Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW1498

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
09/00190
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BH6644, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY8161, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY8161
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door de aanvaarding van zijn moeders nalatenschap heeft belanghebbende o.a. de verplichting om uitvoering te geven aan de door zijn moeder gedane schenking door jaarlijkse levering van certificaten aan een stichting.

De vraag of de uit de schenking voorkomende jaarlijkse overdrachten van certificaten kunnen worden aangemerkt als giften ex. Art. 6.33 IB ’01 (in het bijzonder of er sprake is van de voor deze giften vereiste vrijgevigheid) moet worden beoordeeld op het moment van de schenking door de moeder. Voor het op een later moment, meer specifiek ten tijde van de jaarlijkse overdracht, (nogmaals) toetsen aan het vrijgevigheidsvereiste is geen aanleiding. De hoogte van de aftrekbare gift dient te worden bepaald naar de waarde van de certificaten op het tijdstip waarop de certificaten ter beschikking zijn gesteld.

Of voldaan is aan het vereiste dat er sprake is van vaste en gelijkmatige uitkeringen dient te worden getoetst bij de totstandkoming van de schenking. De jaarlijkse uitkering van 16.0000 certificaten van dezelfde aandelen is in beginsel vast en gelijkmatig. De vergoeding die de begiftigde is verstrekt ter compensatie voor het later uitkering van de toegezegde certificaten kan gelijk worden gesteld aan rente. De tweede uitkeringstermijn is in 2002 dus rentedragend geworden en had in dat jaar als aftrekbare gift in aanmerking genomen moeten worden.

Belanghebbendes moeder heeft bij de schenking ook de verplichting aanvaard het daarmee samenhangende schenkingsrecht to voldoen. Deze begunstiging uit vrijgevigheid is ook in het jaar van betalen als aftrekbare gift in aanmerking te nemen. Nu de erfgenamen ook de verplichting hebben aanvaard tot voldoen van het verschuldigde schenkingsrecht hebben zij in zoverre ook aanspraak op de daarmee samenhangende giftenaftrek.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.32
Wet inkomstenbelasting 2001 6.33
Wet inkomstenbelasting 2001 6.34
Wet inkomstenbelasting 2001 6.35
Wet inkomstenbelasting 2001 6.38
Wet inkomstenbelasting 2001 6.40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1011
V-N 2012/32.1.3
FutD 2012-1091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 09/00190

15 maart 2012

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde drs. W.A. Beijer te Edam,

tegen de uitspraak in de zaak no. 07/7219 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Alkmaar,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € -/- 5.045, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 323.594 (de aanslag).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 2 februari 2009 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 maart 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 2 juli 2009 is een conclusie van repliek ontvangen van belanghebbende, deze is in afschrift verstrekt aan de inspecteur. Bij brief van 7 augustus 2009 heeft de inspecteur doen weten dat hij afziet van het indienen van een conclusie van dupliek. Deze brief is in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Gemachtigde heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij, welke met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. In aanvulling op de pleitnota heeft gemachtigde, bij brief van 4 januari 2012, een kopie overgelegd van de uitspraak van het gerechtshof te Den Haag van 28 december 2011, nr. BK-11/00201, in het hoger beroep van de broer van belanghebbende waarbij nagenoeg dezelfde geschilpunten aan de orde waren als in het onderhavige hoger beroep.

2. Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (waarbij belanghebbende is aangeduid als 'eiser' en de inspecteur als 'verweerder'):

2.1. Bij notariële akte van 16 februari 2001 heeft de moeder van eiser (de moeder) bij uiterste wilsbeschikking onder meer het volgende beschikt:

“(…) Voorts legateer ik, vrij van rechten en kosten (…) aan (…) [stichting] (…) tachtig duizend (…) te mijner name staande aandelen in het kapitaal van de naamloze vennootschap [A NV] (…). Op gemeld aantal aandelen dient in mindering te komen het aantal aandelen in het kapitaal van voornoemde naamloze vennootschap dat ik reeds bij leven aan genoemde stichting zal blijken te hebben geschonken. (…)”

2.2. Bij notariële akte van 11 april 2001 schenkt de moeder ‘vrij van recht’ aan de algemeen nut beogende instelling [stichting] (hierna: [de stichting]), een aanspraak op periodieke uitkeringen in de vorm van een jaarlijkse overdracht gedurende vijf opeenvolgende jaren van 16.000 certificaten van aandelen in het kapitaal van [A NV] (de cva), aanvangende in het jaar 2001. De uitkeringen zijn afhankelijk gesteld van de levens van twee personen, te weten de moeder en een broer van eiser, met dien verstande dat de uitkering respectievelijk de daaruit voortvloeiende overdracht van de cva eveneens een eind zal nemen in het jaar 2005 indien alsdan de moeder en/of de broer van eiser nog in leven zijn. Op de dag van de toezegging, 23 maart 2001, hadden de cva een beurskoers van € 22,50. De uitkering van de cva zal geschieden op of uiterlijk 23 maart van elk jaar. De levering van de cva ter voldoening aan de verplichting voor het jaar 2001 heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 11 april 2001.

2.3. Ter zake van evengenoemde schenking is met dagtekening 20 mei 2003 een aanslag in het recht van schenking opgelegd, berekend naar een verkrijging van € 1.658.340. Op deze aanslag is een bedrag van € 182.417 aan schenkingsrecht verschuldigd.

2.4. Op 10 januari 2002 overlijdt de moeder. Eiser is voor 17/100e gedeelte gerechtigd tot de nalatenschap van zijn moeder. Twee minderjarige kinderen van eiser delen samen voor 1,875/100e in de nalatenschap.

2.5. In het jaar 2002 is geen uitvoering gegeven aan de lijfrenteverplichting jegens [de stichting], naar eiser stelt vanwege onder meer de moeizame verdeling van de tot de nalatenschap behorende inboedelgoederen over het grote aantal betrokken erfgenamen.

2.6. Bij notariële akte van 2 april 2003 hebben de erven alsnog uitvoering gegeven aan de verplichting jegens [de stichting] met betrekking tot het jaar 2002 door levering van de toegezegde 16.000 cva en door levering van 381 cva, zijnde het stockdividend over 2002. Voorts is bij dezelfde akte de termijn over 2003, bestaande uit 16.000 cva, geleverd.

2.7. Eiser heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 een persoonsgebonden aftrek wegens giften in aanmerking genomen van € 98.076, welk bedrag als volgt is berekend:

Aandeel eiser

Tweede termijn (17% * 16.000 cva * € 11) € 29.920

Stockdividend (17% * 381 * € 11) 712

Derde termijn (17% * 16.000 * € 11) 29.920

Subtotaal € 60.552

Aandeel van de twee minderjarige kinderen van eiser

Tweede termijn (1,875% * 16.000 cva * € 11) € 3.300

Stockdividend (1,875% * 381 cva * € 11) 79

Derde termijn (1,875% * 16.000 cva * € 11) 3.300

Subtotaal € 6.679

Andere giften:

Aandeel in aanslag sch.recht (17% * € 182.417) 31.011

Idem aandeel minderj. kinderen (1,875% * € 182.417) 3.420

Af: drempel -/- 3.585

Subtotaal 30.846

Totaal (door afronden ontstaat een verschil van -1-) € 98.076

2.8. Bij het vaststellen van de aanslag is de giftenaftrek niet geaccepteerd.

Tegen de vaststelling van deze feiten is in hoger beroep geen bezwaar ingebracht. Het Hof zal eveneens van deze feiten uitgaan.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is nog in geschil of en in hoeverre belanghebbende (door als erfgenaam van zijn moeder uitvoering te geven aan de voldoening van de tweede en derde termijn van de lijfrenteverplichting aan de algemeen nut beogende instelling [de stichting], alsmede door betaling van zijn aandeel in de aanslag in het recht van schenking) aanspraak op giftenaftrek geldend kan maken.

In hoger beroep verdedigt belanghebbende niet langer het bij (de berekening van) de giftenaftrek in aanmerking nemen van het uitgekeerde stockdividend, en maakt hij ook geen aanspraak meer op giftenaftrek voor overeenkomstige giften van zijn minderjarige kinderen.

In hoger beroep is evenmin nog in geschil, zo heeft de inspecteur desgevraagd verklaard, de eerder door de inspecteur ingenomen stelling dat niet is voldaan aan het zogeheten onzekerheidsvereiste.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbendes moeder heeft bij notariële akte van 11 april 2001 een schenking gedaan ‘vrij van recht’ aan [de stichting], in de vorm van een aanspraak op periodieke uitkeringen, inhoudende dat gedurende vijf opeenvolgende jaren steeds 16.000 certificaten van aandelen in het kapitaal van [A NV] worden overgedragen. Deze schenking is door (beide bestuursleden van) [de stichting] aanvaard.

Periodieke giften

4.2.1. Met betrekking tot de vraag of sprake is van een periodieke gift heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“4.1. Volgens artikel 6.32 van de Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften:

a. periodieke giften,

b. andere giften.

4.2. Giften zijn: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat (artikel 6.33, onderdeel a, van de Wet IB 2001).

4.3. Periodieke giften zijn giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, aan in Nederland gevestigde instellingen of verenigingen (artikel 6.34 van de Wet IB 2001, tekst 2003).

4.4. Andere giften zijn giften aan in Nederland gevestigde instellingen (artikel 6.35 Wet IB 2001).

4.5. Instellingen zijn blijkens artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet IB 2001 onder meer het algemeen nut beogende instellingen.

4.6. Ingevolge artikel 6.38 van de Wet IB 2001 worden periodieke giften in aanmerking genomen indien zij berusten op een bij notariële akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren.

4.7. Tussen partijen is niet in geschil dat [de stichting] een het algemeen nut beogende instelling is in de zin van artikel 6.33, onderdeel b. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de onderhavige uitkeringen aan [de stichting] niet vormen een verplichte bijdrage waar geen directe tegenprestatie tegenover staat als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel a. De rechtbank sluit zich bij deze eensluidende standpunten van partijen aan.

4.8. Allereerst dient voor alle door hem in aftrek gebrachte betalingen beantwoord te worden de vraag of eiser daarbij heeft gehandeld uit vrijgevigheid.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de schenking van de moeder in het leven geroepen verplichting tot levering van de cva van de ten tijde van haar overlijden nog niet vervallen termijnen van lijfrente, door de verbondenheid van het tweede lijf, krachtens erfrecht onder algemene titel is overgegaan op de erfgenamen, waaronder eiser, en dat de erfgenamen daarbij uitvoering geven aan de door de moeder aan [de stichting] gedane schenking en niet aan het door haar aan [de stichting] verleende legaat. De rechtbank sluit zich bij dit eensluidende standpunt van partijen aan. Dit brengt mee dat door de aanvaarding van de nalatenschap door eiser, hij onder meer de verplichting had om uitvoering te geven aan de door zijn moeder gedane schenking door jaarlijkse levering van de resterende termijnen aan [de stichting].(…)”

Het Hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over.

4.2.2. Voorts overwoog de rechtbank als volgt:

“4.8. (…) Van vrijgevigheid van eiser ten tijde van de levering van de cva aan [de stichting] was derhalve geen sprake. Eisers betoog dat door de omstandigheid dat de erfgenamen uiteindelijk hebben besloten de door de moeder gedane schenking toch uit te voeren, sprake is van vrijgevigheid van de zijde van de erfgenamen, maakt dit niet anders. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van die stelling, laat dit onverlet dat door de aanvaarding van de nalatenschap door de erfgenamen daarnaast een verplichting bestaat tot uitvoering van de schenking. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het door eiser te dezen gedane getuigenaanbod.

Het voorgaande brengt mee dat het door eiser voldane gedeelte van de tweede en derde termijn van lijfrente, noch het door hem voldane gedeelte van het stockdividend als periodieke gift, dan wel als andere gift in aftrek kunnen komen.

4.9. De door eiser ingeroepen arresten van de Hoge Raad van 15 juli 1986, BNB 1986/298 en 299 leiden niet tot een ander oordeel. In de in die arresten berechte gevallen is immers door de Hoge Raad een door het overlijden van de oorspronkelijke aftrekgerechtigde ontstaan gebrek in een objectief vereiste voor aftrek van kosten (het ‘drukken’ van de kosten) geheeld, terwijl in het onderhavige geval door het overlijden van de oorspronkelijke aftrekgerechtigde een gebrek is ontstaan in een subjectief vereiste voor aftrek als gift, namelijk de aanwezigheid van vrijgevigheid, welk gebrek nimmer door een ander geheeld kan worden doordat het subjectgebonden is (vrijgevigheid kan niet vererven).”

Het Hof komt tot een ander oordeel dan de rechtbank en overweegt daartoe als volgt.

4.3.1. Geoordeeld moet worden dat door de schenking in 2001 een waardeverschuiving heeft plaatsgevonden uit het vermogen van de moeder naar het vermogen van [de stichting]. Immers, naar vaststaat, is in 2001 de verplichting tot het doen van de periodieke uitkeringen aangegaan. Daarmee is voor [de stichting] als begiftigde een aanspraak ontstaan. Die aanspraak is in beginsel in rechte afdwingbaar. De schenking is dan ook in 2001 ‘perfect geworden’. Het belastbare feit voor het schenkingsrecht heeft in 2001plaatsgevonden.

4.3.2. De omvang van de schenking (en van de hiervoor bedoelde waardeverschuiving) dient te worden gesteld op de actuarieel gewaardeerde, contante waarde van de uitkeringen. Naar het Hof begrijpt is deze waarde gelijk aan het voor het schenkingsrecht aangegeven bedrag van € 1.658.340. De aanslag schenkingsrecht is in 2003 opgelegd en bedroeg € 182.417.

4.3.3. De vraag of de uit deze schenking voortkomende jaarlijkse overdrachten van certificaten kunnen worden aangemerkt als giften zoals bedoeld in artikel 6.33 van de Wet IB 2001 - meer in het bijzonder, of sprake is van de voor deze giften vereiste vrijgevigheid - moet worden beoordeeld naar het moment van de schenking door de moeder. Op dat moment immers was sprake van de bevoordeling van [de stichting]. Dat die bevoordeling de vorm heeft gekregen van een periodieke uitkering en niet van een uitkering ineens doet in dit verband niet ter zake.

4.4.1. Tussen partijen is niet in geschil, zo begrijpt het Hof, dat ten tijde van de schenking op 11 april 2001 sprake was van vrijgevigheid bij de moeder met als doel tot bovenomschreven waardeoverdracht te komen. Daarmee is voldaan aan het (door de rechtbank als “subjectief” aangeduide) vereiste van vrijgevigheid, zodat belanghebbende de schenking terecht heeft aangemerkt als gift. Voor het op een later moment - meer in het bijzonder, ten tijde van de jaarlijkse overdracht - (nogmaals) toetsen aan het vrijgevigheidsvereiste is, anders dan de inspecteur verdedigt, geen aanleiding. Immers, naar ook volgt uit hetgeen in 4.3.1 is overwogen, deze jaarlijkse uitkeringen zijn niet meer dan de feitelijke uitvoering van de eerder gedane toezegging. Op grond van de schenkingsakte van 11 april 2001 kon [de stichting] ook in rechte aanspraak maken op - in beginsel, afhankelijk van het tweede leven - (ieder van) de vijf periodieke uitkeringen.

4.4.2. Alsdan zijn de jaarlijkse uitkeringen (nu het gaat om vaste uitkeringen van steeds 16.000 certificaten van aandelen) aan te merken als periodieke giften in de zin van artikel 6.34 van de Wet IB 2001. Ook het door de rechtbank in zoverre in 4.10 van haar uitspraak gegeven oordeel is derhalve onjuist. Of is voldaan aan het vereiste dat sprake is van vaste en gelijkmatige uitkeringen dient te worden getoetst bij de totstandkoming van de schenking. Een jaarlijkse uitkering van 16.000 certificaten van (dezelfde) aandelen moet in beginsel als vast en gelijkmatig worden aangemerkt.

4.4.3. In 2001 heeft de moeder de eerste jaarlijkse uitkering gedaan. Na haar overlijden ging de verplichting tot uitvoering van de schenkingsakte over op de erfgenamen, onder wie belanghebbende, die daarmee in haar plaats ook aanspraak kunnen maken op de giftenaftrek. De overgang onder algemene titel vormt naar het oordeel van het Hof immers geen reden voor een fiscale herkwalificatie van die verplichting. Voorts maakt ook de enkele omstandig-heid dat vervolgens in de afwikkeling van de nalatenschap door verschillende oorzaken (buiten de wil en de macht van belanghebbende) vertraging is opgetreden als gevolg waarvan in 2002 is verzuimd om tijdig (in dat jaar) de tweede uitkering te doen, nog niet dat niet langer sprake is van gelijkmatige uitkeringen. Anders dan de inspecteur stelt, kan naar het oordeel van het Hof in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat het tijdstip van de betalingen is gewijzigd in dier voege dat de uitkeringstermijnen niet langer jaarlijks, op een vaste datum, vervallen. De termijn van de tweede uitkering is wel degelijk in 2002 vervallen en door [de stichting] opeisbaar geworden; belanghebbende heeft - slechts - verzuimd om tijdig uit te keren.

De in 2003 betaalde termijnen

4.5.1. Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat bovengenoemde uitkeringen voor aftrek in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop zij zijn:

a. betaald;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld of

d. rentedragend geworden.

4.5.2. In 2003 zijn in totaal 32.381 certificaten van aandelen overgedragen aan [de stichting]. Deze overdracht valt uiteen in

- 16.000 certificaten die (zoals vastgelegd in de schenkingsakte) waren toegezegd om in 2003 te worden overgedragen, door belanghebbende omschreven als de ‘derde termijn’;

- 16.000 certificaten die (zoals vastgelegd in de schenkingsakte) waren toegezegd om al in 2002 te worden overgedragen, door belanghebbende omschreven als de ‘tweede termijn’;

- 381 certificaten die in aanvulling op de tweede termijn zijn uitgekeerd, door belanghebbende omschreven als ‘stockdividend’.

4.5.3. De 16.000 certificaten die worden omschreven als derde termijn zijn in de schenkingsakte toegezegd in 2003 en ook in 2003 ter beschikking gesteld van [de stichting]. Alsdan kan deze uitkering in het onderhavige jaar als gift in aftrek worden gebracht, voor een waarde zoals hierna nog zal worden bepaald.

4.5.4. De 16.000 certificaten die worden omschreven als tweede termijn hadden, op grond van de toezegging in de schenkingsakte, al in 2002 moeten worden uitgekeerd, maar feitelijke uitkering heeft pas in 2003 plaatsgevonden. In aanvulling op en gelijktijdig met de tweede termijn zijn nog eens 381 certificaten uitgekeerd. In de akte inhoudende “levering lijfrentetermijnen” van 2 april 2003 wordt dienaangaande opgemerkt:

“E. Aangezien levering van de tweede termijn in tweeduizend twee niet heeft plaats gevonden heeft begiftigde het stockdividend gemist over de zestienduizend (16.000) niet in dat jaar geleverde certificaten van aandelen. Bedoeld stockdividend is toegekend (…) in de omvang ‘één op tweeënveertig’, aldus leidende tot een stockdividend van driehonderdéénentachtig (381) aandelen over bedoelde zestienduizend (16.000) certificaten van aandelen.”

Hierna is vastgelegd dat naast de 16.000 certificaten tevens worden geleverd:

“driehonderdéénentachtig (381) certificaten van aandelen als hiervoor bedoeld als vergoeding voor het over het jaar tweeduizend twee niet ontvangen stockdividend”.

In het beroepschrift in eerste aanleg is dit door gemachtigde als volgt omschreven:

“De extra uitkering is dan te beschouwen als de compensatie voor het door [de stichting] gemiste dividend. De extra uitkering van 381 cva [A NV] heeft dan het karakter van een schadevergoeding (...)”.

Daarmee is de begiftigde een vergoeding verstrekt ter compensatie voor het later uitkeren van de toegezegde 16.000 certificaten (waardoor begiftigde niet zelf het stockdividend toekwam) welke vergoeding gelijk kan worden gesteld met een rente. Daarmee moet de tweede uitkeringstermijn geacht worden in 2002 rentedragend te zijn geworden in de zin van artikel 6.40 van de Wet IB 2001. Alsdan had op grond van artikel 6.40, letter d, van de Wet IB 2002 de tweede termijn (reeds) in 2002 door belanghebbende in aanmerking moeten worden genomen als aftrekbare gift en kan daarmee niet (meer) in aanmerking worden genomen in het onderhavige jaar.

4.5.5. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel in dit verband, onder verwijzing naar de mededeling van de staatssecretaris van Financiën van 17 augustus 2004, DGB 2004/3750, bij de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 11 november 2003, nr. 2002/06879, faalt, nu in die casus sprake was van een uitkering gedurende vijf jaren waarbij in ieder kalenderjaar één lijfrentetermijn werd voldaan (zij het dat de totale duur van de uitkering minder dan vijf jaren bedroeg vanwege een tussentijdse inkorting/wijziging van de betaaldatum) terwijl in het onderhavige geval sprake is van een betaling van twee termijnen in één (het onderhavige) kalenderjaar. In de genoemde mededeling kan niet worden gelezen dat een dergelijk “uitvoeringsgebrek” verschoonbaar is in die zin dat die beide termijnen in dit ene kalenderjaar aftrekbaar zijn.

Hoogte van de periodieke gift

4.6.1. Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn stelling dat aan de 16.000 certificaten van de derde termijn een waarde moet worden toegekend van € 22,50 per stuk, zijnde de waarde op het moment van de toezegging (23 maart 2001). Op grond van artikel 6.40 van de Wet IB 2001 moet de overdracht als gift in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop de certificaten ter beschikking zijn gesteld, dus op 23 maart 2003. Alsdan dient de hoogte van de aftrekbare gift te worden bepaald naar de waarde van de certificaten op hetzelfde moment. Tussen partijen is niet in geschil dat deze waarde € 11 bedraagt, en dat daarmee de aftrekbare gift in zoverre € 29.920 (17% van 16.000 certificaten à € 11) bedraagt.

4.6.2. Het beroep van belanghebbende in dit verband op het vertrouwensbeginsel, onder verwijzing naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 december 2009, CPP2009/2371M, faalt, omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. In het onderhavige geval gaat het niet om een gelijkmatige verdeling van de waarde van een schenking in natura over de diverse jaren, maar om een jaarlijkse overdracht van een gelijk aantal aandelen, die jaarlijks in waarde kunnen verschillen. Deze latere waardeverandering doet niets af aan het oordeel dat sprake is van gelijke termijnen en is te vergelijken met een koersontwikkeling van valuta. Gelet op het systeem van de wet dient voor de bepaling van de omvang van de aftrek in het betreffende jaar te worden uitgegaan van de actuele koers.

‘Andere giften’ waaronder schenkingsrecht

4.7.1. Belanghebbendes moeder heeft bij de schenking (zijnde ‘vrij van recht’) tevens de verplichting aanvaard het daarmee samenhangende schenkingsrecht te voldoen. Deze begunstiging uit vrijgevigheid is eveneens, in het jaar van betalen, als aftrekbare (niet-periodieke) gift in aanmerking te nemen. Nu de erfgenamen, naast de verplichting tot het doen van de (resterende) jaarlijkse uitkeringen, tevens de verplichting hebben aanvaard tot het voldoen van het verschuldigde schenkingsrecht, hebben zij in zoverre ook aanspraak op de daarmee samenhangende giftenaftrek. Voor belanghebbende gaat het dan, zo is tussen partijen niet in geschil, om een bedrag van € 31.011 (17% van € 182.417).

Aanvullend maakt belanghebbende uit dien hoofde aanspraak op giftenaftrek als ‘andere gift’ in de zin van artikel 6.35 van de Wet IB 2001.

4.7.2. Belanghebbendes stelling dat de tweede termijn, zo deze in 2003 niet als periodieke gift in aanmerking kan worden genomen, in ieder geval in dat jaar als andere gift in aanmerking moet worden genomen, faalt omdat - zoals hiervóór overwogen - de tweede termijn op grond van artikel 6.40, letter d, van de Wet IB 2001 (reeds) in 2002 (als periodieke gift dan wel als andere gift) in aanmerking had moeten worden genomen.

Conclusie

4.8. Op grond van het voorgaande dient voor het onderhavige jaar te worden uitgegaan van een bedrag van € 29.920 aan periodieke giften en € 31.011 aan ‘andere giften’. Alsdan dient de aanslag te worden verlaagd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 266.850 en onder correctie van een ten onrechte met de inkomstenbelasting verrekend bedrag van € 244 aan dividendbelasting, en overigens overeenkomstig de eerder daarbij in aanmerking genomen elementen.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de inspecteur vernietigen en de aanslag verminderen tot een naar (conform de aanslag) een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 5.045 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en (in afwijking van de aanslag) een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 266.850 en onder correctie van een eerder ten onrechte verrekend bedrag van € 244 aan dividendbelasting, en overigens overeenkomstig de eerder daarbij in aanmerking genomen elementen.

5. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht is de vergoeding te berekenen op:

- € 483 voor de kosten in de bezwaarfase (een punt voor het indienen van het bezwaarschrift en een punt voor de hoorzitting maal wegingsfactor 1,5 maakt drie punten maal € 161), plus

- € 1.208 voor de kosten in beroep bij de rechtbank (een punt voor het indienen van het beroepschrift en een halve punt voor de conclusie van repliek plus een punt voor het verschijnen ter zitting maal wegingsfactor 1,5 maal € 322), plus

- € 1.208 voor de kosten in hoger beroep bij het Hof (een punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en een halve punt voor de conclusie van repliek plus een punt voor het verschijnen ter zitting maal wegingsfactor 1,5 maal € 322),

maakt in totaal € 2.899.

Voor het toekennen van een hogere vergoeding, zoals door belanghebbende verzocht, acht het Hof geen gronden aanwezig.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 5.045 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 266.850 en onder bijtelling van een eerder ten onrechte met de inkomstenbelasting verrekend bedrag van € 244 aan dividendbelasting, en overigens overeenkomstig de eerder daarbij in aanmerking genomen elementen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.899;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het voor de behandeling van het voor het

beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 110.

Aldus vastgesteld door mrs. E.F. Faase, voorzitter, A.M. van Amsterdam en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler – Cox als griffier. De beslissing is op 15 maart 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.