Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4378

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
23-001049-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen: groot geldbedrag onder kleding op Schiphol. Vrijspraak.

De door de verdachten gegeven verklaring voor de herkomst van het geld is niet zo onwaarschijnlijk dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld. Het hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het op grond van de feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof ziet in de inhoud van het dossier in samenhang met hetgeen door de officier van justitie in eerste aanleg en door de advocaat-generaal in hoger beroep is aangevoerd voorts onvoldoende aanknopingspunten om – ambtshalve – tot het oordeel te komen dat het onder de verdachten in beslag genomen geld afkomstig is van enig (fiscaal) misdrijf, daaronder begrepen enig handelen in strijd met douanebepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001049-10

datum uitspraak: 27 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 18 februari 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-810239-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1941,

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

4 februari 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 07 juli 2008, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) EURO 133.100,00, in elk geval enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten bovengenoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt, nu het tot een vrijspraak van het ten laste gelegde feit komt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat EUR 33.000,- van het bij de verdachte en de medeverdachte [echtgenoot verdachte] in beslaggenomen geldbedrag van EUR 133.100,- aan de verdachte [echtgenoot verdachte] wordt teruggegeven en dat het in beslaggenomen geldbedrag voor het overige verbeurd wordt verklaard.

Vrijspraak

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het volgende worden vastgesteld.

De verdachte [echtgenoot verdachte] is op 7 juli 2008 op Schiphol aangehouden met onder zijn kleding een bedrag van EUR 97.850,- in biljetten van elk EUR 500,-. Zijn vrouw, de verdachte [verdachte], is op bovengenoemde plaats en datum eveneens aangehouden. Zij had in een schort onder haar kleding een bedrag van EUR 35.250,-. De verdachten hebben, hoewel daartoe verplicht, deze bedragen niet aangegeven bij de douane. Gevraagd naar de herkomst en de bestemming van het geld hebben de verdachten verklaard dat zij dit geld zelf hebben gespaard en altijd bij zich dragen. Het geld zou onder meer afkomstig zijn van een uitkering die de medeverdachte [echtgenoot verdachte] in het verleden heeft gekregen wegens een bedrijfsongeval waardoor hij aan zijn arm gewond is geraakt en van een verzekeringsuitkering wegens diefstal. Verder zouden de verdachte en haar medeverdachte regelmatig geld van hun kinderen krijgen en zeer zuinig leven. Zij dragen dit geld onder hun kleding om het tegen diefstal te beschermen. De verdachten hebben verklaard dat zij altijd al hun geld meenemen wanneer zij op vakantie naar Marokko gaan en dat zij niet wisten dat zij dit aan moesten geven bij de douane, nu zij beiden analfabeet zijn. De verdachten hebben voorts verklaard hun geld niet op de bank te sparen, omdat zij moslim zijn en hierover geen rente willen ontvangen en zij vinden het veiliger om hun geld altijd bij zich te houden.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geldbedrag dat de verdachten bij zich droegen. Gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is echter, naar het oordeel van het hof, wel sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Als gevolg hiervan mag van de verdachten worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van het geld. Zij dienen hiertoe concrete, min of meer verifieerbare gegevens te verschaffen die van belang zijn om aan hun stellingen een begin van geloofwaardigheid te verlenen.

Het hof is van oordeel dat de door de verdachten gegeven verklaring voor de herkomst van het geld niet zo onwaarschijnlijk is dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld. Dat de medeverdachte [echtgenoot verdachte] in het verleden een substantiële schadevergoeding heeft ontvangen in verband met een bedrijfsongeval en dat er een verzekeringsuitkering is geweest omdat zij het slachtoffer zijn geworden van een diefstal, is juist gebleken. Het hof is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het op grond van de feiten en omstandigheden die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof ziet in de inhoud van het dossier in samenhang met hetgeen door de officier van justitie in eerste aanleg en door de advocaat-generaal in hoger beroep is aangevoerd voorts onvoldoende aanknopingspunten om – ambtshalve – tot het oordeel te komen dat het onder de verdachten in beslag genomen geld afkomstig is van enig (fiscaal) misdrijf, daaronder begrepen enig handelen in strijd met douanebepalingen.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van EUR 35.150,- bestaande uit:

54 biljetten van EUR 500,-

13 biljetten van EUR 200,-

32 biljetten van EUR 100,- (door de bank 1 biljet minder geteld, dus 31 biljetten van EUR 100,-)

47 biljetten van EUR 50,-

1 biljet van EUR 20,-

7 biljetten van EUR 10,-

2 biljetten van EUR 5,-.

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. P.C. Kortenhorst en mr. P.A.M. Hoek, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 maart 2012.

Mrs. J.L. Bruinsma en P.C. Kortenhorst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.