Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5563

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
200.014.536-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Toegelaten tot tegenbewijs van – voorshands bewezen – feit dat echtgenote met bestaan van leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voor 27 juni 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/269
JONDR 2012/945
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ Appellante ],

wonend te [ C ],

APPELLANTE IN PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN INCIDENTEEL APPEL

advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTE IN INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. G.P. Roth te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [ Appellante ] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 14 maart 2008 is [ Appellante ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), uitgesproken op 19 december 2007 onder zaak-/rolnummer 816823 DX EXPL 06-3184 en gewezen tussen [ Appellante ] als eiseres en Dexia als gedaagde.

[ Appellante ] heeft één grief voorgesteld, bewijs aangeboden, stukken in het geding gebracht en geconcludeerd – kort samengevat en naar het hof begrijpt - tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover haar vorderingen terzake van leaseovereenkomst II zijn afgewezen en deze alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het hoger beroep.

Bij memorie van antwoord heeft Dexia de grief bestreden, harerzijds een incidentele grief aangevoerd en geconcludeerd in principaal appel tot bekrachtiging voor zover de vorderingen ter zake van leaseovereenkomst II zijn afgewezen en in incidenteel appel tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de vorderingen ter zake van leaseovereenkomst I zijn toegewezen en deze alsnog af te wijzen, met veroordeling van [ Appellante ] in de kosten van het geding in beide instanties.

[ Appellante ] heeft in het incidenteel appel geantwoord, stukken in het geding gebracht en geconcludeerd tot afwijzing van het incidenteel appel, met veroordeling van Dexia in de kosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.7, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [ Appellante ] heeft door een schriftelijke mede¬deling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW tijdig laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeen¬komst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden wil zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de overeenkomst ten aanzien van [ Appellante ] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst haar niet bindt.

3.2. [ X ] (hierna: [ X ]) heeft, voor zover in hoger beroep van belang, een tweetal overeenkomsten tot effectenlease (hierna gezamenlijk: de leaseovereenkomsten) gesloten met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna eveneens: Dexia):

- op of omstreeks 22 december 2000 een overeenkomst genaamd Capital Effect Maandbetaling, nummer 21696770 (hierna: leaseovereenkomst I);

- op of omstreeks 3 januari 2001 een overeenkomst genaamd Capital Effect Vooruitbetaling, nummer 21697073 (hierna: leaseovereenkomst II).

3.3 [ X ] was ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten gehuwd met [ Appellante ].

3.4 Op grond van de leaseovereenkomsten heeft [ X ] geldbedragen van Dexia geleend, waarmee aandelen zijn aangekocht die hij van Dexia heeft geleast. Over de geleende geldbedragen was [ X ] rente verschuldigd. Dexia heeft de leaseovereenkomsten, elk met een looptijd van 240 maanden, op 11 juli 2006 wegens betalingsachterstanden beëindigd.

3.4.1 Met betrekking tot leaseovereenkomst I heeft [ X ] in totaal een bedrag van € 6.401,67 betaald en een bedrag van € 973,13 aan dividend ontvangen. Betalingen op grond van leaseovereenkomst I hebben plaatsgevonden vanaf de rekening met rekeningnummer 54.60.35.787, die op naam staat van [ X ].

3.4.2 Met betrekking tot leaseovereenkomst II heeft [ X ] in totaal een bedrag betaald van € 2.184,60 en € 384,74 aan dividend ontvangen. Betalingen op grond van leaseovereenkomst II hebben plaatsgevonden vanaf de en/of-rekening met rekeningnummer 57.60.00.531, die op naam staat van zowel [ Appellante ] als [ X ].

3.5 [ Appellante ] heeft aan [ X ] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomsten, hoewel [ X ] voor het aangaan van de leaseovereenkomsten krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW wel haar toestemming behoefde.

3.6 Bij dagvaarding van 13 juli 2005 heeft [ Appellante ] met een beroep op artikel 1:89 BW een verklaring voor recht gevraagd dat de leaseover¬eenkomsten rechtsgeldig door haar zijn vernietigd en terugtaling gevorderd van de bedragen die [ X ] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, met rente en kosten, alsmede tot het ongedaan maken van haar registratie bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.7 De kantonrechter heeft de vorderingen van [ Appellante ] met betrekking tot leaseovereenkomst I toegewezen. Hiertegen komt Dexia op in incidenteel appel.

3.8 De kantonrechter heeft de vorderingen van [ Appellante ] die zien op leaseovereenkomst II afgewezen en daartoe overwogen dat de betalingen hebben plaatsgevonden vanaf de gezamenlijke rekening die op naam van zowel [ Appellante ] als [ X ] staat, zodat [ Appellante ] geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van leaseovereenkomst II met ingang van de oudste ontvangstdatum van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. Aangezien het beroep op vernietigbaarheid niet heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na bedoelde ontvangstdatum, is dit recht van [ Appellante ] verjaard, aldus de kantonrechter. Hiertegen is het principaal appel van [ Appellante ] gericht.

Principaal appel

3.9 [ Appellante ] betoogt met de grief dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van [ Appellante ] tot vernietiging van leaseovereenkomst II was verjaard toen zij deze uitoefende. Het hof overweegt hierover als volgt.

3.10 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, wegens het ontbreken van de toestemming verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de ver¬jaringstermijn, is bepalend wanneer de echt¬genoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjarings¬termijn kan die echtgenoot de over¬eenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer [ Appellante ] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van leaseovereenkomst II die zij heeft bedoeld te vernietigen.

3.11 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen waaruit de gegrond¬heid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeen¬komst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dexia heeft hiertoe onweersproken aangevoerd dat de bedragen die [ X ] op grond van leaseovereenkomst II aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf de gezamenlijke rekening van [ X ] en [ Appellante ] die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten “en/of”-rekening). Het bestaan van leaseovereenkomst II was daardoor kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [ Appellante ] waren gericht. Gelet op de datum waarop de eerste betaling aan Dexia op grond van leaseovereenkomst II heeft plaatsgevonden, leidt Dexia hieruit af dat [ Appellante ] meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze leaseovereenkomst te vernietigen met het bestaan ervan bekend was.

3.12 In haar toelichting op de grief heeft [ Appellante ] aangevoerd dat zij geen kennis nam van de dagafschriften dan wel andere financiële gegevens of stukken met betrekking tot de gezamenlijke rekening, geen eigen belastingaangifte doet en met haar echtgenoot niet spreekt over financiële zaken. Volgens [ Appellante ] heeft [ X ] de leaseovereenkomsten buiten haar medeweten gesloten en is zij hierover pas eind 2004 geïnformeerd. Dit zou meebrengen dat de bevoegdheid van [ Appellante ] tot vernietiging van leaseovereen¬komst II wegens het ontbreken van haar toe¬stemming op 27 juni 2005, de datum waarop zij bij brief aan Dexia de nietigheid heeft ingeroepen, nog niet was verjaard. [ Appellante ] biedt bewijs aan van haar stelling dat zij niet bekend was met het bestaan van leaseovereenkomst II meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen.

3.13 Uit het feit dat Dexia in de memorie van antwoord in het principaal appel/memorie van grieven in het incidenteel appel onder 3 schrijft dat ter zake van de leaseovereenkomsten “[ Appellante ] bij brief van haar raadsman van 27 juni 2005 een beroep [heeft] gedaan op vernietiging ex artikel 1:88 BW” leidt het hof af dat Dexia in hoger beroep niet langer betwist dat zij die brief heeft ontvangen.

3.14 De tussen partijen vaststaande feiten dat de betalingen aan Dexia op grond van leaseovereenkomst II hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke rekening van [ X ] en [ Appellante ], dat het bestaan van de leaseovereenkomst daardoor kenbaar was uit bankafschriften van de betrokken rekening en dat de afschriften van die rekening mede aan [ Appellante ] waren gericht, maken het dusdanig aannemelijk dat [ Appellante ] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop een betaling ter zake van leaseovereenkomst II is vermeld met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend was, dat voorshands – behoudens door [ Appellante ] te leveren tegenbewijs - moet worden geoordeeld dat Dexia is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat [ Appellante ] meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd leaseovereenkomst II te vernietigen, met het bestaan daarvan bekend was. Hetgeen [ Appellante ] tot betwisting van deze bekendheid heeft aangevoerd, leidt voors¬hands niet tot een ander oordeel. Het is daarom aan [ Appellante ] die bewijs heeft aangeboden, om tegenbewijs te leveren van de gestelde bekendheid. Het hof wijst in verband met het voorgaande op twee arresten van de Hoge Raad van 17 februari 2012 (LJN BU6506 en LJN BU6508) waarin in twee vergelijkbare gevallen is geoordeeld dat een bewijsaanbod niet mag worden gepasseerd. Het hof zal [ Appellante ] gelegen¬heid geven tot het leveren van tegenbewijs zoals onder 4. te melden.

Incidenteel appel

3.15 Dexia betoogt met haar grief dat de kantonrechter ten onrechte het beroep van Dexia op verjaring van de vernietigingsmogelijkheid met betrekking tot leaseovereenkomst I heeft verworpen en de vorderingen van [ Appellante ] heeft toegewezen. Weliswaar werden de betalingen niet vanaf een gezamenlijke rekening verricht maar leaseovereenkomst I is gelijktijdig met leaseovereenkomst II aangevraagd en vrijwel gelijktijdig tot stand gekomen. Nu bij gebrek aan voldoende betwisting vast staat dat [ Appellante ] kennis droeg van leaseovereenkomst II, ligt het naar algemene ervaringsregels niet voor de hand dat [ Appellante ] geen kennis heeft genomen van leaseovereenkomst I, aldus Dexia.

3.16 Dit betoog faalt. Anders dan Dexia stelt, heeft [ Appellante ] wél voldoende betwist dat zij meer dan drie jaar vóór 27 juni 2005 kennis droeg van leaseovereenkomst I. Het is dan aan Dexia te bewijzen dat [ Appellante ] meer dan drie jaar voor 27 juni 2005 met het bestaan van leaseovereenkomst I bekend was. Dexia heeft echter geen bewijs aangeboden, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. De grief wordt verworpen.

3.17 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

laat [ Appellante ] toe tot het leveren van tegenbewijs van het voorshands als bewezen aangenomen feit dat [ Appellante ] met het bestaan van leaseovereenkomst II bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen;

bepaalt dat als [ Appellante ] dit bewijs wenst te leveren door getuigen een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van het hier¬bij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. E.M. Polak, die daartoe zitting zal houden op woensdag 16 mei 2012 te 13.00 uur, in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam;

bepaalt dat de raadsman van [ Appellante ] dient na te (laten) gaan of partijen, hun raadslieden en de door [ Appellante ] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze - zo dat niet het geval zou zijn - uiterlijk op 17 april 2012 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden juni tot en met september 2012 aan het enquêtebureau van het hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, E.M. Polak en D.J. Oranje en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 maart 2012 door de rolraadsheer.