Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5067

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
23-003630-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN5006, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval met vrijheidsberoving en poging afpersing. Nadere bewijsoverweging. Opleggen TBS met dwangverpleging, toepassing art 37, lid 3 Sr. Geen medewerking aan multi-disciplinair onderzoek PBC, wel medewerking aan rapport psychiater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003630-10

datum uitspraak: 17 april 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-421211-09 tegen

(verdachte),

geboren te ,

adres:

thans gedetineerd in

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

11 augustus 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 17 december 2009 en/of 18 december 2009 te Diemen en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een of meer openbare weg(en), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, (aangever) heeft gedwongen tot de afgifte van - een portemonnee (met inhoud) en/of - een (mobiele) telefoon en/of - een of meer sleutel(s) (aan een sleutelbos) en/of - een rijbewijs (op naam van (aangever)) en/of - een of meer kentekenpapier(en) (van een (personen)auto met kenteken AA-AA-00), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (aangever), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die (aangever) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of op die (aangever) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of - die (aangever) (daarbij) dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Kijk ik laat het je zien, het is een wapen en geef mij je geld" en/of "Maak geen fouten anders schiet ik" en/of "Als je een fout maakt, schiet ik zeker" en/of "Ik heb maar zeven kogels", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2. hij op of omstreeks 17 december 2009 en/of 18 december 2009 te Diemen en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (aangever) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s) - die (aangever) in een (personen)auto plaats laten nemen en/of gedwongen in te stappen en/of - (vervolgens) die (aangever) belet die (personen)auto te verlaten en/of die (aangever) gedwongen om naar een bestemming te rijden en/of - (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die (aangeve) getoond en/of voorgehouden en/of op die (aangever) gericht en/of gericht gehouden en/of - die (aangever) (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Kijk ik laat het je zien, het is een wapen en geef mij je geld" en/of "Maak geen fouten anders schiet ik" en/of "Als je een fout maakt, schiet ik zeker" en/of "Ik heb maar zeven kogels", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3. hij in of omstreeks de periode van 17 december 2009 tot en met 22 december 2009 te Diemen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een of meer openbare weg(en), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld (aangever) te dwingen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (in totaal 750 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (aangever) en/of het bedrijf van die (aangever), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), - naar die (aangever) is/zijn toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die (aangever) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of op die (aangever) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of - die (aangever) (daarbij) dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Kijk ik laat het je zien, het is een wapen en geef mij je geld" en/of "Maak geen fouten anders schiet ik" en/of "Als je een fout maakt, schiet ik zeker" en/of "Ik heb maar zeven kogels", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of - een of meer goed(eren) toebehorende aan die (aangever) onder zich heeft/hebben gehouden en/of - eenmaal of meermalen naar die (aangever) heeft/hebben gebeld, althans (telefonisch) contact heeft/hebben gezocht en/of - met die (aangever) heeft/hebben afgesproken en/of (om daarbij) een of meer geldbedrag(en) door die (aangever) aan hem, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s), te geven en/of te overhandigen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een enigszins andere beslissing komt..

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 17 december 2009 en 18 december 2009 in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld (aangever) heeft gedwongen tot de afgifte van

- een portemonnee met inhoud en

- een mobiele telefoon en

- een sleutelbos en

- een rijbewijs op naam van (aangever) en

- kentekenpapieren van een personenauto, toebehorende aan (aangever), welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die (aangever) hebben getoond en op die (aangever) hebben gericht en

- die (aangever) daarbij dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Kijk ik laat het je zien, het is een wapen en geef mij je geld" en "maak geen fouten anders schiet ik" en "ik heb maar zeven kogels", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard en strekking;

2. hij op 17 december 2009 en 18 december 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk (aangever) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader

- die (aangever) gedwongen in te stappen in een personenauto en

- vervolgens die (aangever) belet die personenauto te verlaten en die (aangever) gedwongen om naar een bestemming te rijden en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die (aangever) getoond en op die (aangever) gericht en

- die (aangever) daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Kijk ik laat het je zien, het is een wapen en geef mij je geld" en "maak geen fouten anders schiet ik" en "ik heb maar zeven kogels", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard en strekking;_

3. hij in de periode van 17 december 2009 tot en met 22 december 2009 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld (aangever) te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (in totaal 750 euro), toebehorende aan (aangever), naar die (aangever) is toegegaan waarna hij, verdachte, en zijn mededader

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die (aangever) hebben getoond en op die (aangever) hebben gericht en

- die (aangever) daarbij dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Kijk ik laat het je zien, het is een wapen en geef mij je geld" en "maak geen fouten anders schiet ik" en "ik heb maar zeven kogels", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard en strekking, en

- goederen toebehorende aan die (aangever) onder zich hebben gehouden en

- meermalen naar die (aangever) hebben gebeld en

- met die (aangever) hebben afgesproken om daarbij een geldbedrag door die (aangever) aan hem, verdachte, en zijn mededader te geven.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan

worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van alle ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken omdat hij daarmee niets te maken heeft gehad. De raadsman heeft daartoe aangevoerd -kort gezegd- dat er weinig aanwijzingen zijn die de verdachte koppelen aan de ten laste gelegde feiten, terwijl

- de door (medeverdachte) afgelegde verklaringen ongeloofwaardig zijn, nu deze inhoudelijk niet consistent zijn ten aanzien van een/de mededader, het gebruik van een vuurwapen en het aantal personen met wie hij over de overval heeft gesproken;

- bij de verdachte geen aan (aangever) toebehorende goederen zijn gevonden en ook geen aan het misdrijf te koppelen DNA-sporen van de verdachte zijn gevonden;

- het door het slachtoffer, (aangever), opgegeven signalement niet overeen komt met kenmerken van de verdachte, de verdachte, anders dan (aangever) heeft verklaard, niet Marokkaans is, en (aangever) de verdachte ook niet herkende bij een meervoudige fotoconfrontatie;

- het vuurwapen waarmee de verdachte te zien is op foto's in zijn telefoon niet past bij de omschrijving die het slachtoffer heeft gegeven van het vuurwapen waarmee hij is bedreigd;

- de verdachte volgens zijn zus de avond van de overval bij haar thuis was en dat dit alibi weliswaar niet geheel sluitend is, maar wel in verdachtes voordeel kan meewegen bij de overtuiging;

- de herkenning van de stem van de verdachte bij het beluisteren van de opgenomen telefoongesprekken die met de telefoon van (medeverdachte) zijn gevoerd, niet is geschied door daarin gespecialiseerde deskundigen, terwijl ook niet is aangegeven waarop de herkenning is gebaseerd;

- aan de omstandigheid dat de verdachte een donkere jas met een bontkraag heeft niet veel betekenis kan worden gehecht, nu 's winters veel donkere jassen met bontkragen te zien zijn, omdat deze in de mode zijn.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof acht de door (medeverdachte) afgelegde verklaringen geloofwaardig (ook) voor zover hij daarin de verdachte noemt als zijn mededader van de ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft (medeverdachte) als getuige daarover verklaard, zakelijk weergegeven:

"Ik heb eerst gezegd dat ik de overval alleen heb gepleegd. Daarna werd ik door verbalisanten geconfronteerd met verklaringen van de medeverdachte. Ik schrok van de verklaring die de verdachte had afgelegd, omdat daarin dingen stonden die ik niet eerder had verklaard. Daarna heb ik toegegeven dat de verdachte de mededader was van de overval. Ik blijf bij dat standpunt en ik vergis mij hierin niet."

Vanaf het moment dat (medeverdachte) de eerste keer heeft gezegd (blz. 130 e.v. proces-verbaal 2009338965-39) dat de verdachte de mededader is, heeft hij hierover consistent verklaard. Aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring hierover doet niet af dat hij heeft gesteld bij de bedreiging van (aangever) geen vuurwapen te hebben gezien, in aanmerking genomen dat hij vooral wenste te verklaren over zijn eigen aandeel in de overval. Het gesprek dat (medeverdachte) met zijn vriend (vriend) heeft gevoerd, acht het hof te dezen niet van belang.

Het dossier bevat de weergave van telefoongesprekken en sms-berichten die zijn gevoerd respectievelijk verstuurd in de periode van 18 december 2009 tot en met 22 december 2009 met het toestel van (medeverdachte) en het door de verdachte gebruikte toestel. Daarin gaat het over de geplande overdracht van het geld door (aangever) aan diens afpersers. Een van de verbalisanten herkent bij de telefoon-gesprekken de stem van de verdachte. (medeverdachte) heeft verklaard dat hij deze gesprekken heeft gevoerd met de verdachte, en de verdachte heeft verklaard dat hij er altijd "bij is" als zijn telefoontoestel wordt gebruikt en dat het onmogelijk is dat iemand anders met zijn telefoontoestel met (medeverdachte) heeft gebeld. Onder deze omstandigheden acht het hof bewezen dat de bedoelde gesprekken zijn gevoerd tussen (medeverdachte) en de verdachte.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de omstandigheid dat (aangever) een signalement van de tweede dader heeft opgegeven dat niet geheel met de kenmerken van de verdachte overeen lijkt te stemmen, en hij de verdachte ook niet heeft herkend bij een fotoconfrontatie weinig betekenis toekomt, nu (aangever) het gezicht van die tweede dader nauwelijks heeft kunnen zien doordat de verlichting slecht was, die dader een capuchon op zijn hoofd had en hij vervolgens in de auto schuin achter (aangever) op de achterbank zat. Ter zitting bij de rechtbank van 11 augustus 2010 heeft (aangever) als getuige verklaard dat hij in de auto geen blik op verdachte heeft kunnen werpen.

Aan de verklaring van de zus van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en inhoudende dat de verdachte de week waarin de overval op (aangever) is gepleegd bij haar verbleef en dat de verdachte elke avond thuis was, kan evenmin veel waarde worden gehecht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zij geen enkele concrete herinnering aan die week dan wel de avond van 17 december 2009 kan reproduceren en zij voorts heeft verklaard gebruikelijk tussen 22.00 uur en 01.00 uur te gaan slapen, zodat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte op 17 december 2009 de woning heeft verlaten nadat zij die avond is gaan slapen.

Op grond van het voorgaande wordt het verweer verworpen. Het hof is van oordeel dat voldoende vaststaat dat de verdachte de dader is met wie (medeverdachte) de onderhavige feiten heeft gepleegd. Hetgeen de raadsman in dit verband verder nog heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden, waarbij het hof nog opmerkt dat de diverse, in de bewijsmiddelen vervatte, belastende omstandigheden, waaronder ook het aantreffen van een aan de verdachte toebehorende donkerblauwe jas met bontkraag, niet op zichzelf maar in onderlinge samenhang moeten worden bezien.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

- afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

- medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

- poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest, en gelast dat hij ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair dertig dagen hechtenis, en is de inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregelen als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een overval, het slachtoffer daarbij gedurende korte tijd van zijn vrijheid beroofd en een poging gedaan hem af te persen. De overval nam een aanvang toen het slachtoffer 's avonds laat thuiskwam. In het portiek van zijn woning werd hij aangesproken door (medeverdachte). De verdachte voegde zich vervolgens bij hen en het slachtoffer werd onder bedreiging met een (nep) vuurwapen bewogen tot de afgifte van persoonlijke eigendommen, waaronder zijn portemonnee en telefoon. Vervolgens werd hij gedwongen in zijn eigen auto naar een door de daders aangegeven bestemming te rijden. Toen de overval die avond niet meer geld leek te kunnen opleveren, hebben de verdachte en zijn mededader het slachtoffer laten gaan, met de "afspraak" dat hij hen op een later tijdstip € 750,- zou overhandigen. De overvallers hebben slechts met het oog op eigen financieel gewin gehandeld en geen rekening gehouden met de gevolgen van hun gedragingen voor het slachtoffer. Zij hebben inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn bewegingsvrijheid. Slachtoffers van dit soort delicten lijden vaak lange tijd aan de traumatische gevolgen ervan. Ook in deze zaak is dat, zoals blijkt uit de verklaringen van het slachtoffer, het geval geweest. Ter zitting van de rechtbank van 11 augustus 2010 heeft het slachtoffer verklaard dat het ingrijpend is geweest. Dit soort feiten leidt voorts tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf hiervoor is alleszins gerechtvaardigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 maart 2012 is hij eerder ter zake van soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof neemt ook in aanmerking dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd tijdens het proefverlof van een hem eerder opgelegde PIJ-maatregel.

Met betrekking tot de persoonlijkheid van de verdachte zijn sinds zijn komst naar Nederland in 2005 diverse rapporten opgemaakt. Eén van die rapporten, die tot oplegging van een PIJ-maatregel in 2007 leidde, is op 29 januari 2007 opgemaakt door D.E. Wage, GZ-psycholoog. Wage komt daarin tot de conclusie dat de verdachte leed aan een gebrekkige ontwikkeling, die reeds was ontstaan in zijn vroege jeugd en tot uiting was gekomen in een gedragsstoornis met anti-sociale kenmerken, zoals een gebrekkig ontwikkeld geweten, agressiviteit, impulsiviteit, externaliseren en een gebrekkig zelfinzicht.

Volgens een "maatregelrapport" van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering van 3 januari 2010 gaf de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel (in Forensisch Centrum Teylingereind) aanvankelijk een somber beeld te zien van de ontwikkeling van de verdachte, maar tekende zich in de loop van de behandeling een duidelijke verbetering af en is hij vanaf oktober 2009 met proefverlof gegaan. Uit latere rapporten bleek dat de verdachte onvoldoende uit de voeten kon met de geboden vrijheid. In december 2009 pleegde hij de onderhavige feiten. Nadat de verdachte is teruggeplaatst in Teylingereind, is door deze inrichting bij rapport van 18 januari 2010 geadviseerd de duur van de PIJ-maatregel met een jaar te verlengen.

In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris opdracht gegeven tot psychologisch onderzoek van de verdachte. De verdachte heeft echter geweigerd medewerking te verlenen aan dit onderzoek en de desbetreffende psycholoog, A.E. Haan, heeft geen diagnose kunnen stellen (rapport van 1 maart 2010).

De verdachte is vervolgens opgenomen in het Pieter Baan Centrum (PBC) en heeft wederom geweigerd mee te werken aan een onderzoek. Dit heeft evenwel niet verhinderd dat de onderzoekers van het PBC, mede op basis van de beschikbare stukken, de informatie van derden en de groepsobservatie, bij rapport van 5 augustus 2010 tot de conclusie zijn gekomen dat het zeer aannemelijk is dat bij de verdachte sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens, mogelijk ook in combinatie met een ziekelijke stoornis, dat het evenmin aannemelijk is dat die gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet meer aanwezig is, en dat verdachtes gedragsstoornis inmiddels kan zijn overgegaan in een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Op verzoek van de verdediging heeft het hof opdracht gegeven tot een nieuw onderzoek van de verdachte in het PBC. De verdachte heeft blijkens het PBC-rapport van 24 augustus 2011 wederom iedere medewerking geweigerd, waardoor geen diagnose kon worden gesteld, al zien de rapporteurs in de ontwikkeling van de verdachte wel een rode draad van impuls- en agressieregulatieproblemen.

De verdachte heeft wel meegewerkt aan een onderzoek van C.J.F. Kemperman, psychiater, die door de verdediging is ingeschakeld en die op 13 mei 2011 heeft gerapporteerd. Kemperman is tot de conclusie gekomen dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, dat dit ook het geval was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en dat de toerekeningsvatbaarheid als enigszins verminderd kan worden beschouwd aangezien voormelde stoornissen de keuzevrijheid van de verdachte enigszins beïnvloedden omdat hij door een beperkte impulsbeheersing en een beperkt empathisch vermogen afwijkende manieren hanteert om met problemen en anderen om te gaan. Het recidiverisico is door Kemperman als matig tot hoog ingeschat. Ten aanzien van de behandelmogelijkheden heeft hij het volgende opgemerkt (blz. 18):

Betrokkene gaf aan dat hij geen behandeling nodig heeft omdat hij onschuldig zou zijn. Er is tevens reeds een behandelvoorgeschiedenis, zodat er bij ontbrekende motivatie weinig aanknopingspunten zijn voor nog verdere behandeling. Mocht het hof tot iets anders dan afstraffen besluiten, dan geldt slechts een TBS-kader met dwangverpleging ter maatschappijbeveiliging (het hof begrijpt: als geschikte sanctie).

Overeenkomstig het advies van Kemperman is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten slechts in enigszins verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend wegens zijn stoornissen.

Voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is ingevolge artikel 37a juncto artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist dat de rechter beschikt over adviezen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Deze adviezen mogen niet meer dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting zijn opgemaakt. Artikel 37, derde lid, Sr bepaalt dat het tweede lid buiten toepassing blijft wanneer de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de door de onderscheiden rechters gelaste onderzoeken van psycholoog Haan en het PBC. Bij die stand van zaken kan de verdachte, anders dan door de raadsman is betoogd, worden aangemerkt als een in het derde lid van artikel 37 Sr bedoelde weiger-achtige betrokkene, zodat de eis van recente adviezen van twee gedragsdeskundigen is komen te vervallen. Daaraan kan naar het oordeel van het hof niet afdoen dat de verdachte wel heeft meegewerkt aan het onderzoek van psychiater Kemperman. Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat een verdachte, door zijn bereidheid tot medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek aldus selectief in te zetten, in staat zou zijn de werking van het tweede lid en het derde lid van artikel 37 Sr te frustreren, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Ook voordien heeft hij ernstige misdrijven gepleegd (die tot oplegging van de PIJ-maatregel hebben geleid) en blijkens het PBC-rapport van 24 augustus 2011 is hij tijdens zijn detentie in 2010 en 2011 meermalen betrokken geweest bij gewelddadige incidenten. De onderhavige feiten zijn gepleegd tijdens zijn proefverlof in het kader van de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen de geconstateerde psyschische problematiek van de verdachte, het gegeven dat zijn behandeling in Teylingereind niet tot een bevredigend einde is gebracht en de kans op herhaling van soortgelijke misdrijven als de onderhavige, is het hof van oordeel dat de verdachte een zodanig gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vormt, dat alleen met de oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverple-ging de maatschappij daartegen voldoende wordt beveiligd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat met het opleggen van TBS met dwangverpleging niet kan worden volstaan en dat daarnaast ook een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. Het hof acht -gezien de overwegingen daaromtrent op pagina 6 van dit verkort arrest- een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij (aangever)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.050,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57, 63, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een autosleutel behorende bij een Honda Civic (3749914);

- een zaktelefoon, merk Samsung (3749316).

Vordering van de benadeelde partij (aangever)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, S.N.J. (aangever), terzake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.050,00 (tweeduizend vijftig euro) bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd S.N.J. (aangever), een bedrag te betalen van € 2.050,00 (tweeduizend vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. M.M.H.P. Houben en mr. W.M.C. Tilleman, in tegenwoor-digheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2012.