Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6120

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
10/00798 t/m 10/00800
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De eerst na het opleggen van de aanslagen bekend geworden verhuur van de voormalige tot hoofdverblijf dienende woning is een feit op grond waarvan de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1303
V-N 2012/40.19.16
FutD 2012-1441
NTFR 2012/1580 met annotatie van Mr. P.A. Caljé
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00798 t/m 10/00800

10 mei 2012

uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen

- de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/842,

- de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/843 en

- de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/844, van de rechtbank Haarlem (de rechtbank),

in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Alkmaar, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 9 december 2008 aan belanghebbende voor de jaren 2003, 2004 en 2005 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en ter zake daarvan boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente genomen. De bij beschikking opgelegde boeten belopen 50% van het te betalen belastingbedrag ad respectievelijk € 1.408, € 3.020 en € 679. De in rekening gebrachte heffingsrente beloopt respectievelijk € 628, € 1.136 en € 187.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, elk gedagtekend 9 januari 2010, de navorderingsaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Aan de tegen deze uitspraken ingestelde beroepen heeft de rechtbank de kenmerken 10/842, 10/843 en 109/844 toegekend voor respectievelijk de jaren 2003, 2004 en 2005. De rechtbank heeft ter zake van elk kenmerk afzonderlijk uitspraak gedaan op 6 oktober 2010. Daarbij zijn de beroepen betreffende de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente ongegrond verklaard en de beroepen betreffende de boetebeschikkingen gegrond.

1.4. Ter zake van de gegrond verklaarde beroepen heeft de rechtbank, na vernietiging van de daarop betrekking hebbende uitspraken op bezwaar, de boeten vastgesteld op 25% van de nagevorderde belasting.

1.5. De tegen deze uitspraken van de rechtbank ingestelde hogere beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 17 november 2010, aangevuld bij brief van 23 november 2010. Aan deze hogere beroepen zijn de kenmerken 10/00798, 10/00799 en 10/00800 toegekend voor de navorderingsaanslagen IB/PVV over respectievelijk de jaren 2003, 2004 en 2005. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Na een telefonisch verzoek van de griffier heeft de inspecteur bij faxbericht van 16 april 2012 een afschrift ingezonden van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2003.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Van de door de rechtbank in de in de aanhef vermelde uitspraken, waarin belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’,

neemt het Hof de volgende feiten over:

(…) Eiser woonde tot 28 mei 2003 op het adres [a-straat 1] te [P]. Op genoemde datum is hij verhuisd naar het adres [b-straat 1] te [Q]. Eiser heeft de woning in [P] verhuurd totdat hij hem eind 2006 heeft verkocht.

(…) Eiser heeft aangifte 2003 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.745. In de aangifte is een negatief voordeel eigen woning opgenomen. (…) In het kader van de aanslagregeling verzoekt verweerder aan eiser bij brief van 1 oktober 2004 een specificatie op te sturen van de spaartegoeden en de effectenportefeuille. Bij brief van 7 oktober 2004 heeft eiser de gevraagde gegevens verstrekt.

(…) Eiser heeft (…) aangifte 2004 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.173 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 789. In de aangifte is een eigenwoningforfait van € 2.240 vermeld en als aftrekpost eigen woning € 18.046 in aanmerking genomen. (…) Verweerder heeft de aanslag IB/PVV 2004 vastgesteld conform de ingediende aangifte.

(…) Tot de dossierstukken behoort een brief van verweerder van 24 mei 2005 gericht aan eiser waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“U heeft een voorlopige teruggaaf 2005 voor aftrekposten eigen woning. (…) Om te kunnen beoordelen of uw voorlopige teruggaaf nog juist is verzoek ik u mij de volgende informatie toe te sturen:

- specificatie met bewijsstukken waaruit de hoogte van de uitgaven voor aftrekposten eigen woning ad € 28.772 blijkt.

(…)”

(…) Eiser heeft aangifte 2005 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 421 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 401. In de aangifte is een eigenwoningforfait van € 1.866 vermeld en als aftrekpost eigen woning € 16.145 in aanmerking genomen.(…)Verweerder heeft de aanslag IB/PVV 2005 vastgesteld conform de ingediende aangifte.

(…) Op 19 februari 2007 ontvangt verweerder de aangifte IB/PVV 2006 van eiser. Hierin wordt melding gemaakt van de verkoop van de eigen woning in december 2006.

2.2. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.2.1. Belanghebbende is geboren in 1939.

2.2.2. Naar aanleiding van door de inspecteur gestelde vragen heeft de gemachtigde bij brief van 9 oktober 2008 onder meer het volgende aan de inspecteur geschreven:

‘Over 2003 heeft [belastingambtenaar X] uitgebreid informatie ingewonnen over de situatie in 2003, gericht aan het adres (…) [Q].

(…)

Aangaande 2005 is door [belastingambtenaar Y] informatie ingewonnen over de aftrekposten eigen woning gericht aan het adres (…) te [Q].

De belastingdienst beschikt op basis van wetgeving over alle relevante informatie (GBA etc.) om tot een juiste aanslag te komen.

In verband hiermede dienen de aanslagen over 2003 tot en met 2005 als definitief te worden beschouwd aangezien er geen nieuwe feiten tot herziening aan ten grondslag kunnen liggen.

Voor wat betreft 2006 berichten wij u dat de eigenwoningregeling niet van toepassing is. De in 2006 verkochte woning heeft niet als hoofdverblijf ter beschikking gestaan.

Een herziene versie van de aangifte IB 2006 treft U hierbij aan.

2.2.4. Bij brief van 29 oktober 2008 stelt de inspecteur de gemachtigde in kennis van zijn voornemen navorderingsaanslagen op te leggen voor de jaren 2003, 2004 en 2005. In deze brief is onder meer volgende opgenomen:

Mij is gebleken dat uw cliënt voor de aangifte 2003, 2004 en 2005 de eigen woning heeft afgetrokken. Dit is niet correct gelet op het feit dat uw cliënt niet meer woonachtig is op het adres [a-straat 1] te [P] vanaf [00] mei 2003, terwijl er vanaf die datum wel een eigen woning in aftrek is gebracht op het inkomen. De woning en de schuld vallen derhalve in box 3 vanaf [00] mei 2003. Hierdoor wijzigt tevens de drempel voor de buitengewone uitgaven en de ouderentoeslag.

(…)

Motivering boete

Het is van algemene bekendheid dat als iemand niet in een woning woont, maar elders verblijft, dat deze woning niet valt onder de eigenwoningregeling en dat er derhalve geen recht bestaat op aftrek eigen woning. Tevens is het van algemene bekendheid dat een woning die niet valt in box 1, valt onder het inkomen uit sparen en beleggen van box 3. Dat er in 2003 geen controle op het inkomen uit sparen en beleggen is geweest bij uw cliënt doet er niet aan af dat uw cliënt de woning vanaf [00] mei 2003 is blijven aftrekken in box 1 en niet heeft opgegeven in box 3. Dat er naar aanleiding van een voorlopige teruggaaf 2005 vragen zijn gesteld, doet er eveneens niet aan af dat Uw cliënt uit eigener beweging de woning vanaf [00] mei 2003 is blijven aftrekken in box 1 en niet heeft opgegeven in box 3. Doordat uw cliënt de aftrek eigen woning in de aangifte heeft opgegeven heeft uw cliënt zich willens en wetens blootgesteld aan de aannemelijke kans dat de aangifte er toe zou leiden dat te weinig belasting zou worden geheven. Daarom ben ik van plan een boete op te leggen van 50%.

2.2.5. In de bij brief van 25 september 2009 opgenomen motivering van de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat sprake is van grove schuld en dat de boete in dat verband dient te worden bepaald op 25% van de nagevorderde belasting. Bij de uitspraak op bezwaar is deze vermindering niet overgenomen. De rechtbank heeft in haar uitspraken deze omissie hersteld.

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de navorderingsaanslagen zijn opgelegd ter zake van een feit dat de inspecteur bekend was of kon zijn en zo dit niet het geval is of het aan belanghebbendes schuld is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge de voor de jaren 2003, 2004 en 2005 van toepassing zijnde regelingen komt de rente ter zake van een met betrekking tot de eigen woning afgesloten lening (hierna: de rente) voor aftrek in aanmerking. Ingevolge artikel 3.111, lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is sprake van een eigen woning in de zin van de Wet indien en voor zover thans van belang – de woning de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

4.2. Indien als gevolg van een verhuizing een woning op een ander adres als hoofdverblijf ter beschikking staat, kan de woning op het oude adres Ingevolge artikel 3.111, lid 2 Wet IB 2001 nog gedurende twee jaar na een verhuizing als eigen woning worden aangemerkt, indien deze sinds de verhuizing leegstaat in afwachting van de verkoop. Dit brengt mee dat het vermelden van een ander woonadres in de aangiften voor de IB/PVV voor de jaren 2003, 2004 en 2005 voor de inspecteur geen reden behoefde te zijn voor onderzoek naar de door belanghebbende in die aangifte in aanmerking genomen renteaftrek ter zake van de eigen woning. Het Hof verwerpt mitsdien hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft aangevoerd.

4.3. De inspecteur heeft gesteld dat hij pas na het regelen van de aanslagen 2003, 2004 en 2005 op de hoogte raakte van de verhuur van de voormalige eigen woning. De rechtbank heeft dit aannemelijk geacht en het Hof sluit zich daarbij aan. De op verzoek van de inspecteur verstrekte informatie zag niet op de verhuur van de woning en gaf ook anderszins geen aanleiding voor een nader onderzoek naar mogelijke verhuur, zodat de andersluidende stelling van belanghebbende wordt verworpen.

4.4. Voor het overige onderschrijft het Hof het oordeel van de rechtbank over de navorderingsaanslagen.

4.5. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat het aan belanghebbendes schuld is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven en daarbij verwezen naar de door belanghebbende ingevulde aangiften waarin geen melding is gemaakt van verhuur van een niet meer tot hoofdverblijf dienende woning. Het Hof acht dit oordeel juist en neemt het daarom over. Het Hof acht de boetes, zoals deze door de rechtbank zijn verminderd tot 25%, ook overigens passend en geboden. De leeftijd van belanghebbende geeft geen aanleiding tot het vernietigen of matigen van de boetes.

Slotsom

4.8. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat de hogere beroepen ongegrond zijn. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd doet daar niet aan af en kan mitsdien buiten beschouwing blijven.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. J.P.F. Slijpen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 10 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.