Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW0715

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
200.079.312/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De klachten hebben betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van klager. In het kader van die opdracht heeft de kandidaat notaris werkzaamheden verricht.

In zijn algemeenheid kan het hof geen kennisnemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht.

Ten aanzien van de klachtonderdelen, die in eerste aanleg al aan de orde waren, zoals in de bestreden beslissing van de kamer weergegeven onder 3., heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot de vaststelling van andere gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Met betrekking tot de subsidiaire klacht onder 2 heeft klager in hoger beroep bestreden dat de kandidaat-notaris – zoals de kamer overwoog – bereid zou zijn door de kamer aangeduide stukken alsnog aan klager af te geven.

De kandidaat-notaris heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat zij niet meer werkzaam is op het bewuste notariskantoor. Zij heeft aan dat kantoor aangeboden om de stukken, waarover twijfel mocht bestaan te beoordelen, opdat het kantoor tot afgifte van stukken kon overgaan. Nu het notariskantoor aan een en ander kennelijk geen gevolg heeft willen geven ligt dat buiten de invloedsfeer van de

kandidaat-notaris, zo heeft zij aangevoerd.

Het hof vindt in een en ander geen aanleiding om anders dan de kamer alsnog tot het opleggen van een maatregel te besluiten.

Het hof verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klachtonderdelen zoals bedoeld onder 5.2. en bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Beslissing van 27 maart 2012 in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonende te [ A ],

APPELLANT,

t e g e n

[ KANDIDAAT-NOTARIS ],

destijds als kandidaat-notaris verbonden aan het kantoor [ X ] notarissen te [ plaatsnaam ],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. L. de Jong, advocaat te Purmerend,

(voorheen mr. G.W. Boogaard, advocaat te Leerdam).

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 27 december 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Assen, verder de kamer, van 22 december 2010, waarbij de kamer de klachten van klager tegen geïntimeerde, verder de kandidaat-notaris, deels ongegrond (klacht 1 en klacht 2 gedeeltelijk) en deels gegrond (de klacht 2 gedeeltelijk) heeft verklaard zonder oplegging van een maatregel en klager niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn klachtonderdeel 3.

1.2. Van de zijde van klager is op 29 maart 2011 een aanvulling op zijn verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de kandidaat-notaris is op 9 mei 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. Van de zijde van klager zijn op 22 juli 2011 en 16 september 2011 aanvullende producties ter griffie van het hof ingekomen.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2011. Klager en de gemachtigde van de kandidaat-notaris zijn verschenen. Voor de kandidaat-notaris verscheen voorts [ W ], die door de kandidaat notaris schriftelijk is gemachtigd haar te vertegenwoordigen. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde ([ B ]) van de kandidaat-notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie. De kandidaat-notaris had bericht dat zij niet zou verschijnen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. De standpunten van partijen

De wederzijdse standpunten blijken uit de beslissing waarvan beroep, met dien verstande dat klager in hoger beroep “aanvullend verweer” heeft geformuleerd. Voor zover daarin nieuwe klachten zouden moeten worden gelezen verwijst het hof naar hetgeen hierna onder 5.2. wordt overwogen.

5. De beoordeling

5.1. De klachten hebben betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van klager, waartoe het notariskantoor waar de kandidaat-notaris destijds werkzaam was in december 2008 opdracht heeft gekregen. In het kader van die opdracht heeft de kandidaat notaris werkzaamheden verricht.

5.2. In zijn algemeenheid kan het hof geen kennisnemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht. De voor het eerst in hoger beroep – bij aanvullend beroepschrift – geuite verwijten dat een van de aan het notariskantoor waar de kandidaat-notaris werkzaam was verbonden notarissen zich onbevoegd heeft bemoeid met belastingzaken aangaande de nalatenschap en onbevoegd telefonisch contact heeft gehad met de echtgenoot van een zuster van klager, behoeven daarom en omdat ze geen betrekking hebben op handelingen van de kandidaat-notaris geen bespreking en klager zal in deze klachtonderdelen niet ontvankelijk worden verklaard.

5.3. Ten aanzien van de klachtonderdelen, die in eerste aanleg al aan de orde waren, zoals in de bestreden beslissing van de kamer weergegeven onder 3., heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot de vaststelling van andere gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Met betrekking tot de subsidiaire klacht onder 2 heeft klager in hoger beroep bestreden dat de kandidaat-notaris – zoals de kamer overwoog – bereid zou zijn door de kamer aangeduide stukken alsnog aan klager af te geven.

De kandidaat-notaris heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat zij niet meer werkzaam is op het bewuste notariskantoor. Zij heeft aan dat kantoor aangeboden om de stukken, waarover twijfel mocht bestaan te beoordelen, opdat het kantoor tot afgifte van stukken kon overgaan. Nu het notariskantoor aan een en ander kennelijk geen gevolg heeft willen geven ligt dat buiten de invloedsfeer van de

kandidaat-notaris, zo heeft zij aangevoerd.

Het hof vindt in een en ander geen aanleiding om anders dan de kamer alsnog tot het opleggen van een maatregel te besluiten.

5.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

5.5. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klachtonderdelen zoals bedoeld onder 5.2.;

- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.M.A. Verscheure en

A.A. van Berge en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 maart 2012 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN DE KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ASSEN.

Klacht nr. 5/2010

Beslissing inzake de klacht van:

[ Klager ], wonende te [ A ].

advocaat mr. K.A. Boshouwers,

tegen

[ De kandidaat- notaris ], wonende te [ H ],

kandidaat notaris, destijds verbonden aan het kantoor [ naam ] Notarissen te [ H ],

advocaat mr. E.J. Kortleve.

1. De procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- de klacht van [ Klager ] d.d. 30 juni 2010 met daarbij gevoegd een aantal bijlagen;

- het verweerschrift d.d. 17 november 2010 met bijlage van [ De kandidaat -notaris ]

- de mondelinge behandeling op 17 november 2010, alwaar verschenen zijn [ Klager ], bijgestaan door mr. Boshouwers en namens [ De kandidaat -notaris ] mr. Kortleve;

- de pleitnotities van de raadslieden.

2. De vaststaande feiten.

Op 28 december 2007 is in de gemeente ’s-Gravenhage overleden [ X ]. Zij was de weduwe van [ Y ]. Zij hadden drie kinderen, te weten [ A ], [ B ] en klager [ Klager ].

[ De kandidaat -notaris ], werkzaam als kandidaat notaris ten kantore van [ naam kantoor ] te [ plaatsnaam ], was betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van [ Z ], een op 9 mei 2007 overleden broer van [ X ].

Op 19 december 2008 heeft [ Klager ] [ De kandidaat -notaris ] verzocht de nalatenschap van [ X ] af te wikkelen. Die afwikkeling was daarvoor bij een ander notariskantoor in behandeling.

[ A ] en [ B ] hebben aan [ De kandidaat -notaris ] eveneens een volmacht afgegeven de nalatenschap af te wikkelen.

3. De klachten.

[ Klager ] heeft de navolgende drie klachten ingediend:

1. [ De kandidaat -notaris ] heeft zich in de gevoerde correspondentie onnodig en grievend uitgelaten over [ Klager ], hiermee haar neutraliteit als boedelnotaris verlaten en de andere erfgenamen hiervan in kennis gesteld;

2. Ten onrechte heeft [ De kandidaat -notaris ] het verzoek van [ Klager ] en van mr. Boshouwers om informatie te verkrijgen in de vorm van toezending van een kopie van het dossier met een beroep op de gedragsregels afgewezen.;

Klacht nr. 5/2010

2e blad.

3. [ De kandidaat -notaris ] heeft ten onrechte declaraties gezonden voor werkzaamheden die zij alleen ten behoeve van [ Klager ] stelt te hebben verricht.

Kort samengevat is door of namens [ Klager ] onder meer het volgende aangevoerd.

[ Klager ] voert aan dat [ De kandidaat -notaris ] zich in haar brief van 19 maart 2009 aan zijn voormalige raadsvrouw onnodig grievend heeft uitgelaten jegens hem. In die brief heeft zij haar mening gegeven over het handelen van [ Klager ] waarvan zij zich naar de mening van [ Klager ] had dienen te onthouden. In die brief geeft zij aan dat het aan [ Klager ] te wijten zou zijn dat de nalatenschap nog niet afgewikkeld is, dat hij niet bereid is bepaalde gegevens te verstrekken, dat hij een andere houding moet aannemen en begrip moet tonen voor het feit dat zijn zusters ook gehoord willen worden en dat hij een vlotte afwikkeling in de weg staat. Naar de mening van [ Klager ] heeft [ De kandidaat -notaris ] zich meer als een partijdige notaris opgesteld voor zijn zusters dan als een onpartijdige notaris. Zij had haar visie over de opstelling van [ Klager ] niet aan zijn zusters kenbaar mogen maken. Het grieft hem te meer daar hij de kosten van begrafenis en de grafkransen voor zijn rekening heeft genomen waarvoor hij tot nu toe geen enkele vergoeding heeft ontvangen.

Met betrekking tot klacht 2 voert [ Klager ] aan dat hij samen met zijn zusters opdracht heeft gegeven aan [ De kandidaat -notaris ] de nalatenschap af te wikkelen. Dat brengt met zich mee dat ieder van de erfgenamen in beginsel gerechtigd is om informatie uit het dossier te ontvangen. Primair is [ Klager ] van mening dat hij als opdrachtgever en belanghebbende kennis mag nemen van het gehele dossier en subsidiair van dat deel van het dossier dat op hem betrekking heeft. [ De kandidaat -notaris ] heeft geweigerd het gehele dossier te verstrekken, zich daarbij beroepen op de gedragsregels binnen het notariaat. Naar de mening van [ Klager ] heeft hij er recht op om ook kennis te nemen stukken die afkomstig zijn van zijn zusters met betrekking tot de afwikkeling.

[ Klager ] stelt zich ten aanzien van de derde klacht op het standpunt dat voor de gevoerde correspondentie geen declaraties hadden mogen worden toegezonden. In deze klacht gaat het er om dat kosten in rekening zijn gebracht die niet in rekening gebracht hadden mogen worden.

De verweren.

Namens [ De kandidaat -notaris ] is ten aanzien van de eerste klacht aangevoerd dat zij bestrijdt dat de brief van 19 maart 2009 onnodig grievend is geweest. Haar handelwijze was er op gericht om als onafhankelijke en onpartijdige boedelnotaris tot de afwikkeling van de nalatenschap te komen. Zij heeft daarbij geprobeerd om [ Klager ] te bewegen tot een coöperatieve houding. In dat licht dient de brief te worden bezien. Dat acht zij niet in strijd met haar functie van onpartijdige boedelnotaris. Naar haar mening draalde [ Klager ] met het verstrekken van de nodige gegevens, hetgeen een objectieve vaststelling van een feit is. Daarmee stond hij een vlotte afwikkeling in de weg. Zij heeft steeds getracht de samenwerking tussen [ Klager ] en zijn zusters in een harmonieuze sfeer te doen verlopen en hen tot elkaar te brengen. In die zin dient de brief van 19 maart 2010 dan ook te worden gelezen.

Klacht nr. 5/2010

3e blad .

Ten aanzien van de tweede klacht wordt aangevoerd dat [ De kandidaat -notaris ] op grond van het bepaalde in art. 22 Wet op het notarisambt (WNA) in samenhang met art. 7, lid 1, van de beroepsregels van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie gehouden is aan haar geheimhoudingsplicht. Toezending van het volledige dossier is haar dan ook niet toegestaan, aangezien de vertrouwelijke correspondentie die de andere erfgenamen aan haar hebben toegezonden van dat dossier ook deel uitmaakte. Een erfgenaam moet er op kunnen vertrouwen dat hetgeen ter kennis wordt gebracht van de boedelnotaris in vertrouwelijkheid geschiedt. Daaraan doet het feit dat [ Klager ] en zijn zusters gezamenlijk opdracht hebben gegeven niet af. [ De kandidaat -notaris ] is wel bereid geweest en nog steeds om de stukken te verstrekken die door en aan [ Klager ] zelf zijn verzonden. Daartoe kan hij zich nog steeds wenden tot het notariskantoor waar zij werkzaam is geweest.

[ Klager ] dient met betrekking tot de derde klacht niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien hij dit geschil dient voor te leggen aan de ringvoorzitter. Het betreft immers een klacht over een tweetal declaraties.

4. De beoordeling van de klachten.

Klacht 1.

De Kamer stelt voorop dat uit de inhoud van de brief van 19 maart 2009 niet kan worden gezegd dat [ De kandidaat-notaris ] zich daarmee partijdig en dus niet als een onafhankelijke en onpartijdige boedelnotaris heeft opgesteld. Naar het oordeel van de Kamer is de brief weliswaar hier en daar scherp van toon maar niet gezegd kan worden dat daaruit van partijdigheid van [ De kandidaat -notaris ] blijkt, in die zin dat daaruit een vooringenomenheid ten nadele van [ Klager ] zou kunnen worden afgeleid. De kennelijke bedoeling van [ De kandidaat -notaris ] was om tot een vlotte afwikkeling van de onderhavige nalatenschap te komen

De vraag of de brief jegens [ Klager ] als onnodig grievend moet worden opgevat wordt door de Kamer eveneens ontkennend beantwoord. De Kamer heeft er begrip voor dat [ Klager ], die als enige van de drie erfgenamen de kosten had betaald van de begrafenis en de grafkransen, de brief als onaangenaam heeft ervaren, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat de brief als onnodig grievend kan worden aangemerkt. Die kwalificatie gaat te ver.

Klacht 1 is dan ook ongegrond.

Klacht 2.

Klacht 2 richt zich primair op de weigering van [ De kandidaat -notaris ] het gehele dossier betreffende de afwikkeling van de nalatenschap aan [ Klager ] af te geven. Met [ De kandidaat -notaris ] is de Kamer van oordeel dat zij op grond van het bepaalde in art. 22 WNA gehouden is aan de daarin opgenomen geheimhoudingsplicht. Integrale afgifte van het gehele dossier is daarmee in strijd. Ten aanzien van de door de zusters van [ Klager ] als mede-erfgenamen verstrekte (vertrouwelijke) correspondentie aan [ De kandidaat -notaris ] in haar hoedanigheid van boedelnotaris, moet [ Klager ] als een derde worden aangemerkt. Het is [ De kandidaat -notaris ] niet toegestaan aan een derde, ook indien het gaat om een

Klacht nr. 5/2010

4e blad.

mede-erfgenaam, de volledige correspondentie te verstrekken met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap.

Het primaire deel van klacht 2 is dan ook ongegrond.

Het subsidiaire deel van klacht 2 is wel gegrond. Aan het verzoek tot het verstrekken van de stukken die [ Klager ] zelf heeft ingediend of die reeds eerder aan hem waren gestuurd, had [ De kandidaat -notaris ] gehoor dienen te geven. Voor zover de klacht ook zou zien op andere stukken, die niet onder de geheimhoudingsplicht vallen, kan de Kamer geen oordeel vellen, aangezien [ Klager ] onvoldoende geconcretiseerd heeft aangegeven om welke stukken het daarbij gaat.

Nu [ De kandidaat -notaris ] heeft aangegeven, dat zij bereid is de in het eerste deel van de subsidiaire klacht bedoelde stukken alsnog te verstrekken en het notariskantoor, waar zij werkzaam is geweest, nog steeds bereid blijkt te zijn die stukken aan [ Klager ] af te geven zal de Kamer aan [ De kandidaat -notaris ] geen maatregel zoals bedoeld in art. 103 WNA opleggen.

Klacht 3.

Art. 55, lid 2, WNA bepaalt dat geschillen omtrent de declaraties van een notaris dienen te worden voorgelegd aan de voorzitter van de ring van notarissen en kandidaat notarissen in het arrondissement Assen. Onder die bepaling valt ook een geschil met betrekking tot de vraag of verrichte werkzaamheden wel of niet mogen worden gedeclareerd. Klacht 3 heeft betrekking op een tweetal declaraties waarvan [ Klager ] betwist dat de daarin vermelde werkzaamheden gedeclareerd hadden mogen worden.

[ Klager ] zal dan ook met betrekking tot klacht 3 niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. De beslissing.

De Kamer:

verklaart klacht 1 ongegrond;

verklaart de primaire klacht 2 ongegrond;

verklaart de subsidiaire klacht 2 deels gegrond;

bepaalt dat met betrekking tot de subsidiaire klacht 2 geen maatregel zal worden opgelegd;

verklaart [ Klager ] niet-ontvankelijk in zijn klacht 3.

Klacht nr. 5/10

5e blad.

Aldus gegeven door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, mrs. J.F.H. de Jong Posthumus, H.A. Bongers-Kuipers en J.H.F. Wilmink, leden, mr. A.M.A.M. Kager, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van H. Takens, plaatsvervangend secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010 en door mr. Kager en de plaatsvervangend secretaris ondertekend.

H. Takens, mr. A.M.A.M. Kager,

plaatsvervangend secretaris, plaatsvervangend lid.

Binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief, waarbij deze beschikking wordt toegezonden, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.