Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9608

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
23-004614-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsminimum en schakelbewijs inzake mensenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-4614-10

datum uitspraak: 19 maart 2012

tegenspraak

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 7 oktober 2010 in de strafzaak onder parketnummer

14-810513-07 tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

wonende te [woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 5 en 7 oktober 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 september 2011 en 5 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 in de gemeente Alkmaar, in elk geval in/vanuit Nederland en/of Hongarije en/of Roemenië tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)(de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 1] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 1], heeft vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [aangeefster 1],

en/of

(de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 1], (in Hongarije en/of Roemenië) heeft aangeworven en/of doen aanwerven en/of (vanuit Hongarije en/of Roemenië) heeft mede genomen en/of heeft doen meenemen met het oogmerk die [aangeefster 1] in een ander land (Nederland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling,

en/of

(de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 1] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 1] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten, en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die [aangeefster 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen, dan wel stelde, tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten,

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van (de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 1],

en/of

(de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 1] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 1] heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen met en/of voor een derde van die [aangeefster 1] en bestaande die dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van [aangeefster 1] uit (telkens)

- geldgebrek bij die [aangeefster 1] en/of

- het feit dat die [aangeefster 1] de Nederlandse taal niet beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of bijna niemand kende in Nederland en/of niet bekend was met de Nederlandse gewoontes en normen en/of

- het feit dat verdachte en/of zijn mededader(s) bepaalde(en) wanneer die [aangeefster 1] moest werken en wanneer zij moest stoppen,

en/of

- het feit dat die [aangeefster 1] (telkens) al haar geld moest afdragen aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- het feit dat die [aangeefster 1] werd voorgehouden dat ze aan het eind van de maand betaald zou worden, maar dat er nu even geen geld was en/of

- het meermalen bedreigen van die [aangeefster 1] (ze zou in elkaar worden geslagen als ze niet zou werken);

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober 2006 tot en met 15 september 2007 in de gemeente Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 2] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 2], heeft vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [aangeefster 2],

en/of

(de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 2] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 2] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten, en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die [aangeefster 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen, dan wel stelde, tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten,

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van (de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 2],

en/of

(de, opdat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 2] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 2] heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen met en/of voor een derde van die [aangeefster 2] en bestaande die dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 2] uit (telkens)

- het meermalen mishandelen van die [aangeefster 2] als ze te weinig had verdiend

- geldgebrek bij die [aangeefster 2] en/of

- het feit dat die [aangeefster 2] de Nederlandse taal niet beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of bijna niemand kende in Nederland en/of niet bekend was met de Nederlandse gewoontes en normen en/of

- het feit dat die [aangeefster 2] (telkens) al haar geld moest afdragen aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- het meermalen bedreigen van die [aangeefster 2] (onder andere heeft verdachte gezegd dat hij haar zou komen vermoorden);

3.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 augustus 2007 tot en met 22 oktober 2007 in de gemeente Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 3] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 3], heeft vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [aangeefster 3],

en/of

(de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 3] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 3] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten,

en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die [aangeefster 3] zich daardoor beschikbaar zou stellen, dan wel stelde, tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten,

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van (de, op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 3],

en/of

(de op dat moment, in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie verkerende) [aangeefster 3] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 3] heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen met en/of voor een derde van die [aangeefster 3] en bestaande die dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die [aangeefster 3] uit (telkens)

- het meermalen bedreigen van die [aangeefster 3] (dreigen om haar darmen uit haar buik te schoppen en/of verdachte zou haar afmaken) en/of

- het feit dat verdachte meermalen tegen die [aangeefster 3] heeft gezegd dat zij geen contacten met andere mannen (niet zijnde klanten) en/of andere meisjes mocht hebben en/of

- dat hij, verdachte altijd iemand op straat had die haar in de gaten hield en/of

- het feit dat die [aangeefster 3] de Nederlandse taal niet beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of bijna niemand kende in Nederland en/of niet bekend was met de Nederlandse gewoontes en normen en/of

- het feit dat die [aangeefster 3] (telkens) al haar geld moest afdragen aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4. (verzamelfeit)

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2006 tot en met 12 november2007 in de gemeente Alkmaar, in elk geval in/vanuit Nederland en/of Hongarije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer vrouw(en) door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die vrouw(en), heeft vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die vrouw(en),

en/of

een of meer vrouw(en) (in Hongarije) heeft aangeworven en/of doen aanwerven en/of (vanuit Hongarije) heeft mede genomen en/of heeft doen meenemen met het oogmerk die vrouw(en) in een ander land (Nederland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling, en/of een of meer vrouw(en) door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die vrouw(en) heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten,

en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die vrouw(en) zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen, dan wel stelde(n), tot het verrichten van (prostitutie) arbeid en/of diensten,

en/of opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van die vrouw(en)

en/of die vrouw(en) door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie van die vrouw(en) heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen met en/of voor een derde van die vrouw(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de nietigheid van de dagvaarding wat betreft het onder 4 ten laste gelegde gevorderd, nu dat onderdeel van de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de dagvaarding in zoverre - nader aangeduid als "verzamelfeit" - op grond van de tekst van de tenlastelegging, mede bezien in verband met de inhoud van het strafdossier waarin sprake is van een grote hoeveelheid aangiftes van mensenhandel, onvoldoende duidelijk en concreet is met betrekking tot de vraag ter zake van welke specifieke feiten de verdachte zich dient te verdedigen. Om die reden voldoet de omschrijving van het onder 4 ten laste gelegde niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof de dagvaarding daarom met betrekking tot dit feit nietig verklaren.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep tegen het eindvonnis van de rechtsbank te Alkmaar, omdat is gehandeld in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk, zijnde een beginsel van behoorlijke procesorde (fair trial). De raadsman heeft daartoe het volgende gesteld, kort en zakelijk weergegeven.

De officier van justitie heeft op 21 oktober 2010 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank, vervolgens heeft zij een verkorte appelschriftuur ingediend op 4 november, waarna het openbaar ministerie bezwaar maakte tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraken. Daarna volgde op 1 november 2011 een aanvulling op deze appelschriftuur. De aanvulling op de appelschriftuur van de officier van justitie van 28 juli 2011 behelst in feite, aldus de raadsman, een ontijdig ingediend wrakingverzoek. De officier van justitie had dit wrakingverzoek op de zitting moeten doen. Nu dit niet is gebeurd en zij dit pas achteraf, in het kader van een ingesteld hoger beroep heeft gedaan, is er sprake van oneigenlijk gebruik van een rechtsmiddel, hetgeen in strijd is met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Om deze reden verzoek ik het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep ter toelichting op de appelschriftuur en de nadere appelschriftuur van de officier van justitie aangevoerd dat de officier van justitie in hoger beroep is gegaan, omdat zij zich niet kan verenigen met de beslissing tot vrijspraak van de rechtbank. Daarnaast heeft de officier van justitie haar persoonlijke gevoelens over het verloop van de terechtzitting weergegeven. Deze weergave door haar van het onderzoek ter terechtzitting mondt echter niet uit in een verzoek om terugwijzing naar de rechtbank in eerste aanleg wegens vooringenomenheid van de rechtbank. Bij deze stand van zaken acht de advocaat-generaal het openbaar ministerie ontvankelijk in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

Oordeel van het gerechtshof

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van het dossier is - voor zover hier van belang - het volgende gebleken.

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 7 oktober 2010 ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit vrijgesproken. Zoals blijkt uit de akte rechtsmiddel heeft de officier van justitie op 21 oktober 2010 tijdig hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank. Blijkens de akte rechtsmiddel is het hoger beroep van de officier van justitie tegen het eindvonnis onbeperkt ingesteld. Bij de stukken bevindt zich een schriftuur van het openbaar ministerie van 4 november 2010. Deze schriftuur houdt in dat de officier van justitie zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak alsmede tegen de (tussen)beslissing aangaande het afwijzen van een vordering aanpassing/wijziging ten laste legging. Tevens is het schriftelijke requisitoir van de officier van justitie bijgevoegd en wordt naar de inhoud daarvan verwezen.

Bij de stukken bevindt zich voorts een aanvulling op de appelschriftuur van 28 juli 2011. Deze aanvulling houdt in - voor zover hier van belang - een uitgebreide motivering op grond waarvan de officier van justitie zich niet kan verenigen met de door de rechtbank genomen eerdergenoemde tussenbeslissing inhoudende - kort gezegd - dat door het nemen van deze beslissing de rechtbank bij haar de schijn van vooringenomenheid heeft opgewekt.

Voor zover de kwalificatie door de raadsman dat in casu sprake is geweest van een 'ontijdig gedaan wrakingverzoek' op haar plaats is, beantwoordt het hof de vraag of, gezien de motivering van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, sprake is van dusdanig onbehoorlijk optreden van het openbaar ministerie dat dit behoort te worden gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde beroep, ontkennend.

Uit de omstandigheid dat de officier van justitie van oordeel is dat bij haar de schijn is gewekt dat de rechtbank vooringenomen was, zonder dat zij daaraan overigens enige consequentie verbindt, kan niet de conclusie worden getrokken dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het geen rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van hoger beroep, mede gelet op de omstandigheid dat het hoger beroep uitdrukkelijk eerst en vooral is gericht geweest tegen de gegeven beslissingen tot vrijspraak en de advocaat-generaal, zoals zij heeft verklaard, een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de invulling van dat hoger beroep.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van procesrecht. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven. Het hof komt - evenals de rechtbank - tot een algehele vrijspraak, maar op andere gronden.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 4 gevorderd en onttrekking aan het verkeer van de onder de verdachte in beslaggenomen ploertendoder. Voor het overige heeft zij om teruggave aan de verdachte van het beslag gevorderd.

Vrijspraak

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en op grond van de inhoud van het dossier overweegt het hof als volgt.

Aan de verdachte is medeplegen van mensenhandel ten laste gelegd, in die zin dat hem wordt verweten - kort gezegd - dat hij drie vrouwen, te weten [aangeefster 1] (feit 1), [aangeefster 2] (feit2) en [aangeefster 3] (feit 3) door het gebruik van een aantal in de tenlastelegging omschreven genoemde middelen en omstandigheden met het oogmerk van uitbuiting in de prostitutie heeft gebracht en gehouden.

Het bewijsminimum.

Het hof stelt het volgende voorop.

Volgens het tweede lid van art. 342 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit zogenoemde bewijsminimum heeft betrekking op de verklaringen van getuigen afgelegd ter zitting, maar is eveneens van toepassing op getuigenverklaringen die zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512 en HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515, m.nt. Borgers).

Twee getuigenverklaringen uit dezelfde bron resulteren niet in twee te onderscheiden bewijsgronden die door de 'unus testis'-regel minimaal worden verlangd ter onderbouwing van de bewezenverklaring als geheel. De strekking van artikel 342, lid 2 Sv noopt dus tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron.

Voorts gaat het niet slechts - kwantitatief - om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook of de aangifte(n) in voldoende mate - kwalitatief - word(t)en ondersteund door ander bewijsmateriaal, dat wil zeggen: voldoende worden ondersteund door bewijsmateriaal uit andere bron. Anders gezegd, er dient een inhoudelijk verband te bestaan tussen de verklaring van de getuige en het overige gebezigde bewijsmateriaal. Indien een dergelijk verband ontbreekt, zal er 'onvoldoende steun' bestaan (vgl. HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en 496, m.nt. Borgers).

Toegepast op de onderhavige zaak overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof ontbreekt het, met uitzondering van de verklaringen van aangeefsters, in onderhavige zaak aan ondersteunende bewijsgronden die redengevend zijn voor de ten laste gelegde feiten en een inhoudelijk verband hebben met de verklaringen van de aangeefsters.

In het requisitoir besteedt de advocaat-generaal aandacht aan de vraag of de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar zijn (p. 14 van het requisitoir). De advocaat-generaal acht de verklaringen van de aangeefsters authentiek, terwijl deze bovendien worden bevestigd door ander bewijs en elkaar ook onderling versterken (p. 18 van het requisitoir). Voor de onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster bevat het door de advocaat-generaal aangevoerde bewijsmateriaal verklaringen van andere prostituees, verklaringen van taxichauffeurs, telefoontaps, diverse geldstortingen en Mot-meldingen ( p. 18 t/m p. 21 van het requisitoir). Op grond van het aangevoerde bewijsmateriaal acht de advocaat-generaal bewezen dat de verdachte een rol in de vrouwenhandel heeft gespeeld (p. 22 van het requisitoir).

Naar het oordeel van het hof geeft de advocaat-generaal met het aangevoerde bewijsmateriaal weliswaar een sfeerbeeld van de raamprostitutie/escortservice in Alkmaar en de rol van de verdachte daarbij als pooier, maar het hof volgt de advocaat-generaal niet in haar stelling dat daarmee inhoudelijk steunbewijs is geleverd voor de verklaringen van de aangeefsters en de daarbij aan de verdachte verweten gedragingen. Dat volgt naar het oordeel van het hof mede uit het requisitoir (p. 22 van het requisitoir), waarin de advocaat-generaal refereert aan de verklaringen van andere prostituees, die verklaren geheel vrijwillig in de prostitutie te werken, geen pooier hebben en geen geld behoeven af te dragen. Onduidelijk blijft in welke zin deze verklaringen inhoudelijk verband hebben met de verklaringen van de aangeefsters. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat de verdachte woont op adressen waar de verschillende prostituees wonen, de 06-nummers van de verschillende prostituees in de mobiele telefoons van de verdachte staan en de geldstortingen door verschillende vrouwen naar Hongarije. Het gaat immers om het te leveren bewijs inzake de gebruikte middelen, gedragingen en doelen als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) en daarvoor wordt onvoldoende steun gevonden in het hierboven aangevoerde bewijsmateriaal. Het hof volgt de advocaat-generaal in haar stelling dat niet alleen bij excessen sprake is van mensenhandel (p. 7 van het requisitoir), maar het oproepen van een bepaald sfeerbeeld van de prostitutiewereld alleen is niet voldoende om daarmee de strafbaarheid van die gedragingen in strafrechtelijke zin te bewijzen.

Het hof volgt de advocaat-generaal niet in haar vordering.

Het schakelbewijs.

Gelet op bovenstaande - onvoldoende minimum aan bewijsgronden - komt het hof niet meer toe aan de vraag of op basis van het leerstuk van het schakelbewijs het bewijs van mensenhandel in deze zaak geleverd kan worden.

Voor wat betreft het gebruik van schakelbewijs heeft het hof eerder geoordeeld (bij arrest van 8 september 2010, LJN BN6408) dat dit in beginsel niet ongeoorloofd is, maar dat dit slechts dan toelaatbaar is indien en voor zover het bewijs voor het ene feit redengevend is voor het bewijs van het andere ten laste gelegde feit, waarbij opmerking verdient dat de andere bewezenverklaringen die worden 'geschakeld' daarnaast zelfstandig moeten worden gefundeerd

Met het voorgaande als uitgangspunt heeft het hof bij het bewijsoordeel, slechts dan tot een bewezenverklaring kunnen komen indien en voor zover het bewijs voor het ene feit voldoende wordt ondersteund door andere bewijsgronden die de verdachte rechtstreeks verbinden met het andere ten laste gelegde feit.

Uit voorgaande overwegingen ten aanzien van het bewijsminimum volgt dat geen van de ten laste gelegde feiten zelfstandig gefundeerd worden met voldoende bewijsmateriaal dat vervolgens redengevend is voor de andere ten laste gelegde feiten.

Al het voorgaande overwegende is naar het oordeel van het hof daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Onttrekking aan het verkeer

Blijkens het proces-verbaal van 27 november 2007, opgemaakt door I.J. Mulder, hoofdagent/rechercheur van politie, is (bij zijn aanhouding) onder de verdachte inbeslaggenomen een ploertendoder. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep namens zijn verdachte verklaard dat de ploertendoder de verdachte toebehoort en dat deze niet terug wil hebben.

Volgens het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder 3 is een ploertendoder een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie.

Het hof stelt vast dat met betrekking tot het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een ploertendoder dat aan de verdachte toebehoort, een strafbaar feit is begaan, namelijk overtreding van de Wet wapens en munitie, terwijl een ploertendoder van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Gelet hierop dient -niettegenstaande de beslissing tot vrijspraak - de inbeslaggenomen ploertendoder te worden onttrokken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften:

Wetboek van Strafrecht artikelen 36b en 36d.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg wat betreft het onder 4 ten laste gelegde nietig.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen, niet teruggegeven ploertendoder, vermeld onder nummer 2 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslag genomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de overige op voormelde lijst vermelde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. M. Jurgens en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 maart 2012.