Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW3585

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
200.103.496/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding / uitleg overeenkomst / huurovereenkomst of al dan niet opzegbare bruikleenovereenkomst / vordering tot afgifte van dressuurpaard toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [ APPELLANTE ],

2. [ APPELLANT ],

beiden wonend te [ A ],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. T.A. Phijffer te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRESSUUR- EN SPRINGSTAL DE IJZEREN MAN B.V.,

gevestigd te Weert,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Coevorden.

De appellanten worden hierna gezamenlijk [ Appellanten ] genoemd en afzonderlijk respectievelijk [ Appellante ] en [ Appellant ]. De geïntimeerde wordt hierna De IJzeren Man genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij dagvaarding van 29 november 2011 zijn [ Appellanten ] in beroep gekomen van het kortgedingvonnis met het nummer 502370 / KG ZA 11-1679 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft gewezen tussen hen als gedaagden en De IJzeren Man als eiseres (hierna: het vonnis) en dat is uitgesproken op 1 november 2011.

1.2 [ Appellant ] is de vader van [ Appellante ]. In eerste aanleg trad hij op voor zichzelf en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn toen minderjarige dochter. Op 17 januari 2012 is [ Appellante ] meerderjarig geworden, zodat zij nu zelfstandig partij bij deze procedure is.

1.3 [ Appellanten ] hebben bij memorie vier grieven geformuleerd en toegelicht, bescheiden in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal vernietigen en, alsnog, de vorderingen van De IJzeren Man zal afwijzen en haar in de kosten zal veroordelen.

1.4 Daarop heeft De IJzeren Man geantwoord en beschei¬den in het geding gebracht, met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [ Appellanten ] in de kosten met rente en nakosten.

1.5 De partijen hebben de zaak op 4 april 2012 doen bepleiten door hun respectieve advocaten. Dezen hebben hun pleitnotities aan het hof overgelegd. Bij die gelegenheid zijn door [ Appellanten ] verdere bescheiden in het geding ¬ge¬bracht.

1.6 Partijen hebben arrest gevraagd.

1.7 Ter zitting van 4 april 2012 heeft het hof in deze zaak mondeling uitspraak gedaan. Het volledige arrest is op 17 april 2012 ter beschikking gekomen.

2. Beoordeling

2.1 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat deze feiten ook het hof tot uitgangspunt dienen.

2.2 Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.2.1 [ X ] (hierna: [ X ]) was indirect enig aandeelhouder van De IJzeren Man. De IJzeren Man heeft de haar in eigendom toebehorende dekhengst “[ naam paard ]” (hierna: het paard) aan [ Appellante ] ter beschikking gesteld voor de beoefening van de dressuursport.

2.2.2 Op 14 april 2011 is een handgeschreven overeenkomst opgemaakt die het volgende inhoudt:

“(…) de IJzeren Man stelt ter beschikking van [ Appellante ] (…) het paard (…). De komplete verzorging en alle bijkomende kosten zullen door [ Appellante ] (…) gedragen worden zoals dierenarts, voeding, stalling hoefsmid transport training e.d.

De duur zal 6 maanden zijn mocht hij geblesseerd zijn zodat het paard niet meer op wedstrijden kan dan zal hij onmiddellijk terug gebracht worden en zij er over en weer geen kosten meer mogelijk, na 6 maanden dan zal op dezelfde voorwaarden doorgegaan worden zoals de eerste 6 maanden. Voor de verzorging zal een lijst gemaakt worden.”

De overeenkomst is door [ Appellant ] voor akkoord ondertekend voor [ Appellante ] en voor zichzelf. Zij hebben het paard twee dagen later opgehaald.

2.2.3 [ X ] is op 18 april 2011 overleden.

2.2.4 Na verkregen verlof heeft De IJzeren Man op 21 oktober 2011 conservatoir beslag gelegd op het paard. De advocaat van De IJzeren Man heeft [ Appellante ] en [ Appellant ] bij brief van 24 oktober 2011 -kort en zakelijk weergegeven- meegedeeld de huurovereenkomst ten aanzien van het paard op te zeggen en hen gesommeerd binnen 24 uur te bevestigen dat De IJzeren Man het paard kan ophalen. Als redengeving is in die brief onder meer vermeld dat [ Appellante ] het paard niet voor de wedstrijdsport gebruikt waardoor het reputatieschade lijdt en dat het paard op 5 november 2011 zal worden geveild. [ Appellanten ] hebben het paard niet afgegeven. Vervolgens heeft De IJzeren Man in dit kort geding de onmiddellijke afgifte van het paard gevorderd.

2.3 De voorzieningenrechter heeft –kort en zakelijk weergegeven- overwogen dat tussen partijen een gebruiks-overeenkomst bestaat (rov. 4.2), dat deze kan worden opgezegd, dat deze op 14 oktober 2011 stilzwijgend is verlengd voor zes maanden, dat de opzegging op 24 oktober 2011 is geschied, zodat de overeenkomst in ieder geval op 14 april 2012 eindigt (rov. 4.3). Op die grond heeft zij [ Appellant ] waarmee de voorzieningenrechter zowel [ Appellante ] als [ Appellant ] bedoelt veroordeeld (rov. 5.1) om het paard op 14 april 2012 af te geven aan De IJzeren Man, met bepaling van een dwangsom.

2.4 Met hun grieven, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, keren [ Appellanten ] zich tegen deze beslissing en de gronden waarop die berust.

2.5 Partijen verschillen van mening over de juridische basis waarop De IJzeren Man het paard aan [ Appellante ] ter beschikking heeft gesteld. Volgens De IJzeren Man was dit op basis van een huurovereenkomst (doch zij refereert zich aan het oordeel van het hof), volgens [ Appellanten ] gaat het om een bruikleenovereenkomst.

2.6 [ Appellante ] behoefde aan De IJzeren Man alleen de kosten voor de verzorging en voeding van het paard te voldoen en was daarboven geen vergoeding voor het gebruik van het paard verschuldigd. De kosten die [ Appellante ] moest dragen kunnen niet worden aangemerkt als de voor een huurovereenkomst essentiële tegenprestatie bedoeld in artikel 7:201 lid 1 BW. Het hof zal daarom evenals de voorzieningenrechter uitgaan van een bruikleenovereenkomst.

2.7 [ Appellanten ] betogen dat deze bruikleenovereenkomst niet kan worden opgezegd en slechts eindigt als het paard dat in bruikleen is gegeven niet langer kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het ter beschikking is gesteld. Zolang [ Appellante ] het paard op wedstrijden kan uitbrengen duurt de overeenkomst voort, aldus [ Appellanten ].

2.8 De overeenkomst die partijen op 14 april 2011 hebben gesloten is niet heel erg helder. Wat betreft de tekst ervan en de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, is het volgende aannemelijk. De in de overeenkomst opgenomen termijn van zes maanden heeft, anders dan [ Appellanten ] aanvoeren, niet te maken met de vraag of het paard ‘fit to compete’ was. In geval van een blessure diende [ Appellante ] het paard immers onmiddellijk, dus vóór ommekomst van de termijn van zes maanden, terug te brengen naar De IJzeren Man. Met het opnemen van de zesmaandentermijn is kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het gaat om een bruikleenovereenkomst voor bepaalde tijd, die telkenmale stilzwijgend voor een gelijke termijn wordt verlengd. Een dergelijke overeenkomst kan worden opgezegd. Deze uitleg past bij de bedoelingen van partijen, zoals die zijn op te maken uit de omstandigheden waarin de overeenkomst tot stand is gekomen. [ Appellante ] was goed bevriend met een kleindochter van [ X ]. Zij had de leeftijd bereikt om van pony’s over te stappen op paarden. [ X ] heeft [ Appellante ] daarbij behulpzaam willen zijn. Hij vond [ Appellante ] ook geschikt om het paard te berijden en aan wedstrijden mee te laten doen. Een aanwijzing dat [ X ] [ Appellante ] wezenlijk heeft willen bevoordelen ontbreekt. Bij dit een en ander past dat [ Appellante ] het paard moest teruggeven zodra De IJzeren Man, een commerciële stal, het voor eigen gebruik nodig had, zij het dat De IJzeren Man dan wel tijdig diende op te zeggen. Dat [ Appellante ] het paard mocht behouden zo lang zij dat wilde en het paard voor haar bruikbaar was vindt in het feitenmateriaal onvoldoende steun.

2.9 Nu De IJzeren Man de overeenkomst heeft opgezegd en aannemelijk is dat zij inmiddels een andere bestemming voor het paard heeft (het is verkocht en zal op een stoeterij in Oostenrijk worden ondergebracht), kan niet worden gezegd dat zij geen belang heeft bij de beëindiging van de bruikleen-overeenkomst. Dat de hier bedoelde verkoop niet een grond is die in de opzeggingsbrief was vermeld kan daar niet aan afdoen, reeds omdat de veiling die in die brief genoemd werd inmiddels ruim voorbij is en de door De IJzeren Man gesloten overeenkomst, waarin zij het paard inmiddels aan een derde heeft verkocht, daarvoor in de plaats gekomen is.

2.10 Het hof acht juist dat de voorzieningenrechter heeft aangenomen dat de gebruiksovereenkomst in beginsel niet eerder kon worden opgezegd dan tegen het einde van een termijn van zes maanden. Nu De IJzeren Man op 24 oktober 2011 heeft opgezegd is voldoende aannemelijk dat ook de bodemrechter evenals de voorzieningenrechter en het hof tot de conclusie zal komen dat de bruikleenovereenkomst door die opzegging, waarmee een zeer ruime opzegtermijn in acht is genomen, op 14 april 2012 is geëindigd.

Het hof wijst er in dit verband nog op dat de opzegging, gezien de over en weer aanwezige belangen, niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan worden geacht. De IJzeren Man heeft er ontegenzeggelijk belang bij dat de bruikleen-overeenkomst ten einde komt, waardoor de activiteiten van De IJzeren Man na het overlijden van [ X ] kunnen worden afgebouwd en zij haar verplichtingen uit de inmiddels gesloten koopovereenkomst kan nakomen. Het belang van [ Appellante ] legt hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal, laat staan dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Weliswaar moet [ Appellante ] afstand doen van een paard waarmee zij, zo begrijpt het hof, een goede dressuurcombinatie vormt en waaraan zij gehecht zal zijn, maar zij heeft gelet op het tijdstip van opzegging voldoende tijd gehad om een ander paard te verwerven ten einde haar sportieve carrière daarmee te continueren.

2.11 Het resultaat van de afweging van de reeds besproken belangen staat evenmin aan een tot afgifte van het paard strekkende voorziening bij voorraad in de weg, het belang van De IJzeren Man bij afgifte van het paard is in de gegeven omstandigheden ook voldoende spoedeisend.

3. Slotsom en kosten

Op grond van het voorgaande zal het vonnis worden bekrachtigd. De grieven behoeven verder geen bespreking. [ Appellanten ] dienen de kosten van het hoger beroep te dragen.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter Amsterdam van 1 november 2011;

veroordeelt [ Appellante ] en [ Appellant ] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van De IJzeren Man begroot op € 666,-- voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris, bij niet betalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2012 tot de dag der voldoening en te vermeerderen met de gevorderde nakosten ad € 205,-- in het geval het arrest niet wordt betekend en € 273,-- ingeval het arrest wordt betekend, onder de voorwaarde dat deze nakosten daadwerkelijk worden gemaakt;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Huijzer, mr. G.J. Visser en mr. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en op 4 april 2012 in het openbaar uitgesproken.