Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4977

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
10/00385
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reeds op grond van het wonen buiten Nederland in de aan 2007 voorafgaande jaren en het ontbreken van binnenlands inkomen in die jaren is er geen sprake van een in die jaren opgebouwd en in 2007 in aanmerking te nemen restant persoonsgebonden aftrek.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.1, geldigheid: 2012-04-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1429 met annotatie van vanArnhem
FutD 2012-1348
V-N Vandaag 2012/1257
V-N 2012/42.12

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00385

26 april 2012

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/4708 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 14 augustus 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.392 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.204.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 22 september 2009, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 9 juni 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 juni 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.6. Na het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende nadere stukken ingezonden. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 28 maart 2012. Van deze brief is een afschrift aan belanghebbende gezonden.

1.7. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend uitspraak te doen zonder een nadere zitting.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft onder meer de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin – evenals in het hierna opgenomen citaat uit deze uitspraak - aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

2.3. Bij de definitieve aanslag IB/PVV ten name van eiseres voor het jaar 2006 is geen persoongebonden aftrek in aanmerking genomen omdat zij hierom niet in haar aangifte heeft verzocht. De aanslag IB/PVV over 2006 staat inmiddels onherroepelijk vast.

2.4. Eiseres heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2007 berekend naar een verzamelinkomen van nihil. Hierin is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.191, verminderd met een persoonsgebonden aftrek van € 31.191 tot nihil, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.204, verminderd met een persoonsgebonden aftrek van € 2.204 tot nihil, aangegeven. In de aangifte heeft eiseres verzocht om een persoonsgebonden aftrek voor een totaalbedrag van € 52.001, dat als volgt is opgebouwd:

- uitgaven wegens levensonderhoud voor kind € 660

- buitengewone uitgaven € 139

- restant persoonsgebonden aftrek € 51.202

Totaal persoonsgebonden aftrek € 52.001

2.5. Met dagtekening van 15 mei 2008 is conform de door eiseres ingediende aangifte een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegd.

2.6. Bij brief van 13 juli 2009 heeft verweerder zijn voornemen aan eiseres kenbaar gemaakt om van de ingediende aangifte af te wijken ten aanzien van de verzochte aftrek restant persoonsgebonden aftrek.

2.7. Verweerder heeft conform dit voornemen de onder 1.1 genoemde definitieve aanslag IB/PVV 2007 opgelegd. Hierin is van de aangifte afgeweken en het restant persoonsgebonden aftrek ten bedrage van € 51.202 is niet in aftrek toegelaten. De door eiseres verzochte persoonsgebonden aftrek is voor een bedrag van € 799 toegestaan. Dit betreft een bedrag van € 660 voor uitgaven levensonderhoud van een kind en buitengewone uitgave van € 139.

2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

Als bijlagen bij het hoger beroepschrift heeft belanghebbende onder meer de hierna genoemde afschriften gevoegd:

- a. een dagafschrift van een ING-betaalrekening, nummer [123456], over de periode 1 december 2005 tot en met 1 januari 2006, kennelijk afgedrukt op 19 juni 2010, ten name van belanghebbende op het adres [a-straat 1] te [P]; welk adres overeenkomt met het door belanghebbende gebruikte adres ten tijde van het indienen van het hogerberoepschrift.

- b. dagafschrift nr. 5 van Postbank-girorekening, nummer [123456] en gedagtekend 9 mei 2006, waarop mutaties zijn vermeld over de periode 13 april tot en met 5 mei 2006, ten name van belanghebbende op het adres [b-straat 1] te [P];

- c. drie dagafschriften van drie rekeningen bij de Postbank, ten name respectievelijk [A.Y], B.Y] en [C.Y], allen op het adres [b-straat 1] te [P]. De afschriften zijn gedagtekend respectievelijk 15 september 2004, 16 maart 2004 en 23 november 2004, en tonen elk één mutatie, te weten een bijschrijving van € 10, afkomstig van rekening [123456] ten name van [X] te [P].

2.4. In een bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde uitdraai van gegevens van de gemeentelijke basisadministratie zijn ten aanzien van belanghebbende de volgende gegevens vermeld:

postcode huisnr. straatnaam plaats ing. datum verv. datum

[AAAA] 1 [a-straat] [P] [00]-03-2008

[AABB] 1 [c-straat] [P] [00]-08-2006 [00]-03-2008

VOW [00]-10-1997 [00]-08-2006

[AACC] 1 [d-straat] [P] [00]-04-1997 [00]-10-1997

(waarbij “VOW” staat voor “vertrokken onbekend waarheen”).

2.5. De inspecteur heeft bij zijn verweerschrift in hoger beroep een bijlage gevoegd, bestaande uit een door belanghebbende ingevuld klachtenformulier aangaande de “laatste NL-aanslag IB 1997”. Op dit door belanghebbende ondertekende en op 14 december 2006 gedagtekende formulier is ingevuld dat zij met haar dochters naar Frankrijk is gemigreerd en in verband met problemen met de vader van de dochters geen adres aan de gemeente [P] heeft doorgegeven.

2.6. Bij de na het onderzoek ter zitting in hoger beroep door belanghebbende ingezonden stukken is een brief van de inspecteur, gedagtekend 15 december 2005, gericht aan belanghebbende op haar adres in Frankrijk, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“(…) Uit de mij ter beschikking staande gegevens (basisadministratie persoonsgegevens) maak ik niet op dat u bent gemigreerd naar Frankrijk. Zoals ik u reeds mededeelde, heb ik de melding “VOW” (vertrokken onbekend waarheen) doorgekregen. (…)

Voorts deel ik u mede dat uw laatste aangifte de aangifte 1997 betreft. Uitgaande van uw melding dat u in 1997 bent geëmigreerd (en u geen buitenlands belastingplichtige bent) is dit juist.”

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere persoonsgebonden aftrek dan de bij de aanslag verleende aftrek van € 799 (€ 660 + € 139).

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Voor de vraag of belanghebbende recht heeft op een hogere persoonsgebonden aftrek dan is verleend is met name in geschil of belanghebbende recht heeft op een restant persoonsgebonden aftrek uit eerdere jaren.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende hier geen recht op heeft en heeft daartoe het volgende overwogen:

4.5.1. De rechtbank stelt op basis van de feiten vast dat eiseres in de periode gelegen tussen 7 februari 1997 tot en met 18 augustus 2006 noch binnenlands noch buitenlands belastingplichtige is geweest. Hiervoor is immers vereist dat zij een inkomen uit een van de in hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001 genoemde Nederlandse bronnen had genoten. De enige twee Nederlandse inkomstenbronnen die eiseres stelt in deze periode te hebben gehad, te weten een spaarrekening bij een Nederlandse bank en het in ontvangst nemen van kinderalimentatie, behoren hier beide niet toe.

4.5.2. Voorts oordeelt de rechtbank dat vaststaat dat verweerder in 2006 geen afzonderlijke beschikking restant persoonsgebonden aftrek heeft genomen, noch heeft hij een restant persoonsgebonden aftrek bij de inmiddels onherroepelijk vaststaande, definitieve aanslag IB/PVV 2006 vastgesteld. (…)

4.6. Eiseres is van mening dat in het onderhavige jaar het bedrag van € 51.202 als restant persoonsgebonden aftrek in aanmerking moet worden genomen. Op eiseres rust de last om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op deze aftrek. Uit de stukken van het geding en de door eiseres ter zitting gegeven toelichting blijkt echter dat de in de aangifte verzochte uitgaven van € 51.202 enkel uitgaven voor haar kinderen betreffen in de periode van 7 februari 1997 tot en met 18 augustus 2006 betreft. In die periode was eiseres echter noch binnenlands noch buitenlands belastingplichtige.

4.10. In tegenstelling tot wat eiseres meent, leidt een in 2004 toegekende aftrek van de uitgaven op het Nederlandse belastbare inkomen bij haar ex-[echtgenoot] niet bij haar tot een belastingplicht in de zin van de Wet IB 2001. Dat zij in dat kader gelden in ontvangst heeft genomen maakt dit niet anders. De rechtbank kan in het onderhavige geschil slechts beoordelen of verweerder in het geval van eiseres de wet juist heeft toegepast. (…)

4.11. Voor zover de rechtbank de grieven van eiseres dient op te vatten dat het onrechtvaardig is dat haar ex-echtgenoot in het jaar 2004 de door hem betaalde kinderalimentatie als uitgaven wegens levensonderhoud voor zijn kinderen – al dan niet terecht – in mindering heeft mogen brengen, terwijl zij feitelijk de enig verzorgende ouder is geweest en zij nergens haar uitgaven in mindering kon brengen, leidt dit niet tot een andere uitkomst. Het is de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen (Wet van 15 mei 1829, Stb. 28) niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Ook over de kwestie wanneer er sprake is van inwonerschap in een ander land zoals Frankrijk volgens de Franse wetgeving, kan de Nederlandse belastingrechter niet oordelen.

Met deze overwegingen heeft de rechtbank op goede gronden terecht geoordeeld dat er geen sprake is van enig recht om bij de aanslag over het jaar 2007 een bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek in aanmerking te nemen. Nu de in hoger beroep overgelegde gegevens, waaronder die vermeld onder 2.2, niet tot een ander oordeel kunnen leiden (het aanhouden van (spaar)rekeningen in Nederland leidt immers niet tot buitenlandse belastingplicht van belanghebbende, zoals de rechtbank onder 4.5.1 terecht heeft overwogen), sluit het Hof zich aan bij deze oordelen van de rechtsbank.

4.2. Voor zover belanghebbendes stellingen moeten worden begrepen als een beroep op het vertrouwensbeginsel, is het allereerst aan haar bewijs te leveren van feiten en omstandigheden op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de inspecteur gehouden is een juiste wetstoepassing achterwege te laten omdat hij bij belanghebbende in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat zij binnenlands dan wel buitenlands belastingplichtig was in de periode vóór 18 augustus 2006. Het Hof acht haar daarin niet geslaagd, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen..Voor zover belanghebbende met het insturen van de - onder 2.6 vermelde - brief van 15 december 2005 heeft bedoeld een zodanig bewijs te leveren verwerpt het Hof die stelling, nu de inhoud van die brief daarvoor geen steun biedt. In deze brief concludeert de inspecteur juist – op basis van de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens – dat belanghebbende in 1997 is geëmigreerd en dat zij na 1997 niet als buitenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt.

Slotsom

4.3. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.M.J.G. van Amsterdam, voorzitter, H.E. Kostense en D. Hund, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 26 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.