Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW3669

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
106.006.086-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing van verzoek om heropening van de procedure op de voet van art. 382 Rv, nu de gemeente in de eerdere procedure stukken van beslissende aard heeft achtergehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/289

Uitspraak

zaaknummer 106.006.086/02

24 april 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonende te [ C ], gemeente [ H ],

APPELLANT,

advocaat: mr. H.J.M. van Schie te Schiphol-Rijk,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HAARLEMMERMEER,

zetelende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.M. van de Laar te Haarlem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [ Appellant ] en de gemeente.

1. Het procesverloop

1.1 Bij dagvaarding van 26 juli 2010 heeft [ Appellant ] herroeping gevorderd van het arrest van dit hof van

10 februari 2009 met zaaknummer 106.006.086/01, en vernietiging van het daaraan voorafgegane vonnis van de rechtbank Haarlem van 30 augustus 2006, met veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure. Voorts heeft [ Appellant ] gevorderd dat de gemeente zal worden veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 299.600,-- of enig ander bedrag, wegens in de procedure gepleegd bedrog.

1.2 De gemeente heeft een conclusie van antwoord genomen, met conclusie tot afwijzing van de vordering tot herroeping, met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van de procedure.

1.3 [ Appellant ] heeft een conclusie van repliek genomen, waarbij hij tevens heeft gevorderd dat de gemeente op grond van art. 22 Rv wordt bevolen een aantal stukken in het geding te brengen.

1.4 De gemeente heeft een conclusie van dupliek genomen.

1.5 Partijen hebben ter zitting van het hof op 7 februari 2012 hun zaak mondeling doen bepleiten, [ Appellant ] door mr. H.J.M. van Schie te Schiphol-Rijk en de gemeente door

mr. B.P. van Overeem te Haarlem, beide partijen onder overlegging van pleitnotities.

1.6 Tenslotte hebben partijen om arrest gevraagd.

2. De beoordeling

2.1 [ Appellant ] vordert in de onderhavige procedure op de voet van art. 382 Rv herroeping van het arrest dat dit hof gewezen heeft op 10 februari 2009. Hij stelt daartoe dat de gemeente in die procedure (1) bedrog heeft gepleegd, en (2) hij na de procedure stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen, die door toedoen van de gemeente waren achtergehouden.

2.2 De centrale stelling van [ Appellant ] in de procedure die geleid heeft tot het arrest van 10 februari 2009, was dat hij - op onrechtmatige wijze - is tegengewerkt door de gemeente bij zijn plannen tot ontwikkeling van een erotisch uitgaanscentrum City4Love. Daarbij heeft hij gesteld dat de gemeente hem heeft achtergesteld ten opzichte van andere ontwikkelaars, en dat de gemeente hem heeft benadeeld, waar zij andere ontwikkelaars (soms gerelateerd aan de gemeente) bevoordeelde.

[ Appellant ] heeft de gestelde tegenwerking in een aantal substellingen uitgewerkt. Van die substellingen draait het thans, zo begrijpt het hof uit de dagvaarding waarin [ Appellant ] herroeping vordert, om hetgeen zich heeft afgespeeld bij grondtransacties op locatie(s) De Liede.

Het hof zal zich bij zijn beoordeling derhalve hierop richten.

2.3 Het hof is in zijn arrest van 10 februari 2009 van de volgende feiten in de kwestie De Liede uitgegaan.

(a) [ Appellant ] heeft verschillende locaties in de gemeente op het oog gehad, die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor de vestiging van City4Love. Daartoe behoorden onder meer De Liede, Wilhelminahoeve en A4 Brugrestaurant.

(b) Rond november 2000 heeft [ Appellant ] een koopoptie gekregen op een aantal gronden gelegen in De Liede.

(c) Op 15 maart 2001 heeft [ Appellant ] de gronden in De Liede aangekocht.

(d) Kort daarvoor, op 27 februari 2001, had de gemeente beslist dat locatie De Liede niet haalbaar was als vestigingslocatie voor het uitgaanscentrum. De gemeente heeft hem dit in april 2001 medegedeeld.

Voorts leidt het hof uit de stukken van de eerdere procedure af dat zijdens [ Appellant ] was gesteld en zijdens de gemeente niet was weersproken:

(e) Nadat derden, de projectontwikkelaars Dura Vermeer en Meerschip (tezamen aangeduid als DVM) belangstelling toonden voor deze gronden, heeft [ Appellant ] op 22 oktober 2003 een koopoptie voor de gronden aan DVM afgegeven voor een prijs van € 40,-- per m2. Een week later, op 29 oktober 2003, heeft DVM de koopoptie opgezegd.

Kort daarna heeft de gemeente de gronden van [ Appellant ] op locatie De Liede aangekocht voor een bedrag van € 20,-- per m2. Deze gronden zijn op 17 maart 2004 in eigendom overgedragen aan de gemeente

2.4 In de eerdere procedure heeft [ Appellant ] met betrekking tot de kwestie De Liede in essentie de volgende verwijten aan de gemeente gemaakt (MvG punt 118).

2.5.1 Het eerste verwijt van [ Appellant ] is dat hoewel de gemeente reeds in februari 2011 had besloten dat De Liede geen geschikte locatie was voor vestiging van City4Love, zij dit pas ná zijn aankoop van gronden op locatie De Liede, aan hem heeft meegedeeld (grief IV).

2.5.2 De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat door de wethouder aan [ Appellant ] te kennen is gegeven dat hij geen ja of nee kon zeggen op de vraag of de plannen van [ Appellant ] op locatie De Lieden zou kunnen worden gerealiseerd en dat [ Appellant ] op eigen risico de gronden in De Liede heeft aangekocht (MvA punt 6.17 en 6.18)

Voorts heeft de gemeente gesteld dat zij niet op de hoogte was van de voornemens tot de percelen van [ Appellant ] op locatie De Liede (MvA punt 123).

2.5.3 Het hof heeft in zijn arrest van 10 februari 2009 overwogen dat [ Appellant ] niet heeft betwist dat de gemeente niet wist dat hij op betreffende gronden een optie had en evenmin ervan op de hoogte was dat die optie op 15 maart 2001 afliep (r.o. 3.13.2)

Verder heeft het hof overwogen dat uit de eigen woorden van [ Appellant ], als neergelegd in een brief van 21 november 2001, volgt dat [ Appellant ] wist dat het onduidelijk was of hij de op de onderhavige gronden zijn plannen kon realiseren (r.o. 3.13.3). Op deze gronden heeft het hof het verwijt ongegrond geacht.

2.6.1 Het tweede verwijt is dat de gemeente de planontwikkeling ten behoeve van (algemene) bedrijfsvestiging heeft vertraagd in de periode van maart 2001 tot februari 2004, de periode dat de gronden op de locatie in eigendom waren bij [ Appellant ] (grief V). Volgens [ Appellant ] was de gemeente aanvankelijk in de veronderstelling dat DVM eigenaar van de gronden was en was zij toen bereid zich in te spannen voor een bestemmingswijziging. Op het moment dat de gemeente zich realiseerde dat [ Appellant ] eigenaar was, heeft zij herziening van het bestemmingsplan op de lange baan geschoven (MvG punt 151).

2.6.2 De gemeente heeft ontkend dat zij zich bij de planontwikkeling heeft laten leiden door de vraag wie er eigenaar was van de gronden. Volgens de gemeente behoorde bestemmingswijziging niet tot de mogelijkheden, omdat die mogelijkheid niet in het Streekplan was opgenomen (MvA punt 6.22).

2.6.3 In zijn arrest van 10 februari 2009 heeft het hof geoordeeld dat de gemeente overtuigend heeft aangetoond dat, omdat in het Streekplan de mogelijkheid tot ontwikkeling van een laagwaardig bedrijven terrein op locatie De Liede niet was opgenomen en door de gemeente geen medewerking werd verleend, er geen reële mogelijkheden bestonden om de gewenste bestemmingswijziging voor de datum van het aflopen van de koopoptie per 1 november 2003 te realiseren (r.o. 3.14.2). Voorts heeft het hof overwogen dat het door [ Appellant ] aan de gemeente gemaakte verwijt dat de gemeente de bedoelde bestemmingsplanwijziging zou hebben vertraagd omdat zij ermee bekend werd dat niet DVM maar [ Appellant ] eigenaar was van de gronden en dat de gemeente onrechtmatig zou hebben gehandeld omdat zij bij het maken van ruimtelijke keuzes eigendom en eigendomsverhoudingen een rol zou hebben laten spelen, door [ Appellant ] op geen enkele wijze is gespecificeerd en onderbouwd.

2.7.1 Het derde verwijt is dat de gemeente onrechtmatig jegens [ Appellant ] heeft gehandeld door DVM, die een koopoptie op zijn gronden had, ertoe te bewegen af te zien van verwerving van die gronden, althans ten onrechte de voorwaarde te stellen dat de maximale prijs bij gronduitgifte € 100,-- per m2 mocht zijn. Met deze handelwijze heeft de gemeente de waarde van de gronden aangetast, wat ertoe heeft geleid dat DVM de koopoptie heeft opgezegd (grief VI).

2.7.2 De gemeente heeft hiertegenover aangevoerd dat zij niet DVM ertoe heeft bewogen om af te zien van verwerving van de gronden van [ Appellant ] (MvA punt 6.25). Voorts heeft de gemeente gesteld dat zij slechts kan gissen waarop het standpunt van DVM met betrekking tot de uitgifteprijs tot stand is gekomen. In ieder geval heeft de gemeente ontkend een maximale uitgifteprijs van € 100,-- per m2 te hebben vastgesteld (MvA punt 6.26 en 6.27). Volgens de gemeente is DVM een zelfstandige marktpartij, die zelfstandig beslissingen neemt met betrekking tot de door haar in te nemen grondposities (MvA punt 6.29).

2.7.3 Het hof heeft in zijn arrest van 10 februari 2009 geoordeeld dat het voorbijgaat aan de vraag of de gemeente al dan niet de desbetreffende voorwaarde aan DVM heeft gesteld, omdat - kort samengevat- het de gemeente vrijstaat om naar eigen inzicht beslissingen te nemen (r.o. 3.15.2).

2.8 Voorts heeft het hof nog overwogen dat het niet de overtuiging heeft bekomen dat de gemeente, zoals [ Appellant ] kennelijk meent, op alle mogelijke manieren de uitvoering van [ Appellant ]s plannen tot het oprichten van een erotisch uitgaanscentrum heeft willen frustreren cq. hem als projectontwikkelaar vergeleken met ander projectontwikkelaars op onrechtmatige wijze ongelijk heeft behandeld (r.o. 3.17.2).

2.9 Volgens [ Appellant ] heeft de gemeente stukken achtergehouden die van beslissende aard waren:

- de grondprijzennota 2003-2004 (deze is niet door hem in

het geding gebracht, omdat hij hier als

gemeenteraadslid een geheimhoudingsplicht heeft);

- de intentieovereenkomst van december 1999 met onder andere Dura Vermeer, ABN Amro [ Z ] en [ T ];

- de overeenkomst van 11 februari 2004 met [ M ] en AVV;

- de achtergehouden correspondentie tussen de gemeente en de vertegenwoordigers van [ E ], de heren [ G ] en [ F ] en [ M ].

Hiernaast heeft [ Appellant ] nog meer stukken in het geding gebracht die volgens hem ten onrechte door de gemeente zijn achtergehouden.

[ Appellant ] heeft deze stukken in handen gekregen door de beantwoording op 18 mei 2010 door het gemeentebestuur van vragen die in de gemeenteraad van Haarlemmermeer zijn gesteld door de door [ Appellant ] opgerichte politieke partij Sociaal Rechts Haarlemmermeer, alsmede door het verkrijgen van stukken van [P ] op 21 mei 2010.

2.10 Het hof stelt voorop dat door de gemeente niet is betwist dat [ Appellant ] in de eerdere procedure niet over de onder 2.9 genoemde stukken beschikte. Evenmin is betwist dat deze stukken niet zijn overgelegd en dat de daarin vervatte informatie niet door de gemeente in de eerdere procedure naar voren is gebracht. In zoverre is derhalve voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 382 Rv.

Intentieovereenkomst met Dura Vermeer en ontwikkelingskader De Liede

3.11 In de eerste plaats is van belang het onvermeld laten van het bestaan van de intentieovereenkomst, die in 1999 tot stand is gekomen tussen (1) de gemeente, (2) ABN AMRO Bank, (3) VEROM BV (hof: thans Dura Vermeer), (4) [ A ], (5) [ B ], (6) [ C ] Projectontwikkeling BV en (7) [ D ] Projectontwikkeling [ T ] BV (prod. 5 dagvaarding). In deze overeenkomst is neergelegd dat partijen 1, 2, 3, 6 en 7 de intentie hebben om gezamenlijk de ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein De Liede ter hand te nemen, en dat partijen 4 en 5 de intentie hebben om tot vervreemding van het bij het in eigendom zijnde terrein binnen het bedrijventerrein De Liede over te gaan. In de overeenkomst is tevens bepaald dat DHV een haalbaarheidsonderzoek uitvoert naar het bedrijventerrein, dat volgens de aangehechte planning in december 1999 gereed zal zijn, en dat de kosten voor 1/3 deel worden toegerekend aan partij 2 en 3. Voorts is vermeld dat bij gebleken haalbaarheid door DHV een referentiekader en vervolgens een bestemmingsplan voor De Liede zal worden opgesteld. Duidelijkheidshalve merkt het hof op dat het hier gaat om grond in De Liede Noord.

3.12 Naar 's hofs oordeel moet worden aangenomen dat het bestaan van deze overeenkomst voldoende relevant was voor de procedure die geleid heeft tot het arrest van het hof van 9 februari 2010, om te kunnen spreken van een stuk van beslissende aard als bedoeld in art. 382 sub c Rv.

Wanneer in aanmerking wordt genomen dat de gemeente reeds in 1999 met (onder andere) Dura Vermeer (destijds Verom) een intentieovereenkomst was aangegaan voor de ontwikkeling van De Liede Noord tot bedrijventerrein, volgt daaruit dat het standpunt van de gemeente, dat DVM een marktpartij was die zelf besliste over haar grondposities en dat zij [ Appellant ] niet heeft achtergesteld ten opzichte van andere ontwikkelaars, op zijn best de helft van het verhaal was. DVM had immers een contractuele relatie met de gemeente - zij het met betrekking tot het aanpalende gebied De Liede Noord -, waarmee niet kan worden volgehouden dat DVM geheel zelfstandig ten opzichte van de gemeente opereerde, zoals de gemeente het heeft voorgesteld. DVM had immers daarmee belang bij een goede samenwerking met de gemeente, zodat De Liede Noord tot ontwikkeling zou kunnen worden gebracht. DVM betaalde ook mee aan de ontwikkeling van het gebied.

Hierbij is ook van belang dat de gemeente streefde naar een integraal ontwikkelingsmodel voor ontwikkeling en inrichting van De Liede, waarbij zowel De Liede Noord, als De Liede Zuid en De Liede West als laagwaardig bedrijventerrein dienden te worden ontwikkeld. Dit uitgangspunt is neergelegd in het in de vorige procedure ook niet in het geding gebrachte 'Ontwikkelingskader De Liede' uit mei 2004 (prod. 6 dagvaarding, met name p. 5 en p. 30), en is bevestigd in de nota van B&W van 29 juni 2004 (prod. 7 dagvaarding). Daarmee is het maar de vraag of het strikt scheiden van de verschillende deelgebieden - zoals de gemeente thans doet - terecht is; op basis van de thans in het geding gebrachte informatie lijkt zulks niet het geval te zijn.

3.13 Met betrekking tot het stellen van een maximale uitgifteprijs van € 100,-- per m2, hetgeen voor DVM naar haar eigen zeggen (zie brief van 9 december 2003, prod. 6 CvA; in de eerdere procedure in het geding gebracht als prod. 12 MvG) reden was voor beëindiging van de contractuele relatie met [ Appellant ] (opzegging van de koopoptie op de gronden van [ Appellant ] in De Liede West), heeft de gemeente in de onderhavige procedure ten pleidooie gemeld "dat zij wel heeft gesteld dat je bij laagwaardige bedrijventerreinen waarschijnlijk niet meer dan € 100,-- per m2 kan krijgen". Met zoveel woorden heeft de gemeente daarmee thans aangevoerd - anders dan zij tot dan toe steeds had volgehouden - dat zij zich wel degelijk heeft uitgesproken over de hoogte van de uitgifteprijzen. Dit is niet aanstonds te verenigen met het in de vorige procedure steeds ingenomen standpunt dat de gemeente geen enkele bemoeienis had en kon hebben met uitgifteprijzen en dat zulks enkel een kwestie van marktwerking is.

In dit verband ligt toch ook de vraag voor wat de inhoud is van de grondprijzennota, waar de gemeente tot op heden geen informatie over heeft willen verschaffen, zodat door het hof in ieder geval niet de conclusie kan worden getrokken dat dit stuk niet van belang was voor de eerdere procedure. Meer in het bijzonder lijken gronden aanwezig voor het verwijt van [ Appellant ] aan de gemeente dat zij door zich uit te laten over de uitgifteprijs, DVM heeft bewogen af te zien van het inroepen van de koopoptie, waardoor [ Appellant ] zijn grond aan de gemeente heeft moeten verkopen.

Ontwikkelingsovereenkomst met [ M ]

3.14 Het gaat hier om een brief van 10 februari 2004, opgesteld door [ N ], hoofd sector economische zaken van de gemeente Haarlemmermeer, waarin is neergelegd de afspraak dat de gemeente met [ M ] een intentieovereenkomst aangaat voor de ontwikkeling - zo snel mogelijk - van De Liede Zuid (prod. 9 dagvaarding). Uit de brief blijkt tevens dat [ M ] nauw betrokken is bij het uitwerken van het 'Ontwikkelingskader De Liede', waarbij een deel van de kosten daarvan voor rekening van de ontwikkelende partijen (waaronder [ M ]) worden gebracht. De brief is voor akkoord ondertekend door [ T ] van projectontwikkelaar AVV en door [ M ].

[ M ] is een projectontwikkelaar, waarin [ S ] optreedt. [ S ] is een voormalig ambtenaar van de gemeente. Voorts treedt als adviseur op van [ M ] de heer [ Y ], die een voormalig wethouder is van de gemeente Haarlemmermeer. Uit een thans in het geding gebrachte brief van [ Y ] d.d. 5 november 2004 (prod. 16 dagvaarding) blijkt dat hij aanspraak maakt op 30% van het resultaat bij verkoop of overdracht van de gronden op locatie De Liede door partijen [ Z ] en [ T ].

Voorts blijkt uit een brief van 29 juli 2004 (prod. 10 dagvaarding) dat de betreffende kosten ad € 36.000,-- ook daadwerkelijk door de gemeente in rekening zijn gebracht bij [ M ].

3.15 Naar 's hofs oordeel geldt voor deze overeenkomst hetzelfde als voor de overeenkomst die de gemeente met Dura Vermeer en anderen heeft gesloten, namelijk dat hierdoor het standpunt van de gemeente, zoals zij dat steeds heeft ingenomen in de eerdere procedure tegenover het verwijt dat zij bepaalde relaties voortrekt, dat geen sprake was van andere marktpartijen die werden voorgetrokken ten opzichte van [ Appellant ], in een ander licht komt te staan. Daarom zijn deze stukken ook voldoende relevant om te worden aangemerkt als stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 sub c Rv. Uit de betreffende stukken blijkt namelijk in ieder geval dat de gemeente met betrekking tot locatie De Liede een ontwikkelingsovereenkomst had met een andere marktpartij, die zij liet meebetalen aan de ontwikkelingsplannen, waartegenover bij voorrang op De Liede Zuid ontwikkeling zou plaatsvinden, waar de betreffende marktpartij grondposities had. [ Appellant ] had hier geen weet van, terwijl, gelet op de samenhang tussen de deelgebieden De Liede, die wetenschap wel van belang was voor zijn eigen positie.

Voorts blijkt uit de betreffende stukken dat de betreffende partijen gelieerd zijn aan personen die eerst werkzaam waren bij de gemeente c.q. bestuurder waren bij de gemeente, althans dat de betreffende personen geld verdienden bij die marktpartijen, en dat zij (zo is te lezen in een brief van [ Z ] van 5 november 2004, prod. 16 dagvaarding) hun contacten bij de gemeente hebben aangewend ten gunste van de betreffende marktpartijen met betrekking tot de ontwikkeling van De Liede. Deze stukken, althans de daarin vervatte informatie, is ten onrechte achtergehouden door de gemeente, nu zij relevant zijn voor de beoordeling van het centrale verwijt van [ Appellant ], dat de gemeente hem heeft achtergesteld als ontwikkelaar, ten gunste van andere relaties.

Notitie [ naam ambtenaar ]

3.16 Voorts is door [ Appellant ] nog in het geding gebracht een notitie d.d. 4 juni 2003, opgesteld door ambtenaar [ naam ambtenaar ] van de Dienst Ruimte Wonen en Economie, sector Ruimtelijke Planvorming, van de gemeente Haarlemmermeer. Deze notitie, die is gericht aan eerder genoemde [ N ], begint als volgt: "Je hebt gevraagd naar het traject dat uitgezet dient te worden om het grondstuk van [ Appellant ] bij De Liede te bestemmen tot laagwaardig bedrijventerrein." Vervolgens wordt uiteengezet wat dat traject dan is. In de notitie zijn echter een aantal zinnen weggelakt, zodat niet duidelijk is wat de precieze strekking van de notitie is. De notitie is echter wel van belang, omdat mede op basis van deze notitie [ N ] op 5 juni 2003 een bespreking heeft gevoerd met [ Appellant ]. Dit gesprek is van betekenis, nu bij die gelegenheid door [ N ] aan [ Appellant ] is meegedeeld dat De Liede niet in aanmerking zou komen voor ontwikkeling in het algemeen en meer in het bijzonder niet voor de City4Love (zie gespreksverslag prod. 51 CvR). Volgens [ N ] hangt dit in hoofdzaak ermee samen, zo is in het gespreksverslag neergelegd, dat in het provinciale streekplan voor dit gebied een groene ontwikkeling is voorgeschreven. Voorts is vermeld dat de gemeente zal onderzoeken of de bereidheid bestaat de gronden van [ Appellant ] te verwerven tegen de geldende agrarische waarde.

[ Appellant ] heeft zich echter steeds op het standpunt gesteld - kort weergegeven - dat niet planologische beperkingen het beletsel waren voor ontwikkeling van De Liede Noord, maar het feit dat hij grondeigenaar was. Zolang dat het geval was, is hem te kennen gegeven dat er niets zal gebeuren met ontwikkeling van De Liede, zo heeft [ Appellant ] gesteld.

Door het weglakken van passages in de notitie van [ naam ambtenaar ] kan niet worden beoordeeld of [ Appellant ] hier een punt heeft. In ieder geval is wel te constateren dat het stuk zonder meer relevant is voor het verwijt dat [ Appellant ] hier maakte aan de gemeente en dat de gemeente dit stuk ten onrechte heeft achtergehouden in de eerdere procedure.

3.17 In reactie op de verwijten die [ Appellant ] aan de gemeente maakte in de eerste procedure, lag het zozeer op de weg van de gemeente om voornoemde stukken, waarover zij wel beschikte en [ Appellant ] niet, in het geding te brengen, dat geoordeeld moet worden dat de stukken door toedoen van de gemeente zijn achtergehouden.

Overige correspondentie en notities

3.18 [ Appellant ] heeft voorts nog een aantal stukken in het geding gebracht die betrekking hebben op [ E ], die ook een aantal percelen op De Liede in eigendom had.

Het hof kan de strekking van de betreffende stukken niet goed overzien, met name nu het grotendeels om notities gaat waarvan niet duidelijk is wie die heeft opgesteld en wat de status daarvan is. Het hof heeft derhalve niet kunnen vaststellen of hier sprake is van het achterhouden van stukken die van beslissende aard zijn.

Conclusie

3.19 Naar 's hofs oordeel heeft de gemeente stukken achtergehouden die als stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 Rv moeten worden aangemerkt.

Dit oordeel wordt mede ondersteund door de omstandigheid dat [ Appellant ] in alle processtukken in de eerdere procedure had aangegeven dat de gemeente informatie achterhield en zich niet transparant heeft opgesteld jegens [ Appellant ] (en anderen).

Voorts neemt het hof in aanmerking dat aanhoudende geruchten over mogelijke onregelmatigheden bij grondtransacties in de gemeente Haarlemmermeer - onder andere op locatie De Liede - aanleiding is geweest voor de gemeenteraad van Haarlemmermeer tot het instellen van een forensisch accountantsonderzoek naar alle grondtransacties die vanaf 1994 hebben plaatsgevonden in de gemeente. Dit onderzoek is uitgevoerd door Ernst & Young, die, na het onderzoek te hebben aangevangen, het college van B&W heeft verzocht om de opdracht tussentijds te beëindigen, omdat

"wij niet in kunnen staan voor de omvang en aard van het complex van feiten en omstandigheden dat in het onderzoek betrokken zal moeten worden", zulks mede tegen de achtergrond van lopende rechtszaken over de dossiers ‘Wilhelminahoeve’ en ‘De Liede’. Het onderzoek van Ernst & Young is daarop beëindigd door de gemeente.

3.20 Het hof zal derhalve op de voet van art. 387 Rv de procedure die heeft geleid tot het arrest van 10 februari 2009, heropenen. Het hof zal daartoe de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen - om te beginnen [ Appellant ] - een akte kan nemen tot het wijzigen en aanvullen van hun stellingen.

Het hof zal op die grond de procedure heropenen.

Aanvullende verzoeken [ Appellant ]

3.21 [ Appellant ] heeft verzocht de gemeente op de voet van art. 22 Rv te gelasten aanvullende stukken in het geding te brengen. Naar 's hofs oordeel dient [ Appellant ] dit verzoek te doen in de heropende procedure. Reeds nu merkt het hof op dat het voor de hand ligt dat de gemeente een exemplaar van de notitie [ naam ambtenaar ] in het geding brengt, zonder weggelakte regels, alsmede de grondprijzennota. Daarbij kunnen zonodig voorzieningen worden getroffen, ter voorkoming van het openbaar worden van dit stuk.

3.22 Ook het verzoek van [ Appellant ] om schadevergoeding zal worden afgewezen. De onderhavige procedure leent zich niet voor de vaststelling van enig bedrag aan schadevergoeding.

3.23 De gemeente zal als de in de onderhavige procedure in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten.

4. Beslissing

Het hof:

heropent de procedure die bij het hof aanhangig is geweest onder nummer 106.006.086/01 en heeft geleid tot het arrest van 10 februari 2009;

verwijst de zaak naar de rol van 22 mei 2012;

veroordeelt de gemeente in de kosten van de herroepingsprocedure en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [ Appellant ] op € 314,-- aan verschotten en € 2.682,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, R.H. de Bock en G.C.C. Lewin en in het openbaar uitgesproken op

24 april 2012 door de rolraadsheer.