Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4380

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
23-000930-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen: geld afkomstig uit enig misdrijf:

Er is sprake van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1, sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat het geld dat de verdachte van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als ‘afkomstig uit enig misdrijf’, als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000930-09

datum uitspraak: 27 maart 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 12 februari 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-634067-05 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

adres: [adres], [woonplaats] [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

12 februari 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 18 juli 2011 en 13 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van 70.000 euro en/of 350 euro heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt, nu het tot een andere bewijsconstructie en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van witwassen, nu nergens uit blijkt dat de door de verdachte van bezoekers aan de winkel ontvangen bedragen van een misdrijf afkomstig zijn. Weliswaar werden de aldus door de verdachte verkregen geldbedragen aan de medeverdachte [medeverdachte] overgedragen onder ongebruikelijke omstandigheden, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. De verklaring voor deze omstandigheden is namelijk dat het hier ging om een vorm van alternatief bankieren; bankieren buiten de reguliere banken om, op basis van vertrouwen. De verdachte en zijn opdrachtgever [naam persoon 1] hadden hier geen vergunning voor, dat is ook de reden van hun geheimzinnige gedrag en voor het feit dat er niet over de telefoon over geld gesproken mocht worden. Nu er geen bewijs is voor de stelling dat de door [verdachte] aan [medeverdachte] overgedragen geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, moet de verdachte van het ten laste gelegde worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat [verdachte] binnen het bedrijf [bedrijf B] de facto een kantoor hield gericht op het verrichten van geldtransacties. Dat dit eigenlijk een bezigheid van de broers [naam persoon 1] was doet hieraan niet af, aangezien het de verdachte was die bij afwezigheid van deze broers en/of omdat[naam persoon 2] niet kon lezen of schrijven de benodigde werkzaamheden verrichtte. Bij dit kantoor konden mensen in Nederland bedragen storten die door of vanwege de verdachte op de één of andere wijze in Suriname terecht kwamen. In het kader van deze geldtransacties werden één à twee keer per week al dan niet grote bedragen geld die in die week waren verzameld, door de verdachte gebundeld en via een derde – in deze de medeverdachte [medeverdachte] – afgestort bij een bank ten behoeve van een rekening van een in Suriname gevestigd bedrijf, te weten [bedrijf A]Vastgoed B.V.

De verdachte verrichtte deze handelingen zonder dat aan hem of aan[naam persoon 1], in wiens opdracht de verdachte naar eigen zeggen deze handelingen verrichtte, daartoe een vergunning was afgegeven. Zij hebben zich daarbij gerealiseerd - of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans daartoe aanvaard – dat een dergelijke vergunning wel nodig was voor deze activiteiten. Het hof leidt daaruit af dat sprake is van opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen blijkens artikel 1, sub 2, van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat het geld dat de verdachte van de klanten ontving van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft het geld echter voorhanden gekregen door middel van het opzettelijk begaan van voormeld misdrijf, het zonder vergunning voeren van een geldtransactiekantoor. Daardoor is dit geld aan te merken als ‘afkomstig uit enig misdrijf’, als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. De, met het in het kader van de geldtransacties ontvangen geld, verrichte handelingen, te weten het bundelen, overdragen en afstorten van het geld, zijn, naar het oordeel van het hof derhalve vormen van witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2005, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten geldbedragen van 70.000 euro en 350 euro voorhanden heeft gehad en overgedragen, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en, gelet op het tijdsverloop, tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een bedrag van EUR 70.000,- en een bedrag van EUR 350,- door als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn zonder daarvoor een vergunning te hebben. Door aldus te handelen heeft de verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer geschaad. Bovendien werken illegale geldtransactiekantoren het witwassen van geld met een criminele herkomst in de hand.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 maart 2012 is de verdachte niet eerder onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst weer met soortgelijke activiteiten bezig te houden. Voor het daarnaast opleggen van een werkstraf ziet het hof in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van EUR 100,-

- een geldbedrag van EUR 500,-

- een geldbedrag van EUR 120,-

- een geldbedrag van EUR 200,-

- een geldbedrag van EUR 10,-

- een blauwe ordner met correspondentie

- een zwart schrift met omzetbedragen

- een blocnote met aantekeningen over bedragen

- diverse visitekaartjes en telefoonnummers

- twee [bank]bankpassen, rekeningnummer [rekeningnummer] en [rekeningnummer 2]

- kaarten met opschrift: [naam persoon 1]en rekeningnummers

- een volmacht voor mevrouw [naam persoon 3]en internetuitdraai

- kladadministratie d.d. 14 juni 2005

- brief uitbetaling 597

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. P.C. Kortenhorst en mr. P.A.M. Hoek, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 maart 2012.

Mrs. J.L. Bruinsma en P.C. Kortenhorst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.