en het bezit van drie wapens.

Het hof acht bewezen, dat de verdachte op 31 januari 2011 te Alkmaar opzettelijk M. van het leven heeft beroofd, immers heeft hij met kracht met een mes die M. in het hart gestoken, als gevolg waarvan die M. is overleden.

Het hof heeft het verweer dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld, verworpen.

Weliswaar was sprake van de dreiging met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op het moment dat M. op de verdachte af kwam met een mes, echter, naar het oordeel van het hof, is deze dreiging en daarmee de noodsituatie ten einde gekomen op het moment dat de verdachte dit mes had afgepakt.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 13
Wet wapens en munitie 26
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003779-11

datum uitspraak: 29 mei 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 30 augustus 2011 in de strafzaak onder parketnummer 14-810063-11 tegen:

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard Alkmaar.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

16 augustus 2011 en op de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Alkmaar veroordeeld voor wat betreft de feiten 1 impliciet subsidiair en 2 en vrijgesproken van feit 1 impliciet primair. Het hoger beroep is zowel namens de verdachte als door het openbaar ministerie, onbeperkt, ingesteld.

Niettegenstaande het feit, dat ter terechtzitting in hoger beroep zowel de verdachte als het openbaar ministerie hebben aangegeven/verklaard, dat het door hen ingestelde hoger beroep niet is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van feit 1 impliciet primair, zijn in hoger beroep- gelet op artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering- alle ten laste gelegde feiten aan de orde, nu de verdachte zowel voor feit 1 als feit 2 is veroordeeld en feit 1 (impliciet primair en impliciet subsidiair) als één feitencomplex dient te worden beschouwd.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 16 mei 2011 toegelaten nadere omschrijving is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 31 januari 2011 te Alkmaar, opzettelijk (en met voorbedachten rade) M. van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), (met kracht) eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die M. in het hart en/of de hartstreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde M. is overleden;

feit 2

hij op of omstreeks 05 februari 2011 in de gemeente Alkmaar

- een wapen van categorie III, onder 3, van de Wet wapens en munitie te weten een werpmes en/of

- een wapen van categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een veerdrukwapen en/of

- een wapen van categorie 1, onder 4, van de Wet wapens en munitie, te weten een degenwandelstok, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof op onderdelen anders overweegt dan de rechtbank heeft gedaan.

Vrijspraak

Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat geen bewijsmiddelen voorhanden zijn op grond waarvan kan worden geconcludeerd, dat de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit 1 met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 impliciet primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 impliciet subsidiair

hij op 31 januari 2011 te Alkmaar opzettelijk M. van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met kracht met een mes die M. in het hart gestoken, tengevolge waarvan voornoemde M. is overleden;

feit 2

hij op 5 februari 2011 in de gemeente Alkmaar

- een wapen van categorie III, onder 3, van de Wet wapens en munitie, te weten een werpmes en

- een wapen van categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een veerdrukwapen en

- een wapen van categorie 1, onder 4, van de Wet wapens en munitie, te weten een degenwandelstok,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het hof verzocht, de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging voor wat betreft feit 1, aangezien de verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging en hem als gevolg daarvan een beroep op noodweer toekomt.

Door en namens de verdachte is hiertoe aangevoerd, dat het latere slachtoffer de verdachte met een mes heeft aangevallen, waardoor de verdachte zich genoodzaakt zag het slachtoffer dit mes te ontnemen en hem hiermee in het lichaam te steken.

De verdachte heeft in dit verband verklaard, dat het incident zich in een 'split second' voltrok, dat hij niet heeft nagedacht en dat hij geen keuze had. Als hij het slachtoffer niet had gestoken, dan was hijzelf gestoken met het mes.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld, dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, aangezien de noodweersituatie waarin de verdachte zich bevond, ten einde was gekomen op het moment dat hij het mes van het slachtoffer had afgepakt. Zelfverdediging was vanaf dat moment niet meer noodzakelijk.

Het hof overweegt als volgt

Uit het ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde en het voorliggende dossier, is de volgende feitelijke toedracht van het incident naar voren gekomen.

De aanleiding

Op 31 januari 2011 heeft de verdachte van een kennis, M., het latere slachtoffer, een aantal sms-berichten ontvangen, waarin deze de moeder van de verdachte beledigde (proces-verbaal van verhoor, dossiermap B 001, p. 38 e.v.). De verdachte werd hierover naar eigen zeggen heel boos en is naar de woning van M. gegaan om een en ander uit te spreken. Na afloop van dit gesprek, is de verdachte samen met M. naar buiten gegaan en heeft daar een andere kennis, [getuige], getroffen. Samen besloten ze drugs te gaan kopen; M., [getuige] en de verdachte zijn naar het huis van de moeder van de verdachte gelopen om geld op te halen, omdat de verdachte geen geld bij zich had. Ook wilde de verdachte op deze manier M. confronteren met zijn moeder.

M. heeft de moeder van de verdachte, die zij onderweg tegenkwamen, zijn excuses aangeboden.

Nadat de verdachte thuis geld had gehaald, heeft M. van dit geld een aantal bolletjes gekocht. Vervolgens zijn de verdachte, M. en [getuige], naar de woning van M. gegaan. Binnen zijn ze de aangekochte drugs gaan roken.

De verdachte heeft verklaard, dat hij die gehele dag een mes bij zich droeg, maar dat hij dit mes, op het moment dat hij geld ging halen bij zijn moeder, heeft weggelegd. Hij was bang, dat het uit de hand zou lopen. Wel wilde hij M. toen een paar klappen geven.

Het incident

Vervolgens begon M. in de woning weer beledigende opmerkingen te maken over de moeder van de verdachte. Op dat moment zat de verdachte op een stoel in de woonkamer, dicht bij de keuken. M. zat en stond in de keuken en [getuige] stond in de gang naar de voordeur, op 1 tot 1,5 meter afstand van de verdachte en M.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 16 augustus 2011 verklaard, dat tussen hem en M. een verhitte woordenwisseling ontstond, omdat M. de moeder van de verdachte steeds weer beledigde. De verdachte stond op uit zijn stoel en M. duwde hem terug. De verdachte gaf vervolgens M. een duw, waardoor deze achterover de keuken in viel.

[getuige] heeft in zijn verklaring bij de politie bovenstaande verklaringen van de verdachte bevestigd (proces-verbaal van verhoor, dossiermap B 002, p. 118 e.v.).

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris op 8 februari 2011 met betrekking tot het steekincident verklaard, dat het zelfverdediging is geweest. M. vloog hem aan met een mes in de keuken. De verdachte pakte de hand waarin M. het mes had. Hierdoor draaide de situatie om en stak M. zichzelf in de borst.

Op 14 februari 2011 heeft [getuige] bij de politie verklaard, dat hij zag dat M. op anderhalve meter afstand van de verdachte met het mes een stekende beweging in de richting van de verdachte maakte. M. riep daarbij: 'ik maak je dood'. [getuige] zag vervolgens, dat de verdachte de hand van M. pakte, met daarin het mes, en dat hij de hand omdraaide, waardoor de arm van M. naar achteren draaide. M. draaide op dat moment zijn rug naar de verdachte. Toen de verdachte het mes uit de hand van M. pakte, draaide M. terug met zijn borst richting de verdachte. [getuige] wilde nog roepen, maar voordat hij de woorden uit zijn mond kreeg, had de verdachte M. al gestoken ergens bij diens borst. [getuige] heeft de verdachte vervolgens weggetrokken bij M. [getuige] verklaarde, dat de verdachte volgens hem wel wilde doorgaan; hij was gewoon boos.

Op 16 februari 2011 heeft [getuige] nog aan zijn verklaring toegevoegd, dat M. recht met zijn borst/gezicht naar de verdachte toe stond en naar aanleiding van de vraag "Hoe stak [verdachte]? (het hof begrijpt: de verdachte) antwoordde: "gewoon", waarbij [getuige] een beweging maakte recht vooruit/ horizontaal, naar voren (dossiermap B 002, p. 131 e.v.). [getuige] stond tijdens het steken schuin rechts achter de verdachte en zag een stuk van zijn rug. [getuige] verklaarde, dat hij M. in het gezicht keek toen deze gestoken werd.

Geconfronteerd met genoemde verklaring van [getuige] van 14 februari 2011, heeft de verdachte bij de politie op 15 februari 2011 als volgt verklaard:

'T. (het hof begrijpt: [getuige]) heeft gelijk en ik heb het mes van M. afgepakt. M. kwam op me af met dat mes en ik pakte in één beweging dat mes van hem af en stak hem van achter met dat mes. Ik had hem ook niet kunnen steken, maar ik deed het wel.'

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard, dat M. hem niet heeft geraakt met het mes, omdat hij aan de kant sprong en vervolgens de arm van M. vastpakte. Hij draaide de arm op zijn rug en pakte het mes uit zijn hand. Toen hij stak, stond M. met de rug naar hem toe. De verdachte heeft M., over zijn schouder heen, in de borst gestoken. De verdachte zag bloed bij de schouder van M.

Wat volgde

Na het incident ging M. op een stoel zitten (proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossiermap B 001, p. 45 e.v.). Hij zei dat de verdachte hem in zijn hart had geraakt en smeekte hem om een ambulance te bellen. De verdachte wilde dat niet. Hij wilde niet direct als verdachte worden aangemerkt en hij wilde evenmin, dat zijn stem zou worden opgenomen.

De verdachte heeft de telefoon in het zicht, maar verder bij het slachtoffer vandaan gelegd, zodat hij eventueel wel zelf zou kunnen bellen, maar op een later moment, zodat de verdachte en [getuige] een voorsprong zouden hebben. De verdachte heeft verklaard, dat hij hier echt over nagedacht heeft.

[getuige] was - aldus de verklaring van de verdachte - in paniek geraakt door het steekincident en wilde een ambulance bellen. De verdachte wilde dat niet, hij wilde eerst weg.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard, dat het slachtoffer hem vroeg om een bolletje cocaïne op zijn pijp te leggen, omdat hij pijn had.

In de woning heeft de verdachte nog enkele minuten gezocht naar zijn tas, die hij kwijt was. Vervolgens heeft hij, achter [getuige] aan, de woning verlaten. Buiten heeft de verdachte het mes in de capuchon van [getuige] gegooid, omdat hij het mes niet meer wilde hebben. [getuige] wilde het mes evenmin en heeft het weggegooid in een put, waar het later is gevonden (dossiermap F 009, p. 209).

Beide mannen hebben vervolgens drank en drugs gekocht, om 'zich nog even te kunnen bezatten', voordat ze zouden worden aangehouden.

Het slachtoffer - M. - heeft zelf 112 gebeld en is om 19.08 uur zwaargewond in zijn woning aangetroffen door de politie (proces-verbaal van bevindingen, dossiermap E 001, p. 01). Om 21.20 uur is het slachtoffer in het ziekenhuis overleden (proces-verbaal van bevindingen, dossiermap E 002, p. 6).

Op zijn lichaam is sectie verricht door arts/patholoog A. Maes (sectierapport van 14 maart 2011 van het NFI, dossiermap F 003, p. 41 e.v.). Uit dit rapport is naar voren gekomen, dat het slachtoffer drie scherprandige, bij leven opgelopen perforaties op zijn lichaam had: één op de linkerwang, één aan de linkeronderarm en één links voor aan de borst. Deze letsels zijn het gevolg geweest van uitwendig perforerend mechanisch geweld en passen bij het steken met een snijdend voorwerp zoals een mes. De letsels in de wang en de linkeronderarm zijn voor het intreden van de dood niet van betekenis geweest. Het letsel aan de linkeronderarm kan passen bij afweerletsel en kan mogelijk worden gecombineerd met het letsel links voor aan de borst, indien de arm voor de borst werd gehouden ten tijde van het oplopen van het letsel.

In relatie met de perforatie aan de borst was er een circa 7 cm lang steekkanaal te herleiden, van voor naar achter door de borstkas, met perforatie van het hartzakje en het hart in de rechter hartkamer. Er was veel bloed verloren. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door functieverlies van het hart als gevolg van harttamponade. Het slachtoffer is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam.

Overwegingen van het hof

Noodweer

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist, dat sprake is van (dreiging met) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het (eigen of eens anders) lijf, eerbaarheid of goed. Voorts dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.

In het onderhavige geval was naar het oordeel van het hof sprake van de dreiging van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, toen M. met het mes op de verdachte afkwam en riep: 'ik maak je dood'. De verdachte mocht zich, naar het oordeel van het hof, tegen deze dreigende aanval verdedigen en dat heeft hij ook gedaan, door de hand van het slachtoffer met daarin het mes te pakken, de arm van het slachtoffer op zijn rug te draaien en het mes uit zijn hand te pakken.

Deze dreiging van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding met het mes en daarmee deze noodsituatie was echter ten einde gekomen, zo is het hof van oordeel, op het moment dat de verdachte dit mes had afgepakt. De verdachte heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk kunnen maken dat van het slachtoffer in dat stadium en vanaf dat moment nog een zodanig reële dreiging uitging, dat hij genoodzaakt was om uit lijfsbehoud het inmiddels ontwapende slachtoffer in het lichaam te steken.

Het hof acht de feitelijke toedracht van het incident zoals geschetst door de getuige [getuige] meer aannemelijk dan hetgeen blijkt uit de wisselende verklaringen die de verdachte heeft afgelegd. Het hof neemt hierbij mede en vooral in aanmerking, de aard van de verwondingen op de arm en in de borst zoals gebleken uit het sectierapport, waarbij sprake was van een steekkanaal van voor naar achter door de borstkas alsmede de omstandigheid, dat [getuige] als derde aanwezige en toeschouwer bij het incident, gedetailleerd en consistent heeft verklaard en - naar achteraf blijkt - passend in de lijn van het sectierapport, waarin gesproken wordt over een vrijwel horizontaal steekkanaal.

De omstandigheid, dat zich, naar later is gebleken, in de bodywarmer van het slachtoffer een tweede mes bevond, maakt het bovenstaande oordeel van het hof niet anders. De verdachte heeft dit niet geweten en kon er dus evenmin rekening mee houden.

De aanwezigheid van eventuele andere messen elders in de woning, acht het hof evenmin een omstandigheid, die een voortgaande noodweersituatie meer aannemelijk maakt; immers, kan niet op voorhand worden gesteld, dat het slachtoffer gebruik zou hebben kunnen maken van een ander wapen, had hij hiertoe de gelegenheid gekregen.

De stelling dat - zoals naar voren gebracht - de manoeuvreerruimte voor de verdachte uiterst gering was acht het hof onvoldoende aannemelijk (geworden), gelet op de situatieschetsen van zowel [getuige] als de verdachte (die zich bij hun verklaringen bevinden), waaruit volgt dat de verdachte vrij dicht bij de hal en de uitgang stond, alsmede gelet op het feit dat [getuige], - die verklaarde de hele tijd in de gang naar de deur toe te hebben gestaan - voldoende ruimte had de verdachte van M. weg te trekken.

Op grond van al het voorgaande, kan het beroep op noodweer niet slagen. Het verweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheid, dat het slachtoffer de verdachte heeft aangevallen met een mes en dat hij zodoende het onheil over zichzelf heeft afgeroepen. In dit verband is voorts door en namens de verdachte aangevoerd, dat de detentie hem extra zwaar valt, nu hij in slechte gezondheid verkeert en last ondervindt van de medicatie die hij genoodzaakt is te gebruiken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een ander van het leven beroofd, door hem in de borst te steken met een mes, dat hij de ander even tevoren afhandig had gemaakt. Hij heeft ervoor gekozen dit mes te gebruiken, hoewel daartoe geen noodzaak meer aanwezig was. Dat de verdachte het slachtoffer slechts eenmaal heeft gestoken, lijkt niet te danken aan het eigen inzicht van de verdachte, maar aan de aanwezige getuige die hem heeft weggetrokken bij het slachtoffer.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen spijt betuigd met betrekking tot het nemen van andermans leven; in tegendeel, hij heeft zijn handelen steeds gebagatelliseerd en heeft zijn eigen, door onder meer de detentie ontstane, leed benadrukt.

De verdachte heeft na afloop van het gebeuren bewust het slachtoffer, dat verklaarde in het hart te zijn geraakt, om een ambulance smeekte, zichtbaar gewond was en verklaarde pijn te lijden, zonder meer in hulpeloze toestand in de woning achtergelaten. Met dit berekenend handelen wilde de verdachte voor zichzelf een voorsprong creëren.

Het hof acht dit grensoverschrijdende gedrag van de verdachte zeer ernstig en rekent hem dit zwaar aan. Door een dergelijk feit wordt de rechtsorde ernstig geschokt en worden gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeggebracht.

Voorts heeft de verdachte in zijn woning drie wapens voorhanden gehad in strijd met het bepaalde in de Wet wapens en munitie.

Het hof is van oordeel, gezien de aard en de ernst van vooral het eerste feit, dat uitsluitend een langdurige vrijheidsstraf op zijn plaats is.

Het hof heeft acht geslagen op een brief van 1 april 2011 van de psychiater C.A.M. van der Meijs van het NFI aan het openbaar ministerie en een reclasseringsadvies van 3 mei 2011 van M. Helderman.

Uit de brief van de psychiater komt naar voren, kort en zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, dat nader onderzoek noodzakelijk is om te bepalen of de verdachte toerekeningsvatbaar was ten tijde van het hem ten laste gelegde feit. De verdachte heeft hieraan niet willen meerwerken.

Uit het reclasseringsadvies komt onder meer naar voren, kort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte sinds jaren verschillende soorten middelen en medicatie door elkaar gebruikt. Zijn sociale vaardigheden zijn beperkt, hij heeft onvoldoende inlevingsvermogen in anderen en bij het aangaan van sociale contacten lijkt zijn behoeftebevrediging centraal te staan. Zijn houding en gedrag brengen hem geregeld in risicovolle situaties. Aangezien de verdachte niet heeft willen meewerken aan Pro Justitia rapportage, is er onvoldoende zicht op de invloed van de persoonlijkheidsstructuur op het ten laste gelegde gedrag.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld en ingeschat wordt, dat er een hoog risico op het onttrekken aan voorwaarden is. Geadviseerd wordt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 mei 2012, is de verdachte eerder veroordeeld, voornamelijk voor wat betreft vermogensdelicten, al dan niet met gebruik van geweld.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, geen aanleiding de door de rechtbank opgelegde straf te matigen. De omstandigheid, dat het slachtoffer zelf heeft bijgedragen aan het incident en in de korte tijdspanne dat hij nog bij kennis was kennelijk niet heeft willen verklaren

wie de dader was, doet, zo oordeelt het hof, niets af aan de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte.

Het hof heeft rekening gehouden met de beslissing van de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal en heeft bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een vrijheidsstraf van na te melden duur, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. S. Clement en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid

van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof

van 29 mei 2012.