Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5071

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
11-00132
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is klaarblijkelijke nalatigheid te verwijten. De inspecteur heeft de teruggaaf van rechten bij invoer terecht geweigerd en evenzeer terecht geweigerd het dossier aan de Commissie toe te zenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1266
FutD 2012-1356
V-N Vandaag 2012/1256
V-N 2012/35.21.1

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Meervoudige Douanekamer

UITSPRAAK

op het beroep – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem (thans Belastingdienst/Douane/Nijmegen), de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij het Gerechtshof beroep ingesteld tegen de uitspraak van 23 november 2004 van de inspecteur betreffende twintig verzoeken om terugbetaling van douanerechten. Bij deze uitspraak had de inspecteur het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de afwijzende beschikking, gedateerd 28 november 2003, op de verzoeken afgewezen.

1.2. Het Hof heeft bij uitspraak van 16 april 2009, verzonden op 8 juni 2009, nr. 05/53 DK, het beroep gegrond verklaard met opdracht aan de inspecteur het dossier aan de Commissie voor de Europese Gemeenschappen voor te leggen.

1.3. Op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 februari 2011, nr. 09/02818, de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding teruggewezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.4. Bij brief van 2 maart 2011 heeft de griffier van het Hof partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van de Hoge Raad.

De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 25 maart 2011. Bij brief van 2 mei 2011 is door de griffier aan belanghebbende een kopie van de reactie van de inspecteur gezonden.

Belanghebbende heeft geen reactie ingezonden.

1.5. Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege blijven van een onderzoek ter zitting.

2. Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 februari 2011 – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“3.2. Het Hof heeft beslist dat er, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 28 juli 2008, CAS SpA, C-204/07, termen aanwezig zijn de verzoeken tot terugbetaling op de voet van artikel 905 van de Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek aan de Commissie voor te leggen. Het Hof heeft daartoe overwogen dat uit de wijze waarop de diverse autoriteiten de onderhavige onderzoeksprocedure hebben laten verlopen en gezien de omstandigheid dat belanghebbende geen kennis behoefde te hebben van de malversaties, er aanleiding is voor het oordeel dat belanghebbende in een bijzondere situatie is komen te verkeren. Het door de Inspecteur voor het Hof gestelde biedt naar 's Hofs oordeel onvoldoende steun voor de conclusie dat belanghebbende klaarblijkelijke nalatigheid moet worden verweten.

3.3. Laatstvermeld oordeel wordt door het middel met een motiveringsklacht bestreden. De klacht is gegrond. In het licht van de gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de gegevens die zij met het oog op het doen van de invoeraangiften aan de aangever heeft verstrekt inzake de oorsprong van de goederen onjuist waren, is 's Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.4. Gelet op het hiervoor in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Het Hof neemt hier over de feiten waarvan de Hoge Raad is uitgegaan:

“3.1.1. Belanghebbende heeft in de periode maart tot en met mei 1997 aan een douane-expediteur diverse keren opdracht gegeven aangiften voor het vrije verkeer te doen voor zendingen schoeisel afkomstig uit Vietnam. Bij de invoeren is telkens aanspraak gemaakt op een preferentieel tarief van douanerechten in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem vanwege de oorsprong Vietnam van het schoeisel, en zijn ten bewijze van die oorsprong certificaten van oorsprong formulieren A overgelegd.

3.1.2. Het European Anti-Fraud Office (OLAF), een dienst van de Commissie, heeft in de periode 24 november 1998 tot 8 december 1998 samen met vertegenwoordigers van de lidstaten Duitsland en Nederland, in Vietnam een onderzoek ingesteld naar de juistheid van onder meer de hiervoor in 3.1.1 vermelde formulieren A. Ook de voor de afgifte van de oorsprongscertificaten verantwoordelijke Vietnamese autoriteiten zijn bij de uitvoering van dit onderzoek betrokken. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft de Inspecteur geconcludeerd dat de bij de onderhavige invoeren overgelegde formulieren A als ongeldig moeten worden beschouwd, zodat voor het schoeisel het normale tarief van douanerechten was verschuldigd. De Inspecteur heeft belanghebbende als douaneschuldenaar aangemerkt en van haar de meer verschuldigde douanerechten nagevorderd.

3.1.3. Belanghebbende heeft bij de Inspecteur verzoeken ingediend om terugbetaling van de nagevorderde douanerechten op de voet van artikel 239 van het CDW, en daarbij verzocht de zaak te verwijzen naar de Commissie vanwege bijzondere omstandigheden die zich in het onderhavige geval hebben voorgedaan. De Inspecteur heeft bij beschikking van 28 november 2004 de verzoeken om terugbetaling afgewezen met de overweging dat belanghebbende met betrekking tot de hiervoor in 3.1.1 bedoelde invoeren klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld.”

3.2. De verzoeken om terugbetaling betreffende de volgende twintig uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s):

Aanslagnummers UTB’s Datum UTB’S

1 08-02-2000

2 20-12-1999

3 22-12-1999

4 23-12-1999

5 23-12-1999

6 29-12-1999

7 29-12-1999

8 29-12-1999

9 10-01-2000

10 10-01-2000

11 11-01-2000

12 19-01-2000

13 19-01-2000

14 19-01-2000

15 03-02-2000

16 07-02-2000

17 07-02-2000

18 08-02-2000

19 08-02-2000

20 09-02-2000

3.3. Belanghebbende had tegen deze UTB’s bezwaarschriften ingediend, welke bezwaren door de inspecteur waren afgewezen. De tegen de uitspraken van de inspecteur ingediende beroepen zijn ongegrond verklaard bij uitspraken van 18 januari 2005, nrs. 01/90055 tot en met 01/90060, waarvan onder LJN: AT9509 en LJN: AT9549 de zaken met de nummers 01/90056 en 01/90057 zijn gepubliceerd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken geen beroep in cassatie ingesteld.

4. Geschil

In geschil is of sprake is van omstandigheden die van de zijde van belanghebbende geen klaarblijkelijke nalatigheid als bedoeld in artikel 239, eerste lid, eerste volzin, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) inhouden.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

6. Toepasselijke regelgeving

6.1. Artikel 239 van het CDW luidt voor zover van belang:

“1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer (…) kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238

- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden (…) een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.”

6.2. Verordening (EEG) nr. 2454/932 van de Commissie van 2 juli 1993 (hierna: UCDW), na wijziging bij Verordening (EEG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003 luidt voor zover van belang:

“Hoofdstuk 3

Bijzondere bepalingen voor de toepassing van artikel 239 van het Wetboek.

Afdeling 1

Door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten te nemen beschikkingen

Artikel 899

1. (…)

2. In de andere gevallen, met uitzondering van die waarin het dossier overeenkomstig artikel 905 naar de Commissie moet worden verwezen, beslist de beschikkende douaneautoriteit zelf of zij terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer (…) verleent wanneer het gaat om bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden.

(…)

Afdeling 2

Door de Commissie te nemen beschikkingen

Artikel 905

1. Indien het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vergezeld gaat van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, verwijst de lidstaat waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert de zaak door naar de Commissie ter behandeling (…) wanneer:

- deze autoriteit van oordeel is dat de bijzondere situatie het gevolg is van een verzuim van de Commissie, of

- de omstandigheden in het betrokken geval verband houden met de resultaten van een communautair onderzoek op grond van Verordening (EG) nr. 515/97, dan wel op grond van enige andere communautaire bepaling of door de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen gesloten overeenkomst die in de mogelijkheid van dergelijke communautaire onderzoeken voorziet,

of

- het bedrag waarvoor de belanghebbende ingevolge dezelfde bijzondere omstandigheden aansprakelijk is en dat, in voorkomend geval, met meerdere in- en uitvoerverrichtingen verband houdt, hoger is dan of gelijk is aan 500 000 EUR.

(…)

6. De Commissie zendt het dossier terug aan de douaneautoriteit en de in de artikelen 906 tot en met 909 bedoelde procedure wordt geacht nooit te zijn ingeleid indien een van de volgende omstandigheden zich voordoet:

(…)

- het dossier dient krachtens het bepaalde in de leden 1 (…) niet naar de Commissie te worden doorverwezen.”

6.3. Verordening (EG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003 (hierna: Vo. 1335/2003) luidt voor zover van belang als volgt:

"Overwegende hetgeen volgt:

(1) Volgens artikel 220, lid 2, onder b), en artikel 239 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bestaat in bepaalde gevallen de mogelijkheid in- of uitvoerrechten niet achteraf te boeken of deze om redenen van billijkheid terug te betalen of kwijt te schelden.

(2) Daar de inning van de traditionele eigen middelen krachtens artikel 8 van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen in de eerste plaats de taak is van de lidstaten, verdient het aanbeveling de autoriteiten van de lidstaten in eerste instantie zelf te laten beslissen of in- of uitvoerrechten, al dan niet achteraf moeten worden geboekt krachtens artikel 220, lid 2, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 of moeten worden terugbetaald of kwijtgescholden krachtens artikel 239 van de genoemde verordening.

(3) Het is echter wenselijk, teneinde de gelijke behandeling van alle marktdeelnemers te waarborgen en de financiële belangen van de Gemeenschappen veilig te stellen, de verplichting te handhaven dat bepaalde dossiers ter beslissing aan de Commissie worden voorgelegd, met name wanneer de lidstaten van mening zijn dat een gunstige beschikking moet worden genomen en a) de Commissie mogelijk een vergissing of verzuim heeft begaan, of b) de in het dossier beschreven omstandigheden verband houden met communautaire onderzoeken op grond van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften, of c) het bedrag aan rechten 500 000 EUR of meer is.

(…)

heeft de volgende verordening vastgesteld:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 2454/932 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

4. Artikel 899 wordt vervangen door:

(Hof: zie onderdeel 6.2 hiervoor)

(…)

6. De artikelen 905 (…) worden vervangen door:

(Hof: zie onderdeel 6.2 hiervoor)

(…)

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 is met ingang van 1 augustus 2003 van toepassing op alle gevallen die niet voor die datum ter beslissing aan de Commissie zijn voorgelegd.”

7. Beoordeling van het geschil

7.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 239 van het CDW een algemene billijkheidsclausule bevat. Wanneer daarop een beroep wordt gedaan en er stukken worden overgelegd die kunnen dienen als bewijs voor het bestaan van een bijzondere situatie, dient het verzoek gehonoreerd te worden dan wel te worden voorgelegd aan de Commissie. De inspecteur mag niet zelf beoordelen dat een bijzondere situatie niet aanwezig is.

Voorts stelt belanghebbende dat er een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW aanwezig is, omdat:

- de missierapporten van de (thans) OLAF die tot de bestreden uitnodigingen tot betaling hebben geleid, niet aan belanghebbende ter beschikking zijn gesteld;

- de inspecteur heeft nagelaten zelfstandig onderzoek te verrichten;

- de bevoegde autoriteiten in Vietnam hebben nagelaten de nodige maatregelen te treffen om de oorsprong van de producten en de overige vermeldingen op de afgegeven certificaten van oorsprong te controleren;

- de Commissie in gebreke is gebleven de importeurs van schoenen in kennis te stellen van bestaande gegronde twijfel over de juistheid van certificaten van oorsprong betreffende schoenen waarvoor bij invoer de oorsprong ‘Vietnam’ werd geclaimd. Ook de Nederlandse overheid is in dit opzicht tekortgeschoten.

Verder kon belanghebbende in de procedure inzake de rechtmatigheid van de onderhavige uitnodigingen tot betaling niet aanvoeren dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast had voldaan, omdat het arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services BV, C-293/04, LJN: BF8708, eerst werd gewezen na de mondelinge behandeling van het beroep ter zake.

Van klaarblijkelijke nalatigheid is volgens belanghebbende geen sprake omdat zij als te goeder trouw kan worden aangemerkt.

7.2. De inspecteur stelt daartegenover dat hij niet meer bestrijdt dat belanghebbende

bewijsstukken als bedoeld in artikel 905, eerste lid, van de UCDW heeft overgelegd.

De inspecteur handhaaft de stelling dat belanghebbende klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld.

Volgens de inspecteur wist belanghebbende of had zij redelijkerwijze moeten weten dat de door haar verstrekte, voor de opstelling van de aangiften benodigde, gegevens onjuist waren. Naar aanleiding van de invoering van de antidumpingheffing van schoenen uit China heeft belanghebbende ingestemd met een andere werkwijze.

Verder is belanghebbende een ondernemer waarvan de beroepsactiviteit in- en uitvoer omvat en had zij reeds ervaring verworven met de handel in de betrokken goederen. Zij kan als een ervaren marktdeelnemer worden beschouwd.

Ook heeft belanghebbende niet zorgvuldig gehandeld, omdat zij onderzoek had moeten doen naar de juistheid van de gegevens omtrent het land van oorsprong. Op het bij de aangifte van 21 maart 1997 ter zake van schoeisel uit Vietnam gevoegde formulier A staat vermeld ‘From: Ho Chi Minh City, Vietnam’, terwijl op een erbij behorende bill of lading is vermeld ‘Port of Loading: Xiamen’ (China) en op een andere erbij behorende bill of lading is vermeld ‘Port of Loading: Ho Chi Minh City’.

Bij de aangifte van 26 maart 1997 voor schoeisel uit Vietnam is een factuur gevoegd waaruit blijkt dat de verkoper in China is gevestigd en waarop is vermeld ‘We hereby certify that the goods shipped are of Chinese origin’.

Verder zijn er nota’s van A B.V. waarop is vermeld ‘Port of Loading: Xiamen’, terwijl belanghebbende inzake de aangiften ten aanvoer waarop deze nota’s betrekking hebben, diverse bescheiden heeft ontvangen waarop staat vermeld dat de goederen uit Vietnam komen.

Ook zijn er faxen waaruit blijkt dat de vermelding van het land van oorsprong doelbewust van China in Vietnam is gewijzigd.

De inspecteur voegt hieraan toe dat begin 2002 125 bladzijden met geanonimiseerde informatie inzake de missie naar Vietnam zijn verstrekt, waaronder het missierapport.

7.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek moet worden beoordeeld op de voet van artikel 239 van het CDW en dat het onderhavige feitencomplex niet kan worden gerangschikt onder de in de artikelen 900 tot en met 903 UCDW vermelde gevallen, zodat het niet met toepassing van artikel 899 van de UCDW kan worden afgehandeld. Het Hof sluit zich hierbij aan.

7.4. Blijkens de hiervoor onder 6.2 en 6.3 opgenomen bepalingen geldt voor het onderhavige geval het met ingang van 1 augustus 2003 van toepassing zijnde artikel 905 van de UCDW.

Ingevolge voormeld artikel dient een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding als bedoeld in artikel 239 van het CDW vergezeld te gaan van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden.

Het Hof is met het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zijn uitspraak van 1 februari 2006, nr. AWB 05/3, LJN: AV1535, van oordeel dat de beoordeling van de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan, in de eerste plaats toekomt aan de nationale douaneautoriteiten bij wie het verzoek is ingediend. Dit volgt uit de tekst en opbouw van het eerste lid van artikel 905, en wordt bevestigd door het zesde lid, op grond waarvan een naar de Commissie verwezen dossier wordt teruggezonden als het op grond van het bepaalde in onder meer het eerste lid niet naar de Commissie diende te worden doorverwezen.

Steun voor deze interpretatie vindt het Hof in de preambule van de hiervoor in 6.3 opgenomen Verordening (EG) nr. 1335/2003 waarbij de sub 6.2 vermelde tekst van artikel 905 is ingevoerd. Voorlegging van de dossiers dient plaats te vinden ‘met name wanneer de lidstaten van mening zijn dat een gunstige beschikking moet worden genomen’. Op grond hiervan blijkt dat de douaneautoriteiten een eerste toets zelf moeten uitvoeren en dat zij, wanneer zij tot de conclusie komen dat het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 905 UCDW voldoet, het dossier niet behoeven door te sturen.

Het arrest van het Hof van Justitie van 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV, C-375/07, LJN: BI5011, ondersteunt de hiervoor besproken werkwijze.

7.5.1. Vaststaat dat op initiatief van belanghebbende de productie van de voor haar bestemde schoenen zou worden verlegd van China naar Vietnam en dat de reden daarvoor was dat schoenen met oorsprong Vietnam bij invoer in de Europese Unie aanzienlijk lager werden belast dan die met oorsprong China. Daaruit leidt het Hof af dat de regelgeving inzake de oorsprong van de goederen aan belanghebbende volledig bekend was. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende met betrekking tot de beoordeling van de certificaten van oorsprong en andere op de leveringen aan belanghebbende betrekking hebbende bescheiden onzorgvuldig is geweest wat betreft de controle op de feitelijke oorsprong van de goederen. De inspecteur heeft dat onderbouwd met feiten en omstandigheden, als onder 7.2 weergegeven. Belanghebbende heeft die feiten en omstandigheden naar het oordeel van het Hof niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist. Op grond van die feiten en omstandigheden mocht van belanghebbende worden verwacht dat zij nader onderzoek zou instellen naar de juiste oorsprong van de aan haar geleverde goederen. Dit te meer nu zij volledig op de hoogte was van het belang daarvoor voor de heffing van rechten bij invoer en zij als een ervaren marktdeelnemer kan worden beschouwd. Door zulks na te laten is belanghebbende ten aanzien van het gebruik van de in geding zijnde certificaten van oorsprong bij de aangiften ten invoer klaarblijkelijke nalatigheid te verwijten. Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur de teruggaaf van rechten bij invoer terecht geweigerd en evenzeer terecht geweigerd het dossier aan de Commissie toe te zenden.

7.5.2. De stelling van belanghebbende dat zij wegens de door haar gestelde reden in de procedure inzake de rechtmatigheid van de vastgestelde uitnodigingen tot betaling niet kon aanvoeren dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast had voldaan, kan in het onderhavige geding niet tot enig resultaat leiden.

7.6. De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 26 april 2012 door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, D.B. Bijl en R.R. Winter, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.