Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6157

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
200.095.041/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zitting in hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder op vragen van het hof verklaard dat het gebruikelijk is dat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt wanneer het niet duidelijk is tegen welke gerechtsdeurwaarder de klacht zich richt. Het hof stelt voorop dat het tuchtrecht tot doel heeft in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen door toe te zien op het optreden van de individuele gerechtsdeurwaarder. Deze kan worden aangesproken voor zijn eigen handelen of nalaten of dat van anderen voor wie hij de verantwoordelijkheid draagt. Nu – mede gelet op de verklaringen van klaagster en de gerechtsdeurwaarder hieromtrent – niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de verweten handelwijze, had de kamer naar het oordeel van het hof niet ermee mogen volstaan de gerechtsdeurwaarder op diens eigen aangeven als beklaagde aan te merken.

De kamer zal de klacht derhalve opnieuw moeten behandelen. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer wijst de zaak terug naar de kamer ter verdere afdoening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Beslissing van 17 april 2012 in de zaak van:

[KLAAGSTER],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

t e g e n

[GERECHTSDEURWAARDER],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 4 oktober 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 6 september 2011. Bij die beslissing heeft de kamer het verzet tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 7 december 2010 gegrond verklaard en de door klaagster tegen geïntimeerde, verder de gerechtsdeurwaarder, ingediende klacht ongegrond verklaard.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 18 november 2011 een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 februari 2012.

Klaagster en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van partijen

De wederzijdse standpunten blijken uit de beslissing waarvan beroep.

5. De beoordeling

5.1. Bij de behandeling van het beroep is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder niet verbonden is aan het kantoor van [naam] te [plaats], waartegen klaagster haar klacht van 16 september 2010 heeft gericht. De gerechtsdeurwaarder, verbonden aan het hoofdkantoor van [naam] te [plaats], is door de kamer echter als beklaagde aangemerkt. De gerechtsdeurwaarder heeft hierin berust. Ter zitting in hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder op vragen van het hof verklaard dat het gebruikelijk is dat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt wanneer het niet duidelijk is tegen welke gerechtsdeurwaarder de klacht zich richt.

5.2. Het hof stelt voorop dat het tuchtrecht tot doel heeft in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen door toe te zien op het optreden van de individuele gerechtsdeurwaarder. Deze kan worden aangesproken voor zijn eigen handelen of nalaten of dat van anderen voor wie hij de verantwoordelijkheid draagt. Bij een tuchtrechtelijk verwijt van voldoende zwaarte kan aan hem een maatregel worden opgelegd. Met dit uitgangspunt valt niet te verenigen dat, wanneer niet aanstonds duidelijk is tegen welke gerechtsdeurwaarder van een kantoor de klacht zich richt, een willekeurige gerechtsdeurwaarder binnen die organisatie de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid op zich neemt voor een gedraging waarmee hij in werkelijkheid niets te maken heeft gehad. In dat geval zou bij gegrondverklaring van de klacht het opleggen van een maatregel, zoals berisping of zelfs schorsing of ontzetting uit het ambt, volstrekt zinledig en zelfs ongepast zijn.

5.3. Nu – mede gelet op de verklaringen van klaagster en de gerechtsdeurwaarder hieromtrent – niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de verweten handelwijze, had de kamer naar het oordeel van het hof niet ermee mogen volstaan de gerechtsdeurwaarder op diens eigen aangeven als beklaagde aan te merken. Van de kamer mag worden verwacht dat zij nauwkeuriger onderzoekt tegen welke gerechtsdeurwaarder van een kantoor de klacht moet worden geacht te zijn gericht. Bovendien blijkt uit het dossier dat er ten behoeve van klaagster diverse beslagen zijn gelegd door een aan het kantoor in [plaats] verbonden gerechtsdeurwaarder, waardoor het het hof niet aannemelijk voorkomt dat, zoals de gerechtsdeurwaarder heeft gesteld, niet gemakkelijk een verantwoordelijke binnen dat kantoor in [plaats] kan worden aangewezen.

5.4. De kamer zal de klacht derhalve opnieuw moeten behandelen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kamer vernietigen en de zaak naar de kamer terugverwijzen ter verdere afdoening met inachtneming van het onder 5.3. overwogene.

6. De beslissing

Het hof:

? vernietigt de bestreden beslissing;

? wijst de zaak terug naar de kamer ter verdere afdoening met inachtneming van het in deze beslissing overwogene.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, D.J. Oranje en

A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 april 2012 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 21 juni 2011 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet met nummer 55.2011 ingesteld door:

[KLAAGSTER],

wonende te [plaats],

klaagster,

tegen:

[GERECHTSDEURWAARDER],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

beklaagde.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 7 december 2010 (zaaknummer [zaaknummer]) heeft de voorzitter van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klaagster tegen beklaagde ingediende klacht. Bij brief 5 januari 2011 is klaagster een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Op 18 januari 2011 heeft klaagster tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 mei 2011. Klaagster is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft laten weten niet in staat te zijn om ter zitting te verschijnen. Klaagster heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De zaak is vervolgens aangehouden ten einde de gerechtsdeurwaarder in staat te stellen op deze pleitnota te reageren. De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 20 juni 2011 gereageerd. Klaagster heeft de gelegenheid gekregen op deze brief te reageren en heeft dat bij brief van 24 juli 2011 gedaan. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is nader bepaald op 6 september 2011.

2. De gronden van het verzet

In verzet heeft klaagster samengevat aangevoerd dat zij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter. Ten onrechte is zij niet-ontvankelijk verklaard, omdat uiteindelijke zij de opdrachtgever was en niet haar advocaat. Zij heeft dus wel degelijk belang bij haar klacht. Op de inhoud van haar klachten is niet ingegaan. De gerechtsdeurwaarder heeft wel degelijk veel te lang gewacht met de executie van het vonnis en de executie is onterecht aangehouden. Ook is de opdracht ten onterechte beëindigd, aldus klaagster.

3. De ontvankelijkheid van het verzet.

Klaagster heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in zijn verzet kan worden ontvangen.

4. De inleidende klacht

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder, kort samengevat dat deze zijn werkzaamheden tot executie van een vonnis waartoe de advocaat van klaagster opdracht heeft gegeven niet voortvarend heeft uitgevoerd.

5. De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft geoordeeld dat de klacht niet-ontvankelijk is. De voorzitter heeft daarbij ten overvloede overwogen dat indien de klacht wel ontvankelijk zou zijn, deze kennelijk ongegrond dient te worden verklaard. Het door de gerechtsdeurwaarder ingenomen standpunt ten aanzien van de voortvarendheid van de executie is verdedigbaar, althans niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 Het verzet is gegrond. De voorzitter heeft ten onrechte overwogen dat klaagster onvoldoende belang bij haar klacht heeft, omdat haar advocaat als opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder de eerst aangewezene is om de klacht in te dienen.

6.2 Thans komt de Kamer toe aan de behandeling van de klacht. De Kamer acht de klacht ongegrond. Het onderzoek in verzet heeft naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot de vaststelling van andere feiten of omstandigheden en gevolgtrekkingen dan als overwegingen ten overvloede reeds vervat in de beslissing van de voorzitter, waarmee de Kamer zich verenigt. Ook in verzet heeft klaagster niet aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop de werkzaamheden door de gerechtsdeurwaarder zijn uitgevoerd apert onjuist is geweest. Nieuwe klachtonderdelen kunnen in verzet niet voor het eerst aan de orde worden gesteld.

6.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt de beslissing van de voorzitter;

- verklaart de klacht alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. C.W. Inden en J.C.M. van der Weijden (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.