Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4039

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
11/00090 t/m 11/00095
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het eerst ter zitting in hoger beroep aanvoeren van grieven tegen een op grond van de Wet waardering onroerende zaken genomen beschikking leidt tot een niet-ontvankelijkverklaring van dat hogere beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:70, geldigheid: 2012-04-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1187
FutD 2012-1298
V-N Vandaag 2012/1180
Belastingblad 2012/301

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00090, 11/00091, 11/00092, 11/00093, 11/00094 en 11/00095

19 april 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 10/2560, AWB 10/3070, AWB 10/3071, AWB 10/3072, AWB 10/3073 en AWB 10/3075 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Edam-Volendam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2010 de volgende aanslagen opgelegd en de volgende waardebeschikkingen bekendgemaakt met als waardepeildatum 1 januari 2009.

Biljet met aanslagnummer 2010000011291:

aanslag onroerende-zaakbelasting eigenaar ter zake van a-straat 1a;

aanslag rioolheffing eigenaar ter zake van a-straat 1a;

aanslag onroerende-zaakbelasting eigenaar ter zake van a-straat 2;

waardebeschikkingen voor de onroerende zaken a-straat 1 en a-straat 3.

Biljet met aanslagnummer 2010000013333:

aanslag onroerende-zaakbelasting eigenaar ter zake van a-straat 1;

aanslag afvalstoffenheffing ter zake van a-straat 1;

aanslag rioolheffing eigenaar ter zake van a-straat 1;

waardebeschikking voor de onroerende zaak a-straat 1.

1.2. Na gemaakt bezwaar tegen de opgelegde aanslagen heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken, gedagtekend 8 april 2010, de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 28 december 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 7 februari 2011, aangevuld bij brief van 4 april 2011. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Op 5 maart 2012 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijkertijd met het onderzoek ter zitting in de procedure met kenmerk 11/00096, plaatsgevonden op 15 maart 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.3 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’.

2.1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onder 1.1 genoemde drie adressen die moeten worden aangemerkt als onroerende zaken in de zin van de Verordening onroerendezaak-belastingen 2010 van de gemeente Edam-Volendam.

2.2. De onroerende zaken a-straat 1 en 1a zijn tevens percelen in de zin van de Verordening rioolheffing 2010 van de gemeente Edam-Volendam en aangesloten op de gemeentelijke riolering.

2.3. De onroerende zaak aan de a-straat 1 is tevens perceel in de zin van de Verordening reinigingsheffingen van de gemeente Edam-Volendam, waarvoor een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In geschil is of de aan belanghebbende opgelegde aanslagen rechtmatig zijn.

3.2. Zakelijk weergegeven stelt belanghebbende zich evenals bij de rechtbank op het standpunt dat de gemeente Edam-Volendam moet worden aangemerkt als een criminele organisatie. Aan een dergelijke organisatie mag volgens belanghebbende niet worden betaald. De schade van de brand in café ’t Hemeltje op 1 januari 2001 wordt door belastingverhoging verhaald op de burgers. Dit is volgens belanghebbende verboden. Pas nadat de ambtelijk verantwoordelijken voor de brand zijn gestraft, is hij bereid de hem opgelegde aanslagen te voldoen.

4. Beoordeling van het geschil

De waardebeschikkingen

4.1. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het alleen om gemeentelijke belastingen gaat, terwijl het ook over de WOZ-waarden gaat. Het Hof acht het oordeel van de rechtbank dat zij het beroepschrift aldus begrijpt dat belanghebbende de waardebeschikkingen niet betwist, juist. Belanghebbende heeft tegen de waardebeschikkingen geen bezwaar ingediend en de heffingsambtenaar heeft dan ook geen uitspraak gedaan op een bezwaar tegen deze beschikkingen. De door belanghebbende bij de rechtbank ingediende stukken bevatten geen klachten die betrekking hebben op de waardebeschikkingen. Het Hof zal het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de waardebeschikkingen, niet ontvankelijk verklaren.

De aanslagen

4.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de schade van de brand in café ’t Hemeltje ten onrechte wordt verhaald op de burger door middel van een verhoging van de gemeentelijke belastingen. Niet gesteld of gebleken is dat voor het onderhavige belastingjaar de tarieven van rioolheffing of afvalstoffenheffing zodanig zijn vastgesteld dat de voor ieder van deze belastingen geldende wettelijke begrenzingen van de opbrengst zijn overschreden. Daarnaast is de gemeenteraad bevoegd om de tarieven van de onroerende-zaakbelastingen vast te stellen en niet gesteld of gebleken is dat de hoogte van deze tarieven in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel dan wel dat de gemeenteraad is getreden buiten de grenzen van de vrijheid die de gemeentewet hem bieden. De klachten van belanghebbende, voor zover deze hiertegen zijn gericht, falen.

4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de aanslagen niet mag betalen omdat de belastingen zouden worden geheven door een criminele organisatie. Hieromtrent overweegt het Hof als volgt. Het Hof is in deze procedure slechts bevoegd te oordelen of de aanslagen door de heffingsambtenaar zijn opgelegd in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en indien dit het geval is of een beroep van belanghebbende dat sprake is van handelen in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur, slaagt. De heffingsambtenaar heeft de aanslagen opgelegd in overeenstemming met de bepalingen van de tot de gedingstukken behorende verordeningen en aanwijzingsbesluiten. Belanghebbende heeft geen bewijs geleverd van feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. De aanslagen zijn daarom terecht opgelegd. Voor zover belanghebbendes grief een vordering tot opschorting van de verplichting tot betaling van de aanslagen inhoudt, is het Hof niet bevoegd daarover te oordelen omdat de invordering van belastingaanslagen een aangelegenheid is die aan de rechter in civiele zaken is voorbehouden.

4.4. Ook hetgeen overigens door belanghebbende is aangevoerd, kan niet tot gegrond verklaring van het beroep leiden.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betreft de waardebeschikkingen en dat het ongegrond is voor zover het betreft de in geding zijnde aanslagen. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft de waardebeschikkingen.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter van de belastingkamer, A.D.R.M. Boumans en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan, als griffier. De beslissing is op 19 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.