Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BW0509

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
23-004831-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederspannigheid (met enig letsel). Beroep op overmacht in de zin van noodtoestand verworpen. Het uitoefenen van druk op de arm ter gelegenheid van het aanleggen van handboeien op de rug kon bij de verdachte pijnlijker zijn dan bij een persoon die gezonde armen heeft. Dit rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat de verdachte niet anders kon handelen dan dat hij heeft gedaan. Voorts is de handelwijze van de verdachte ten aanzien van de verbalisant dusdanig buitenproportioneel dat ook op deze grond het gedrag van de verdachte niet gerechtvaardigd kan worden geacht met een beroep op een overmachtsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004831-09 (PROMIS)

datum uitspraak: 14 maart 2012

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 september 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-850300-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 april 2009 en 29 september 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 maart 2011 en 29 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 11 januari 2009 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende (in uniform geklede) opsporingsambtena(a)r(en) van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland [naam verbalisant 1 en naam verbalisant 2] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 447 (e) van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau gelegen aan de Hogehilweg, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig (met zijn/een arm(en), althans lichaam) (krachtig) te rukken en/of te trekken in een richting tegenovergesteld aan die opsporingsambtena(a)r(en) verdachte trachtte te brengen/bewegen en/of die opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] op te tillen en of zijn, verdachte's, lichaam tegen het lichaam van die opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] te drukken (waardoor een hand/vinger van de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] klem kwam te zitten tussen verdachte en een muur), tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] enig lichamelijk letsel (een (schaaf)wond aan een vinger) bekwam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 11 januari 2009 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende in uniform geklede opsporingsambtenaren van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland [naam verbalisant 1 en naam verbalisant 2] verdachte op verdenking van het overtreden van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig met zijn arm krachtig te rukken in een richting tegenovergesteld aan die waarin de opsporingsambtenaren verdachte trachtten te bewegen en die opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] op te tillen en zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] te drukken waardoor een hand van de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] klem kwam te zitten tussen verdachte en een muur, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [naam verbalisant 1] enig lichamelijk letsel (een schaafwond aan een vinger) bekwam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid

en

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

De raadsman van de verdachte heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit overmacht, naar het hof begrijpt in de zin van noodtoestand en zoals bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de raadsman heeft de verdachte zich tegen zijn aanhouding verzet, omdat hij hevige pijn had in zijn linkerarm. Daardoor kon hij geen weerstand bieden aan een van buiten komende kracht en kon de verdachte niet anders reageren dan hij heeft gedaan, aldus de raadsman. Hoewel uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de verdachte de verbalisanten mondeling kenbaar heeft gemaakt dat hij een pijnlijke arm had, heeft - aldus de raadsman - de verdachte dit wel degelijk gedaan. De pijn in de linkerarm blijkt onder meer uit de verklaring van de getuige-deskundige [naam getuige-deskundige], arts, afgelegd op 14 november 2011 tegenover de raadsheer-commissaris van dit hof, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Mede gelet op voornoemde verklaring van de getuige-deskundige [naam getuige-deskundige], is het hof van oordeel dat het uitoefenen van druk op de arm ter gelegenheid van het aanleggen van handboeien op de rug bij de verdachte pijnlijker kon zijn dan bij een persoon die gezonde armen heeft. Dit rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat de verdachte niet anders kon handelen dan dat hij heeft gedaan. De verdachte had immers direct aan de verbalisanten mondeling kenbaar kunnen maken dat hij last had van een pijnlijke linkerarm. Dat hij, gelijk de raadsman heeft gesteld, dit zou hebben gedaan is, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, niet aannemelijk geworden. De verdachte, die riekte naar het gebruik van alcoholhoudende drank, heeft blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2009 (dossierpagina 9 e.v.) immers meerdere malen niet gereageerd op aanroepen door verbalisanten nadat hij was aangehouden.

Daarnaast valt niet in te zien dat de verdachte bij een normaal gedrag van zijn kant reeds ernstige pijnklachten zou ondervinden op het moment dat een handboei werd aangeslagen om zijn linkerarm, welke arm zich op dat moment nog niet op zijn rug bevond. Het fysieke verzet dat hij vanaf dat moment bood vindt derhalve geen rechtvaardiging in de omstandigheid dat toen reeds sprake zou zijn van een overmachtsituatie. Voorts is de handelwijze van de verdachte ten aanzien van de verbalisant [naam verbalisant 1], zoals blijkt uit haar aangifte (dossierpagina p. 1 e.v.) te weten het haar met zijn linkerarm optillen, hetgeen op zich overigens al vraagtekens doet rijzen bij de door de verdachte gestelde ernstige pijnklachten aan die arm, zich tegen haar lichaam drukken en het klemzetten van haar hand dusdanig buitenproportioneel dat ook op deze grond het gedrag van de verdachte niet gerechtvaardigd kan worden geacht met een beroep op een overmachtsituatie.

Derhalve faalt het verweer van de raadsman.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 320,00, subsidiair 6 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich verzet tegen zijn aanhouding door twee opsporingsambtenaren, tengevolge waarvan een van die opsporingsambtenaren enig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Aldus heeft de verdachte politieambtenaren wezenlijk gehinderd in de uitoefening van hun taken en blijk gegeven van minachting voor de dienstdoende ambtenaren en in ruimere zin van minachting voor het wettig gezag. Het gedrag van de verdachte is daarnaast buitengewoon agressief en intimiderend geweest. Het hof acht de wijze waarop de verdachte zich heeft opgesteld bijzonder laakbaar.

Het is het hof voorts gebleken dat de verdachte niet langer in Nederland verblijft nu hij is uitgezet naar Frankrijk.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2012 is de verdachte op 15 juni 2009 door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam voor een strafbaar feit veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat de ernst van het feit een aanzienlijk zwaardere strafmodaliteit dan een geldboete rechtvaardigt. Alles afwegende wordt een gevangenisstraf van na te melden duur in beginsel passend en geboden geacht. In de persoonlijke situatie van de verdachte, met name de omstandigheid dat hij is uitgezet, wordt aanleiding gevonden deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [naam verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 100,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 70,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft derhalve in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 181 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam verbalisant 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam verbalisant 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 70,00 (zeventig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam verbalisant 1], een bedrag te betalen van € 70,00 (zeventig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.W.J. den Ottolander, mr. E. Mijnsberge en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 maart 2012.