Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4392

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
23-000929-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3380, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldwitwassen: geld afkomstig uit enig misdrijf:

Er is sprake van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1, sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat het geld dat de verdachte van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als ‘afkomstig uit enig misdrijf’, als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000929-09

datum uitspraak: 27 maart 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 12 februari 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-501094-05 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

12 februari 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 18 juli 2011 en 13 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van 70.000 euro en/of 350 euro heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt nu het tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

De criminele herkomst van het geld kan niet worden vastgesteld. Weliswaar is er sprake geweest van een vorm van Hawala-bankieren, waarbij zonder vergunning geldtransacties worden verricht, maar dat brengt nog niet mee dat gelden die op deze manier worden ingezameld en overgemaakt per se van een misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankieren is strafbaar, maar het levert geen witwassen op. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 29 april 2008 (LJN BD2799) en naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2008 (LJN BC9951). De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verdachte een verklaring heeft gegeven voor het overdragen van het geld op een ongebruikelijke plaats, te weten een parkeerplaats, namelijk dat dit voor de verdachte beter uitkwam in verband met zijn werk in verschillende plaatsen in het land. Voorts heeft de verdachte openlijk over het geld gesproken met de accountant en diens secretaresse van [bedrijf A] Vastgoed B.V. en heeft hij navraag gedaan bij de directeur van de moedermaatschappij [bedrijf A], met wie hij bevriend was. Indien er al sprake was van geld dat van een misdrijf afkomstig was heeft de verdachte dit niet geweten en hoefde hij dit ook niet te weten. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] binnen het bedrijf [bedrijf B]de facto een kantoor hield gericht op het verrichten van geldtransacties. Bij dit kantoor konden mensen in Nederland bedragen storten die door of vanwege de verdachte op de één of andere wijze in Suriname terecht kwamen. In het kader van deze geldtransacties werden één à twee keer per week al dan niet grote bedragen geld die in die week waren verzameld, door [medeverdachte] gebundeld en via een derde – in deze de verdachte – afgestort bij een bank ten behoeve van een rekening van een in Suriname gevestigd bedrijf, te weten [bedrijf A] Vastgoed B.V.

Medeverdachte [medeverdachte] verrichtte deze handelingen zonder dat aan hem of aan [naam persoon ] in wiens opdracht [medeverdachte] naar eigen zeggen deze handelingen verrichtte, daartoe een vergunning was afgegeven. Zij hebben zich daarbij gerealiseerd - of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans daartoe aanvaard – dat een dergelijke vergunning wel nodig was voor deze activiteiten. Het hof leidt daaruit af dat sprake is van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1, sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komen onvoldoende aanwijzingen naar voren dat het geld dat [medeverdachte] van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. [medeverdachte] heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als ‘afkomstig uit

enig misdrijf’, als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen.

De verdachte heeft zich met de geldtransacties bemoeid door het door [medeverdachte] verzamelde geld in ontvangst te nemen en af te storten op een rekening van [bedrijf A] Vastgoed B.V., voor welke werkzaamheden de verdachte per keer 0,5% of 1% van het af te storten bedrag als beloning mocht claimen. Het hof is van oordeel dat de van hem verlangde verrichtingen met aanzienlijke geldbedragen en tegen, desgewenst, een beloning, gelet op de schijn van illegaliteit, bij de verdachte redelijkerwijs het vermoeden hadden moeten wekken dat de herkomst van deze gelden niet in orde zou kunnen zijn. Onder de noemer “illegale herkomst” valt naar het oordeel van het hof ook, zoals hiervoor is overwogen, de omstandigheid dat op zichzelf onverdacht geld is gestort bij een illegaal geldtransactiekantoor en vandaar weer wordt doorgestort naar een op zichzelf onverdacht bedrijf. De verdachte had zich daarbij niet mogen beperken tot het doen van navraag aan de ontvangende kant van het proces, te weten [bedrijf A], maar had ook nader dienen te verifiëren of aan de herkomst van het geld geen smet kleefde, zoals gebleken is dat het geval was. De verdachte is in zoverre nalatig geweest het benodigde onderzoek te doen om zich ervan te vergewissen dat het geld niet van enig misdrijf afkomstig was. Niet is gebleken dat hem van deze nalatigheid geen enkel verwijt kan worden gemaakt, zodat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld in deze. Gelet op de navraag die de verdachte wel heeft gedaan en op grond waarvan hij tot de – achteraf fout gebleken - conclusie is gekomen dat er geen sprake was van geld met een criminele herkomst, is het hof van oordeel, anders dan de advocaat-generaal en de rechter in eerste aanleg, dat er geen sprake is geweest van opzet bij de verdachte, ook niet in voorwaardelijke vorm.

Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde opzetwitwassen, maar dat er wel sprake is van schuldwitwassen door de verdachte.

De raadsman heeft bij gelegenheid van dupliek een nader verzoek tot het horen van getuigen gedaan, voor het geval het hof in raadkamer zou neigen naar een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, omdat de verdachte de legale herkomst – voordat het geld bij [bedrijf B] werd gebracht - en besteding van het bij hem aangetroffen geld niet voldoende zou hebben onderbouwd, dan wel aannemelijk gemaakt.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het – impliciet subsidiair – ten laste gelegde schuldwitwassen op grond van de omstandigheid dat het geld dat de verdachte voorhanden had afkomstig was van het misdrijf van het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor en niet omdat het enige legale herkomst van het geld vóórdat het was afgegeven in het bedrijf [bedrijf B] of enige legale besteding van dat geld ná aankomst in Suriname in twijfel trekt. Gelet hierop is er geen noodzaak de door de verdediging voorgestelde getuigen te horen, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het – impliciet subsidiair - ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van 70.000 euro en 350 euro voorhanden heeft gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte ter zake van opzetwitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van opzetwitwassen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en, gelet op het tijdsverloop, tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen geldbedragen van EUR 70.000,- en EUR 350,- worden verbeurd verklaard en dat de overige in beslag genomen goederen aan de verdachte worden terug gegeven.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van een bedrag van EUR 70.000,- en een bedrag van EUR 350,- door een geldtransactiekantoor behulpzaam te zijn dat zonder vergunning opereerde. Het bestaan van illegale geldtransactiekantoren belemmert de overzichtelijkheid van het financiële verkeer en werkt het witwassen van geld met een criminele herkomst in de hand. Door zijn handelingen heeft de verdachte daarom bijgedragen aan het schade toebrengen aan de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 maart 2012 is de verdachte alleen eerder ter zake van verkeersovertredingen veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 63 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Spreekt de verdachte vrij van het – impliciet – primair ten laste gelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het – impliciet – subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een geldbedrag van EUR 70.000,- en een geldbedrag van EUR 350,-.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van EUR 67,98

- een geldbedrag van EUR 942,65

- een geldbedrag van EUR 5.000,-

- een geldbedrag van EUR 600,-

- een geldbedrag van EUR 10,-

- een doos, kleur: bruin, inhoudende stortingsbewijs [bank]

- een plastic zak met lege afstortingszakjes

- een gele enveloppe met twee afgewerkte stortingsbewijzen

- een brief van de gerechtsdeurwaarder

- een door, kleur: wit, inhoudende stortingsbewijzen

- diverse administratieve bescheiden

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. P.C. Kortenhorst en mr. P.A.M. Hoek, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 maart 2012.

Mrs. J.L. Bruinsma en P.C. Kortenhorst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.