Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4792

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
200.081.998-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executieperikelen. Tekortkoming van deurwaarder doordat niet op de voorraad maar op de (mogelijk aan een derde toebehorende) bedrijfsinventaris executoriaal beslag werd gelegd. Geen tekortkoming omdat telefonisch overleg met de behandelend advocaat heeft plaatsgevonden over het beslag. Schade van de client van het advocatenkantoor door de beslaglegging is geen verrekenbare schade van de advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200.081.998/01

24 april 2012 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de maatschap,

[J.] & [J.] ADVOCATEN, gevestigd te Hoofddorp,

APPELLANTE,

advocaat: mr. L.F. [J.], te Hoofddorp,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

GGN NOORD-WEST NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.G. Keizer, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Partijen worden hierna de Maatschap en GGN genoemd. De Maatschap is bij exploot van 7 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de kantonrechter te Haarlem onder nummer 482219 CV EXPL 10-12218 tussen partijen is gewe-zen en dat is uitgesproken op 9 december 2010, met dagvaarding van GGN voor dit hof.

Bij arrest van 5 april 2011 heeft het hof artikel 127a lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering buiten toepassing ge-laten.

1.2 De Maatschap heeft bij memorie grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd en producties in het geding ge-bracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, tot vernietiging van het vonnis en afwijzing van de oorspronkelijke vordering met veroordeling van GGN tot terugbetaling van € 3.436,05 met rente en met veroordeling in de proceskosten.

1.3 GGN heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven be-streden, een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie tot bekrachtiging van het vonnis en veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de Maatschap tot vergoeding van de proceskosten.

1.4 De Maatschap heeft op 20 december 2011 een akte genomen. GGN heeft bij antwoordakte van 31 januari 2012 haar oorspron-kelijke eis verminderd.

1.5 Partijen hebben hun zaak doen bepleiten bij monde van hun raadslieden, mede aan de hand van pleitnotities die zijn over-gelegd. Partijen hebben bij die gelegenheid nog enige inlich-tingen verschaft.

1.6 Ten slotte is gevraagd arrest te wijzen.

2. Waarvan het hof uitgaat

2.1 De Maatschap heeft bij brief van 13 januari 2010 aan GGN een opdracht gegeven met betrekking tot een vonnis waarin Ar-telier [B.] B.V. werd veroordeeld om aan de heer [B.] een geldsom te betalen. In de brief wordt GGN verzoek gedaan het vonnis te betekenen en onmiddellijk beslag op de voorraad te leggen.

2.2 GGN heeft het vonnis is op 27 januari 2010 betekend met bevel tot betaling en aanzegging dat anders tot beslaglegging zou worden overgegaan. Op 4 februari 2010 is executoriaal be-slag onder Artelier [B.] B.V. gelegd. Bij gelegenheid van het pleidooi is gebleken dat bij die gelegenheid een bedrijfswagen en bedrijfsinventaris, zoals computers en randapparatuur, kan-toormeubelen en -apparatuur, naaimachines en keukenapparaten in beslag werden genomen maar geen voorraad. In verband met het beslag is er telefonisch contact geweest tussen de beslag leggende deurwaarder en mr. [J.]. Omdat naar telefonische me-dedeling van de deurwaarder de in beslag genomen roerende za-ken de vordering, verhoogd met kosten, zouden dekken heeft het beslag zich op dat moment tot bovengenoemde zaken beperkt. Het beslag is op 8 februari 2010 overbetekend aan Artelier [B.] B.V.

2.3 Bij brief van 9 februari 2010 aan de Maatschap heeft GGN vermeld dat bij overbetekening van het beslag aan de deurwaar-der een kopie van een leasecontract van de bedrijfswagen en een huurcontract met betrekking tot de roerende zaken werd ge-toond, zodat niet tot openbare verkoop overgegaan kon worden. Nadien heeft telefonisch overleg tussen de deurwaarder en mr. [J.] plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft mr. [J.] per faxbericht van 11 februari 2010 schriftelijk bevestigd dat GGN had toegezegd dat uiterlijk de 12e van die maand beslag zou worden gelegd op bedrijfsvoorraad van Artelier [B.] B.V.

2.4 Op 12 februari 2010 is vervolgens executoriaal beslag ge-legd op (wederom) de bedrijfswagen alsmede (thans) de aanwezi-ge bedrijfsvoorraad van het atelier. Die dag heeft GGN de Maatschap schriftelijk te kennen gegeven dat executie van de in beslag genomen roerende zaken vermoedelijk € 400,-- zou op-leveren en verzocht een voorschot te betalen van € 1.500,-- in verband met de verdere executiekosten. Het beslag is op 15 fe-bruari 2010 overbetekend.

2.5 De Maatschap heeft geen opdracht gegeven de executie van de beide beslagen voort te zetten. Wel heeft zij verzocht om schriftelijk bewijs van aan de aanspraken van derden op de be-drijfswagen en de bedrijfsinventaris. Daaraan heeft GGN niet voldaan in verband met privacy van betrokkene(n).

2.6 Bij brief van 15 februari 2010 heeft de Maatschap de op-drachtovereenkomst ontbonden.

2.7 Op 10 januari 2011 is Artelier [B.] B.V. failliet ver-klaard.

3. Behandeling van het hoger beroep

3.1 In eerste aanleg is geen verweer gevoerd tegen de vorde-ring tot betaling van de facturen van GGN zodat deze werd toe-gewezen. In hoger beroep voert de Maatschap, kort gezegd, aan dat GGN toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de opdracht waardoor schade is geleden die de Maatschap op de facturen van GGN in verrekening brengt. Twee facturen ter hoogte van € 87,93 zijn al betaald.

3.2 Dat twee facturen van € 87,93 door de Maatschap werden voldaan heeft GGN erkend zodat zij de gevorderde hoofdsom heeft verminderd tot € 2.056,63. In zoverre zal het vonnis vernietigd moeten worden.

3.3 Bij de beoordeling van het verweer van de Maatschap tegen de restant vordering van GGN staat voorop, dat sprake is van een factuur van 17 februari 2010 in verband met de executie-kosten in het dossier [B.]/Artelier [B.] B.V. ad € 523,04. Verder verlangt GGN terugbetaling van een bedrag ad € 1.533,59 omdat dit bedrag in een ander dossier [B.]/Artelier [B.] B.V. uit 2009 per ongeluk twee maal, waarvan een maal onverschul-digd, aan de Maatschap werd uitgekeerd.

3.4 Dat de Maatschap schade heeft geleden die zij kan verreke-nen met de vorderingen van GGN is niet onderbouwd. Als er schade is geleden doordat GGN ten onrechte niet bij eerste ge-legenheid beslag op de bedrijfsvoorraad heeft gelegd, moet, zonder nadere toelichting, ervan worden uitgegaan dat die schade is geleden door de cliënt van de Maatschap, de heer [B.], en niet door GGN zelf. De heer [B.] is geen partij in deze procedure. De Maatschap kan zich in dit geding niet na-mens hem of uit hoofde van zaakwaarneming op verrekening met haar eigen schuld aan GGN beroepen.

Het verweer dat het onverschuldigd betaalde bedrag op de reke-ning van de Stichting Derdengelden werd overgemaakt is pas bij gelegenheid van het pleidooi voor het eerst gevoerd. Daartegen heeft GGN zich verzet zodat het hof daaraan, als tardief, voorbijgaat.

3.5 Dat GGN de werkzaamheden heeft verricht die bij de factuur van 17 februari 2010 in rekening zijn gebracht, wordt niet be-twist.

Aan de Maatschap kan worden toegegeven dat GGN aanvankelijk alleen op de bedrijfsinventaris beslag heeft gelegd en niet, zoals de instructie (naar de letter genomen) was, op de be-drijfsvoorraad. Op het moment dat naar inschatting van de be-slag leggende deurwaarder voldoende zekerheid bestond dat het door de heer [B.] gevorderde bedrag uit een openbare verkoop van de in beslag genomen zaken zou kunnen worden voldaan, zijn de verdere beslagwerkzaamheden gestaakt. Daarover heeft tele-fonisch overleg plaatsgevonden met mr. [J.]. Bij gelegenheid van dat telefonisch overleg heeft de deurwaarder, aldus ver-klaarde mr. [J.] tijdens het pleidooi, gezegd dat er voldoende in beslag genomen was waarop mr. [J.] te kennen heeft gegeven dat hij de voorkeur gaf aan beslag op de bedrijfsvoorraad maar als de deurwaarder hetgeen al in beslag genomen werd toerei-kend achtte, daarmee kon worden volstaan. Kennelijk heeft ook mr. [J.] toen geen aanleiding gezien de deurwaarder op de pre-cieze inhoud van zijn instructie van 13 januari 2010 te wijzen in die zin dat het beslag niet op de inventaris maar op de voorraad moest worden gelegd, althans die instructie in zover-re mondeling bijgesteld. Mr. [J.], die zich als rechtsgeleerd raadsman niet minder dan de deurwaarder bewust behoeft te zijn van de mogelijkheid dat derden rechten pretenderen op de be-drijfsinventaris van een onderneming, heeft evenmin bij dat telefonisch overleg erop aangedrongen dat de in beslagneming zich ook zou moeten uitstrekken tot de bedrijfsvoorraden. On-der die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat GGN op 4 februari 2010 tekort is geschoten in de nakoming van de op-dracht tot beslaglegging. Waar de Maatschap op 11 februari 2010 een hernieuwde opdracht tot beslaglegging gaf en de deur-waarder daaraan gevolg heeft gegeven, moeten ook de daarmee verband houdende kosten worden betaald. De ontbinding van de opdracht(en) door de Maatschap bij brief van 15 februari 2010 was dus ongerechtvaardigd.

3.6 Uit het voorgaande vloeit voort dat de grieven falen be-houdens voor zover betrekking hebbende op beide nota’s van € 87,93. Als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij zal de Maatschap niettemin de kosten van het hoger be-roep moeten vergoeden.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis doch slechts in zoverre de Maat-schap daarbij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 175,86 met rente vanaf 16 september 2010;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

verwijst – uitvoerbaar bij voorraad – de Maatschap in de proces-kosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover aan de kant van GGN gevallen, op € 649,00 voor verschotten, op € 1.896,00 voor salaris van de advocaat

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, J.C. Toorman en G.C.C. Lewin en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2012 door de rolraadsheer.