Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4482

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
23-000949-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafvervolging (artikel 279 Wetboek van Strafrecht) wegens niet meewerken aan omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2013/52.7

Uitspraak

parketnummer: 23-000949-11

datum uitspraak: 27 april 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-405224-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

18 februari 2011 en op de terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 februari 2006 tot en met heden, in elk geval tot en met 24 februari 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, meermalen (telkens) opzettelijk een of meer minderjarige(n), te weten de zoon(s) [zoon 1] (geboren op [1995]) en/of [zoon 2] (geboren op [1999]), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd (mede) over die minderjarige(n) uitoefende (te weten het gezag van de vader van de minderjarige(n), genaamd de vader), immers heeft verdachte daar toen (telkens) op de data en tijdstippen/tijdsperiode(s) zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van rechtbank Amsterdam d.d. 15 februari 2006, betrekking hebbende op de minderjarige(n) met de gezaghebbende ouder de vader), de minderjarige(n) niet afgegeven aan die de vader en die de vader niet in staat gesteld de minderjarige(n) bij zich te ontvangen, en aldus de minderjarige (telkens) buiten bereik van die de vader en bij die de vader te houden, zulks terwijl die zoon [zoon 2] (telkens) beneden de twaalf jaren oud was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing en tot een andere strafoplegging dan de politierechter komt.

Partiële vrijspraak

Het hof stelt op de grond van de stukken van het dossier het volgende vast.

Uit het huwelijk van de verdachte met [betrokkene] zijn twee zonen geboren, namelijk de in de tenlastelegging genoemde [zoon 1] (1995) en [zoon 2] (1999). Na echtscheiding tussen partijen in 2005 is het gezag over de minderjarige zonen bij beide ouders blijven berusten en is de verdachte belast gebleven met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen; het opzicht over de kinderen berustte derhalve bij de verdachte. Bij beschikking van de rechtbank is een omgangsregeling vastgesteld, welke beschikking in 2006 door het hof in hoger beroep is bekrachtigd. Omdat de effectuering van de omgangsregeling naar het inzicht van de vader door de verdachte is gefrustreerd heeft de voorzieningenrechter op vordering van de vader bij vonnis van 17 december 2010 de verdachte tot nakoming van die omgangsregeling veroordeeld, voor zover die regeling betrekking heeft op de omgang tussen de vader en [zoon 2]. In het bestek van dat kort geding is vastgesteld dat de zoon [zoon 1] van begin af aan en aanhoudend heeft geweigerd om contact met zijn vader te hebben. Die omstandigheid heeft de voorzieningenrechter blijkens dat vonnis mede ertoe gebracht de vordering tot nakoming voor zover betrekking hebbend op de geregelde omgang met [zoon 1] af te wijzen.

Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad of kunnen hebben op het niet-totstandkomen van de uitvoering van de met betrekking tot [zoon 1] vastgestelde omgangsregeling, zodat het hof met de raadsman van oordeel is dat het tenlastegelegde opzet op het onttrekken van [zoon 1] aan het gezag of opzicht van de vader niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Het hof zal de verdachte in zoverre vrijspreken van het haar ten laste gelegde.

Bespreking van een verweer en een overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van opzet bij de verdachte. De raadsman heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte de minderjarige zoon [zoon 2] niet "structureel bij de vader heeft weggehouden", maar dat zij slechts in voorkomende gevallen, waarin [zoon 2] aan haar te kennen gaf niet naar vader te willen, hem bij haar thuis heeft gelaten.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat geen sprake kan zijn van strafbare onttrekking aan het wettig gezag of opzicht indien die onttrekking tot een enkel incident en/of relatief korte tijdspanne beperkt is gebleven overweegt het hof dat dat standpunt geen steun vindt in het recht. Het hof verwerpt het verweer in zoverre.

Het hof overweegt voorts dat de verdachte en de vader in 2006 zijn gescheiden. Na de echtscheiding is het wettig gezag over hun beide minderjarige kinderen, [zoon 2] en [zoon 1] bij ieder van hen blijven berusten. Na de echtscheiding is - mede op verzoek van de verdachte - een omgangsregeling tot stand gekomen.

Die omgangsregeling houdt in dat de vader [zoon 2] en [zoon 1] de ene week op de zaterdag na de Griekse school tot ongeveer 20.00 uur en in de andere week van vrijdag na het avondeten tot zondag na het avondeten bij zich zal hebben, alsmede de helft van de schoolvakanties.

Blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep staat vast dat de verdachte niet steeds dat heeft gedaan wat nodig is voor de behoorlijke en stipte uitvoering van die regeling.

Zo heeft de verdachte bij gelegenheid van haar verhoor bij de politie onder meer verklaard dat de vader de kinderen tijdens de zomervakantie in 2008 niet bij zich heeft gehad, omdat de evengenoemde [zoon 1] stellig heeft geweigerd met zijn vader naar Kreta te gaan en [zoon 2] niet zonder zijn broer mee wilde gaan. De verdachte heeft toen na overleg met haar advocaat, haar huisarts, Bureau Jeugdzorg en haar ex-man - naar eigen zeggen - voor haar kind gekozen en beslist dat [zoon 2] in weerwil van de omgangsregeling en zonder instemming van de vader niettemin bij haar mocht blijven. Uit het verhoor blijkt voorts dat de verdachte in de meivakantie van 2009 de vader heeft bericht dat [zoon 2] bij haar bleef en dat hij [zoon 2] niet hoefde op te halen, omdat hij thuis wilde blijven omdat zijn tante en nichtje op bezoek waren. Uit de inhoud van het (politie)mutatierapport van zaterdag 20 februari 2010 blijkt voorts dat de verdachte [zoon 2] niet heeft meegegeven aan de vader omdat [zoon 2] een feestje had bij de buren waar hij niet wilde ontbreken.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte bij de hiervoor bedoelde gelegenheden telkens de beslissing heeft genomen om haar zoon [zoon 2] in zijn weigeringen te ondersteunen, en de vader in weerwil van de door de rechter vastgestelde omgangsregeling telkens de mogelijkheid heeft ontnomen de minderjarige [zoon 2] mee te nemen en bij zich te ontvangen, met gevolg dat de verdachte aldus doend en nalatend de minderjarige [zoon 2] telkens opzettelijk heeft onttrokken aan het aan de vader rechtens toekomende opzicht, tot de uitoefening waarvan hij telkens bevoegd en gerechtigd was. Aan de bewijsbeslissing staat niet in de weg dat de verdachte volgens haar verklaring bij haar doen en laten zich steeds heeft laten leiden door het door haar geduide belang van de minderjarige [zoon 2], erin bestaand dat het telkens zijn verklaarde wens en keuze zou zijn geweest liever niet naar zijn vader toe te gaan. Het hof heeft bij dit oordeel de jonge leeftijd van [zoon 2] mede betrokken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in de periode van 30 juni 2008 tot en met 24 februari 2010 in Nederland, telkens opzettelijk een minderjarige, te weten de zoon [zoon 2] (geboren op [1999]), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die het wettig over die minderjarige gestelde gezag desbevoegd mede over die minderjarige uitoefende (te weten het gezag van de vader van de minderjarige),

immers heeft verdachte daar toen op data en tijdstippen zoals genoemd in de omgangsregeling (beschikking van rechtbank Amsterdam d.d. 15 februari 2006, betrekking hebbende op de minderjarige met de gezaghebbende ouder, te weten de vader), de minderjarige niet afgegeven aan de vader en de vader niet in staat gesteld de minderjarige bij zich te ontvangen, en aldus de minderjarige telkens buiten bereik van die vader te houden, zulks terwijl die zoon [zoon 2] telkens beneden de twaalf jaren oud was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Geen oplegging van straf of maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het haar ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,- met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden schuldig verklaard zonder oplegging van straf.

Het hof acht het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd en overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte heeft zich op verschillende tijdstippen in de bewezen verklaarde periode in een ook overigens conflictueuze verhouding met haar ex-echtgenoot een door de rechter in het belang van de toen (erg) jonge zoon met zijn vader vastgestelde omgangsregeling veronachtzaamd door daaraan niet steeds behoorlijk mee te werken.

Hoewel moet worden vooropgesteld dat de verdachte in het belang van haar zoon gehouden is tot het geven van de nodige medewerking aan de vastgestelde omgangsregeling van die zoon met zijn vader, is zonneklaar dat het voor de verdachte in voorkomende gevallen - gelet op alle in het spel zijnde belangen - niet steeds eenvoudig is geweest om aan die regeling gehoor te geven. De verdachte heeft in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep geschetst dat zij het heeft beleefd alsof zij tussen drie vuren heeft gezeten, erin bestaand dat een oudere zoon ieder contact met zijn vader afwijst, terwijl de jongere zoon in het bestek van de omgangsregeling met tegenzin op zaterdag de Griekse school bezoekt en geconfronteerd met een boze ex-echtgenoot die erop heeft gestaan dat de omgangsregeling strikt wordt nageleefd. Het hof onderkent dat dit schipperen door de verdachte vooral ervan getuigt dat zij gegeven de omstandigheden heeft getracht het beste ervan te maken, en niet is gebleken dat het haar erom te doen is geweest een eigen koers te varen, met voorbijgaan aan een rechterlijke beslissing waarbij een omgangsregeling is vastgesteld.

Het hof gaat bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel ervan uit dat - behoudens de bewezen geachte feiten - de uitvoering van de omgangsregeling thans regelmatig verloopt.

Zo bezien en gelet op al hetgeen in het onderhavige geval is komen vast te staan heeft zich aan het hof de vraag opgedrongen naar de opportuniteit van de tegen de verdachte ingestelde strafvervolging, welke vervolging naar de aard daarvan een zwaar middel is en waarvan de effectiviteit in gevallen als hier aan de orde - gelet op al de in het geding zijnde belangen - bepaald niet op voorhand gegarandeerd lijkt te zijn.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 april 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof bepalen dat geen straf zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.M. Steinhaus en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 april 2012.