Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW3373

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
200.075.705-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Reorganisatie. Gezien financiële situatie ingrijpende maatregelen onvermijdelijk. Afspiegelingsbeginsel juist toegepast. Geen financiële ruimte voor andere regeling dan in Sociaal Plan opgenomen. Positie werknemer wijkt niet zodanig af dat werkgever gehouden was uitzondering op regeling in Sociaal Plan te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

3 april 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonende te [ A ],

APPELLANT in principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZUREL GROUP B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZUREL FLOWERS B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZUREL PLANTS B.V. en

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZUREL LOGISTICS B.V.,

alle gevestigd te Aalsmeer,

GEÏNTIMEERDEN in principaal appel,

APPELLANTEN in incidenteel appel,

advocaat: mr. N.T.A. Zeeuwen te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Partijen worden hierna [ Appellant ] en – in enkelvoud - Zurel genoemd (geïntimeerden gezamenlijk). Geïntimeerden afzonder-lijk worden respectievelijk aangeduid als Zurel Group, Zurel Flowers, Zurel Plants en Zurel Logistics.

1.2 Bij dagvaarding van 8 oktober 2010 (hersteld bij exploot van 12 oktober 2010) is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna de kantonrechter), van 9 juli 2010, onder rolnummer 1097528 CV EXPL 09-37997 gewezen tussen hem als eiser en Zurel als gedaagden.

1.3 [ Appellant ] heeft bij memorie vier grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn hierna onder 3.2 weer te geven vorderingen zal toewijzen met veroordeling van Zurel in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

1.4 Zurel heeft bij memorie de grieven van [ Appellant ] bestreden, harerzijds in incidenteel appel één grief voorgesteld, bewijs aangeboden en geconcludeerd in principaal appel tot bekrachtiging van het bestreden vonnis (het hof begrijpt behalve voor zover de proceskosten daarbij zijn gecompenseerd) en in incidenteel appel tot gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis en, opnieuw rechtdoende, tot veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van de procedure in eerste aanleg met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

1.5 [ Appellant ] heeft vervolgens een memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte producties genomen.

1.6 Zurel heeft daarop een akte uitlatingen producties genomen.

1.7 Partijen hebben de zaak doen bepleiten op de zitting van het hof van 23 februari 2012, [ Appellant ] door mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam, en Zurel door haar advocaat voornoemd. Mr. Kiliç heeft zich daarbij bediend van aan het hof overgelegde pleitnotities. Aan [ Appellant ] is bij die gelegenheid akte verleend van het in het geding brengen van een nadere productie.

1.8 Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.8) een aantal feiten vermeld. De juistheid van deze feiten is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[ Appellant ] (geboren op [ geboortedatum ]) is op 25 juli 1978 in dienst getreden bij S. Zurel & Co B.V. Hij was laatstelijk werkzaam als medewerker bewerking in dienst van Zurel Logistics tegen een salaris van € 2.130,67 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag en vergoeding overwerk). De arbeids-overeenkomst is opgezegd met ingang van 1 oktober 2009 nadat het UWV op 29 juni 2009 een ontslagvergunning had verleend.

Het ontslag is gegeven in het kader van een reorganisatie van Zurel Group en haar dochtervennootschappen Zurel Logistics, Zurel Flowers en Zurel Plants op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Bij de reorganisatie zijn bij de drie laatstgenoemde vennootschappen (Zurel Group had en heeft geen werknemers in dienst) 112 arbeidsplaatsen vervallen, ruim zeventig procent van het personeelsbestand. Voor tachtig werknemers is een ontslagvergunning aangevraagd en verkregen. De arbeidsovereenkomsten met de overige bij de reorganisatie betrokken werknemers zijn op andere wijze beëindigd, met dien verstande dat zeven werknemers van Zurel Logistics zijn herplaatst in een nieuw gecreëerde functie in die vennootschap. Ter zake van de voorgenomen reorganisatie heeft Zurel Group op 8 mei 2009 advies gevraagd aan haar Ondernemingsraad, die op 2 juni, niet unaniem, positief heeft geadviseerd. In juni 2009 is tussen Zurel Flowers, Zurel Logistics en Zurel Plants enerzijds en de Ondernemingsraad van Zurel Group anderzijds een Sociaal Plan overeengekomen ten behoeve van de bij de onderhavige reorganisatie betrokken werknemers, dat onder meer voorziet in een outplacement regeling en een suppletie op een sociale uitkering of een lager loon elders gedurende maximaal twaalf maanden.

3.2 [ Appellant ] vordert in deze procedure voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is en voorts primair herstel van het dienstverband en subsidiair veroordeling van Zurel tot betaling van een bedrag van € 131.612,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, ter zake van schadevergoeding. Hij stelt hiertoe, kort weergegeven, dat er onvoldoende bedrijfseconomische redenen waren voor het hem gegeven ontslag, dat hij bij correcte toepassing van het anciënniteitbeginsel niet voor ontslag in aanmerking had mogen worden gebracht, dat er voor hem passend werk voorhanden is en dat de financiële gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Zurel daarbij.

3.3 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Hij heeft daarbij overwogen dat [ Appellant ] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen tegen Zurel Group, Zurel Flowers en Zurel Plants omdat er uitsluitend tussen hem en Zurel Logistics een arbeidsovereenkomst bestond. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was omdat, kort gezegd, Zurel Logistics overeenkomstig de normen van goed werkgeverschap heeft gehandeld. De kantonrechter heeft de kosten van de procedure in eerste aanleg gecompenseerd. Tegen deze beslissingen en de gronden waarop deze berusten, richten zich de grieven in principaal en incidenteel appel.

3.4 Grief 1 in principaal appel strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [ Appellant ] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen voor zover gericht tegen Zurel Group, Zurel Flowers en Zurel Plants. [ Appellant ] stelt dat zijn ontslag niet los gezien kan worden van de splitsing met ingang van 1 januari 2009 van de activiteiten van Zurel Flowers en onderbrenging van een gedeelte daarvan in Zurel Logistics, zeker nu het onderhavige ontslag zo kort na die splitsing plaats heeft gevonden. Het doel van de splitsing was het verkrijgen van schaalvergroting maar in feite is het meer een “sterfhuisconstructie” geworden. De kantonrechter heeft de redelijkheidstoets ten onrechte beperkt tot Zurel Logistics. Bij de beantwoording van de vraag of het onderhavige ontslag kennelijk onredelijk is, moet naar de situatie van alle vennootschappen gekeken worden en niet alleen naar de situatie van Zurel Logistics, aldus [ Appellant ]. Het hof overweegt als volgt.

3.5 [ Appellant ] betwist niet dat alle productieactiviteiten, die tot 1 januari 2009 in Zurel Flowers werden uitgeoefend, vanaf die datum zijn ondergebracht in Zurel Logistics, dat hij werkzaam was in het kader van die activiteiten, dat hem bij brief van 19 december 2008 is medegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2009 in dienst zou zijn van Zurel Logistics en dat hij vanaf genoemde datum door laatstgenoemde vennootschap is betaald. Dat betekent dat [ Appellant ] vanaf 1 januari 2009 uitsluitend bij Zurel Logistics in dienst was. Weliswaar zal de financiële situatie van alle betrokken vennootschappen vóór en na de splitsing in beginsel een rol spelen bij de vraag of er voldoende grond was [ Appellant ] te ontslaan en kan de eventuele aanwezigheid van uitwisselbare functies bij de andere bij de reorganisatie betrokken ondernemingen mogelijk van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of het anciënniteitbeginsel juist is toegepast – het hof komt daarop in het hiernavolgende nog terug -, dat betekent, anders dan [ Appellant ] blijkbaar meent, niet dat hij een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag mede tegen die andere vennootschappen kan instellen. Die vordering kan uitsluitend tegen zijn werkgeefster, Zurel Logistics, worden ingesteld. De kantonrechter heeft dus op goede gronden overwogen dat [ Appellant ] in zijn vorderingen gericht tegen de andere geïntimeerden niet ontvankelijk was. Grief 1 in principaal appel faalt.

3.6 Met grief 2 in principaal appel keert [ Appellant ] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het gezien de financiële situatie van Zurel Group onvermijdelijk is dat in de markt van de bloemensector ingrijpende maatregelen moeten worden genomen, dat voor wat betreft de omvang van de maatregelen van belang is dat de Ondernemingsraad van Zurel Group met de onderhavige reorganisatie heeft ingestemd en dat niet is gebleken dat er goed onderbouwde alternatieven zijn gepresenteerd, die een minder omvangrijke reorganisatie inhouden dan thans is doorgevoerd. [ Appellant ] voert ten eerste aan dat de financiële situatie van de gehele onderneming bij de beoordeling van de economische noodzaak in aanmerking moet worden genomen. Hij stelt dat de drie werkmaatschappijen volgens de in het kader van de reorganisatie gemaakte prognoses in 2010 weer winst maken - geprognosticeerd is een totale winst van € 1.764.000, . Die verwachting toont volgens [ Appellant ] niet alleen aan dat de financiële situatie minder slecht was dan Zurel destijds aangaf, maar ook dat met minder ingrijpende maatregelen had kunnen zijn volstaan. [ Appellant ] stelt verder dat Zurel de economische crisis als oorzaak van haar slechte financiële resultaten aanvoert, terwijl de grootste verliezen daarvóór, in de jaren 2006–2008, zijn geleden. Zurel heeft bovendien nagelaten zich meer toe te leggen op de verkoop van pot- en tuinplanten in plaats van snijbloemen, waarmee zij een beter resultaat had kunnen behalen, aldus [ Appellant ]. Ten slotte stelt [ Appellant ] dat van Zurel had kunnen worden verwacht dat zij haar werknemers in deeltijd had laten werken om de tijdelijke slechte financiële situatie op te vangen en hij meent dat Zurel onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over het aantal werknemers dat vrijwillig het dienstverband heeft beëindigd of in het ontslag heeft berust. Het hof overweegt als volgt.

3.7 Zowel de in het kader van het verzoek aan het UWV ontslagvergunningen te verlenen overgelegde cijfers – de desbetreffende stukken zijn in deze procedure in het geding gebracht -, als de in deze procedure door Zurel verstrekte financiële gegevens hebben betrekking op alle geïntimeerden. Zowel de afzonderlijke jaarrekeningen van Zurel Flowers (toen nog inclusief de later aan Zurel Logistics overgedragen activiteiten) en Zurel Plants over 2006 als de geconsolideerde jaarrekeningen van Zurel Group over 2007 en 2008 zijn in het geding gebracht. Uit die stukken, waarvan [ Appellant ] de juistheid op zichzelf niet heeft betwist, blijkt dat alle geïntimeerden verlieslatend waren. Dat betekent dat het verlies van Zurel Group over de jaren 2006 tot en met 2008 van € 12,8 miljoen in aanmerking genomen mocht worden bij de toetsing van de beslissing van Zurel om over te gaan tot ingrijpende reorganisatie maatregelen, zoals de kantonrechter in het bestreden vonnis ook heeft gedaan. Daarbij is, anders dan [ Appellant ] heeft aangevoerd, niet van belang of de verliezen veroorzaakt zijn door de financiële crisis of al daaraan voorafgaand zijn geleden. Waar het om gaat is dat Zurel er in 2009 rekening mee moest houden dat in haar toch al slechte resultaten ten gevolge van de wereldwijde economische crisis en de daardoor veroorzaakte terugval in de export en daling van de prijzen – [ Appellant ] heeft die door Zurel geschetste situatie en de gevolgen daarvan als zodanig niet betwist - niet snel verbetering zou optreden en dat zij mede gelet daarop kon besluiten dat ingrijpende maatregelen, waaronder de onderhavige reorganisatie, noodzakelijk waren.

3.8 Het hof volgt [ Appellant ] niet in zijn stelling dat Zurel met minder ingrijpende maatregelen zou hebben kunnen volstaan. Anders dan hij suggereert, betekent het feit dat in 2009 werd verwacht dat geïntimeerden in 2010 weer (een voorzichtige) winst zouden maken op zichzelf niet dat minder vergaande maatregelen geïndiceerd waren. Dat Zurel in een betere financiële positie zat dan zij deed voorkomen, kan daaruit niet worden afgeleid. Door Zurel is bovendien aangevoerd dat in de zomer 2009 duidelijk werd dat de marktomstandigheden dusdanig waren verslechterd dat het verlies in 2009 hoger zou uitvallen dan verwacht en dat daarmee ook duidelijk werd dat de prognose van de resultaten van 2010 niet gehaald zou worden, hetgeen later bewaarheid is geworden. [ Appellant ] heeft dit niet weersproken. Ook dit brengt mee dat voor de veronderstelling dat Zurel in een betere financiële positie verkeerde dan zij heeft doen voorkomen, onvoldoende grond bestaat. Het doel van een reorganisatie mag bovendien zijn een bedrijf weer winstgevend te maken. Van belang is voorts dat de Ondernemingsraad van Zurel Group met de voorgestelde maatregelen akkoord is gegaan. De stelling van [ Appellant ] dat Zurel zich meer had moeten toeleggen op de verkoop van pot- en tuinplanten in plaats van op snijbloemen omdat daarvan betere resultaten konden worden verwacht, heeft [ Appellant ] tegenover de uitdrukkelijke en betwisting daarvan door Zurel en in het licht van het door [ Appellant ] niet betwiste feit dat Zurel zich inmiddels genoodzaakt heeft gezien Zurel Plants te verkopen, onvoldoende onderbouwd. De conclusie moet zijn dat ook grief 2 in principaal appel faalt.

3.9 In grief 3 in principaal appel klaagt [ Appellant ] erover dat de kantonrechter heeft overwogen dat Zurel het afspiegelings¬beginsel juist heeft toegepast. [ Appellant ] stelt dat in het kader van de beslissing of hij voor ontslag in aanmerking kwam niet alleen naar de bij Zurel Logistics beschikbare functies gekeken had moeten worden, maar ook naar de beschikbare functies bij de andere vennootschappen. Hij wijst er verder op dat in zijn arbeidsovereenkomst is vermeld dat hij diverse werkzaamheden moest verrichten. Hij had dus voor veel meer functies in aanmerking kunnen komen dan de functie medewerker bewerking, waarvoor hij in het kader van de toepassing van het afspiegelingsbeginsel is beoordeeld. Hij wijst er verder op dat hij op verschillende afdelingen verschillende functies heeft bekleed en ook cursussen heeft gevolgd en is te beschouwen als een allround medewerker. [ Appellant ] stelt voorts dat Zurel na de reorganisatie veelvuldig gebruik is gaan maken van uitzendkrachten en dat aan een aantal werknemers na de reorganisatie de nieuwe functie allround productiemedewerker is aangeboden. Voor de door de uitzendkrachten en de allround productiemedewerkers verrichte werkzaamheden had hij in aanmerking moeten komen. Het hof overweegt als volgt.

3.10 Geen grief is gericht tegen overweging 8 van het bestreden vonnis. Daarmee staat vast dat de door Zurel als productie 9 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte lijst alle werknemers vermeldt die vóór de onderhavige reorganisatie bij Zurel Flowers, Zurel Logistics en Zurel Plants werkzaam waren, dat hun respectieve functies juist zijn vermeld en dat eveneens juist is weergegeven welke functies onderling uitwisselbaar zijn. Anders dan [ Appellant ] bepleit, is voor de vraag of het afspiegelingsbeginsel correct is toegepast, niet van belang welke functie(s) een werknemer op grond van zijn arbeidsovereenkomst zou moeten of kunnen verrichten, maar welke functie deze voorafgaande aan het ontslag feitelijk heeft verricht. [ Appellant ] betwist niet dat hij feitelijk werkzaam was als medewerker bewerking en dat die functie ten gevolge van de reorganisatie geheel is komen te vervallen. Dat betekent dat hij niet voor een andere bestaande functie binnen Zurel Logistics in aanmerking gebracht had behoeven te worden. [ Appellant ] heeft de stelling van Zurel dat Zurel Flowers of Zurel Plants geen met de functie medewerker bewerking vergelijkbare functie kennen niet gemotiveerd betwist en [ Appellant ] heeft evenmin aangegeven voor welke concrete functie bij een andere vennootschap Zurel hem in aanmerking had moeten laten komen. Een en ander heeft als consequentie dat [ Appellant ] in zijn andersluidend betoog niet kan worden gevolgd. Zijn stelling dat Zurel na de reorganisatie veelvuldig gebruik is gaan maken van uitzendkrachten, heeft [ Appellant ] onvoldoende onderbouwd. [ Appellant ] heeft de stelling van Zurel dat zij alleen gebruik maakt van uitzendkrachten om pieken op te vangen niet gemotiveerd weersproken. [ Appellant ] heeft ten slotte geen grief gericht tegen overweging 11 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat Zurel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [ Appellant ] niet over de vaardigheden beschikte die nodig waren om in aanmerking te komen voor de functie allround productiemedewerker. Al met al volgt uit het voorgaande dat ook grief 3 in principaal appel faalt.

3.11 Met grief 4 in principaal appel komt [ Appellant ] op tegen de overweging van de kantonrechter dat onvoldoende reden bestaat te veronderstellen dat Zurel Group een grotere financiële ruimte had en heeft voor het treffen van een (het hof leest: andere) afvloeiingsregeling dan zij in het Sociaal Plan heeft opgenomen. [ Appellant ] wijst er in de eerste plaats op dat het Sociaal Plan niet is overeengekomen met de vakbonden maar dat deze, integendeel, daartegen juist uitdrukkelijk protest hebben aangetekend wegens onvoldoende waarborgen voor de werknemers. [ Appellant ] voert aan dat de rechter kritisch dient te kijken naar een dergelijk sociaal plan, juist omdat het hier om een collectief ontslag gaat. Hij mist deze kritische blik in het oordeel van de kantonrechter. De afvloeiingsregeling van het Sociaal Plan biedt volgens [ Appellant ] geen waarborgen voor werknemers met een uitzonderlijk lang dienstverband zoals [ Appellant ]. De daarin geboden financiële compensatie acht [ Appellant ] buitengewoon onredelijk omdat het omgerekend slechts grofweg drie maandsalarissen biedt, hetgeen in groot contrast is met de uitkomst in dit geval van de neutrale kantonrechtersformule (welke formule eveneens tot doel heeft een financiële compensatie te bieden voor de beëindiging van het dienstverband). Het outplacementtraject van maximaal zes maanden is naar de mening van [ Appellant ] veel te kort en onrealistisch. Gezien de positie van [ Appellant ] en zijn collega-werknemers op de arbeidsmarkt had een actievere en intensievere vangnetregeling vanuit Zurel moeten worden aangeboden. Door de verantwoordelijkheid van het vinden van een andere baan geheel bij de werknemers te leggen handelde Zurel volgens [ Appellant ] niet volgens de beginselen van goed werkgeverschap. Ten slotte klaagt [ Appellant ] erover dat de kantonrechter niet voldoende gewicht heeft gehecht aan zijn persoonlijke omstandigheden. Gezien zijn leeftijd is het zeer moeilijk een baan te vinden. Naast zijn leeftijd spelen volgens [ Appellant ] het gebrek aan financiële middelen, zijn gebrek aan werkervaring elders en zijn achtergrond, taalkennis en scholing een belangrijke rol en zijn zijn kansen op de arbeidsmarkt daarmee zeer klein. Hij wijst erop dat hij zonder andere betaalde werkkring in het eerste jaar na ontslag al een inkomensverlies heeft geleden, dat hij vervolgens nog enige tijd een WW-uitkering heeft en zal ontvangen maar daarna zal zijn aangewezen op een bijstandsuitkering en dat het verlies van zijn woning dreigt. Het hof oordeelt als volgt.

3.12 Niet in geschil is dat het Sociaal Plan niet is overeengekomen met de vakbonden. Dit plan is overeengekomen met de (groeps)ondernemingsraad van Zurel Group. Met de kantonrechter acht het hof dit laatste niet zonder betekenis. Dat de vakbonden niet hun goedkeuring aan het Sociaal Plan hebben gegeven, impliceert nog niet dat de kantonrechter niet tot het oordeel kon komen dat hij onvoldoende reden had te veronderstellen dat Zurel Group een ruimere financiële afvloeiingsregeling voor de werknemers had kunnen treffen dan is geschied. Ook het hof beschikt niet over aanwijzingen dat Zurel in staat was de ontslagen werknemers financieel ruimhartiger tegemoet te komen dan in het Sociaal Plan is vastgelegd. Door [ Appellant ] is ook niet, althans niet onderbouwd, betoogd dat Zurel over de (ruimere) financiële middelen beschikte om dat wel te doen.

3.13 De afvloeiingsregeling houdt - in concreto – voor [ Appellant ] in, dat hij aanspraak kon maken op een (relatief kortdurende) suppletie op zijn WW-uitkering (door [ Appellant ] is aangevoerd dat hij na zijn ontslag geen andere baan heeft kunnen vinden). Gedurende de eerste drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst zou hij een aanvulling op zijn uitkering kunnen krijgen tot honderd procent van het door hem bij Zurel Logistics laatstgenoten bruto maandsalaris, gedurende de drie daarop volgende maanden tot negentig procent daarvan en – in aanmerking genomen dat hij ruim 31 jaar bij Zurel in dienst is geweest – gedurende de maximale periode van zes maanden daarna een aanvulling tot tachtig procent van zijn bruto maandsalaris mogen ontvangen. Bij gelegenheid van de pleidooien is van de zijde van Zurel toegezegd dat voor zover [ Appellant ] van deze suppletieregeling geen gebruik heeft gemaakt (door daarop jegens Zurel aanspraak te maken), hij alsnog conform het Sociaal Plan de financiële aanvulling zal kunnen ontvangen indien hij, overeenkomstig dat plan, Zurel alsnog van de op zijn inkomen na ontslag betrekking hebbende schriftelijke bewijsstukken voorziet.

3.14 Door [ Appellant ] is niet aangevoerd dat Zurel de haar ter beschikking staande financiële middelen voor een afvloeiingsregeling voor de werknemers die zouden worden ontslagen anders zou hebben moeten verdelen dan in het Sociaal Plan is opgenomen. Weliswaar is [ Appellant ] gedurende een zeer lange tijd bij Zurel in dienst geweest, zijn positie wijkt niet zodanig af van die van de andere ontslagen werknemers dat Zurel gehouden was voor hem op het punt van de suppletieregeling een uitzondering te maken. Daarbij neemt het hof ook de leeftijd van [ Appellant ] in aanmerking. Met betrekking tot de outplacementregeling in het Sociaal Plan overweegt het hof dat deze regeling niet zodanig afwijkt van wat van een werkgever verwacht mag worden, dat het ontslag van [ Appellant ] kennelijk onredelijk moet worden geacht. Het hof neemt in aanmerking dat het voor [ Appellant ], gezien zijn leeftijd, achtergrond, opleiding, taalbeheersing en eenzijdige werkervaring in de gegeven economische situatie bepaald niet gemakkelijk zal zijn een betaalde baan elders te vinden. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof echter niet mee dat Zurel gehouden was meer voor [ Appellant ] te doen dan het aanbieden van de mogelijkheid de bijstand in te roepen van een extern bureau bij het zoeken naar een andere baan. [ Appellant ] heeft niet weersproken dat een relevant aantal andere werknemers die in een vergelijkbare positie als hijzelf verkeerden, en die de hulp van het outplacementbureau (anders dan [ Appellant ] wel) hebben ingeroepen, er wel in zijn geslaagd een andere baan te vinden. Door [ Appellant ] is tegenover de betwisting daarvan door Zurel niet voldoende onderbouwd dat hij te kampen had met medische beperkingen die zouden moeten meebrengen dat Zurel hem intensiever zou hebben moeten begeleiden. Het verwijt van [ Appellant ] dat het aangeboden outplacementtraject “veel te kort en onrealistisch” was, treft geen doel.

3.15 De persoonlijke omstandigheden van [ Appellant ], voor zover bekend, brengen niet mee dat de door Zurel ter verzachting van de gevolgen van het ontslag getroffen voorzieningen (suppletie- en outplacementregeling) in die mate onvoldoende moeten worden geacht dat het aan [ Appellant ] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. [ Appellant ] heeft nog gewezen op de ingrijpende gevolgen van het ontslag voor hem en zijn gezin, in die zin dat hij genoodzaakt zal zijn zijn huis te verkopen omdat hij niet in staat is de hypothecaire lasten daarvan te blijven voldoen. Deze stelling heeft [ Appellant ] tegenover de betwisting daarvan door Zurel niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. De conclusie luidt dat ook grief 4 in principaal appel faalt.

3.16 Met haar grief in incidenteel appel klaagt Zurel over het oordeel van de kantonrechter dat er aanleiding bestaat de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De kantonrechter heeft daarbij volgens Zurel ten onrechte overwogen dat niet gebleken is dat het bedrag dat Zurel had gereserveerd voor de juridische kosten van de reorganisatie al was overschreden en voorts dat Zurel enige onduidelijkheid heeft laten bestaan welke vennootschap de werkgever van [ Appellant ] was, met het gevolg dat [ Appellant ] tevens Zurel Group, Zurel Flowers en Zurel Plants heeft gedagvaard.

3.17 Deze grief slaagt. De kantonrechter heeft de vordering van [ Appellant ] afgewezen. Het door hem ingestelde hoger beroep zal worden verworpen. [ Appellant ] dient op de voet van artikel 237 Rv als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten van de eerste aanleg en in het principaal hoger beroep. Onduidelijkheid over het werkgeverschap van [ Appellant ] heeft Zurel niet laten bestaan, nog daargelaten dat daarin geen reden kan worden gevonden de proceskosten tussen partijen te compenseren op de wijze als de kantonrechter heeft gedaan. Zurel heeft onbetwist aangevoerd dat, in afwijking van hetgeen de kantonrechter heeft overwogen, de voor de reorganisatie gereserveerde kosten wel zullen worden overschreden. Voor zover om redenen van billijkheid van de hoofdregel van artikel 237 Rv kan worden afgeweken, is van zulke redenen in het onderhavige geval niet voldoende gebleken.

4. Slotsom en proceskosten

4.1 De grieven in principaal appel falen. De incidentele grief slaagt. Het vonnis van de kantonrechter zal (alleen) op het punt van de kostenveroordeling worden vernietigd en [ Appellant ] zal alsnog worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg.

4.2 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [ Appellant ] voorts worden verwezen in de proceskosten van het principaal en incidenteel appel.

4.3 Aangezien Zurel zich in eerste aanleg en in hoger beroep heeft laten bijstaan door één advocaat in twaalf nagenoeg gelijke procedures zal het hof voor wat de kosten betreft van de advocaat (in eerste aanleg gemachtigde) het toepasselijke liquidatietarief gedeeld door 12 in aanmerking nemen.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep doch uitsluitend voor zover de kantonrechter de proceskosten heeft gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [ Appellant ] tot betaling van de kosten van de procedure in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover aan de zijde van Zurel gevallen op € 67,67 voor salaris gemachtigde;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verwijst [ Appellant ] in de kosten van het principaal hoger beroep en begroot die kosten, voor zover aan de zijde van Zurel gevallen, op € 640,-- wegens griffierecht en op € 223,50 voor salaris advocaat;

verwijst [ Appellant ] in de kosten van het incidenteel hoger beroep en begroot die kosten op € 111,75 voor salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest voor wat betreft deze kosten¬veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, J.E. Molenaar en D. Kingma en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.