Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9304

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
200.082.610-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Portretrecht, artt. 8 en 10 EVRM; publicatie foto verdachte van een misdrijf onrechtmatig geoordeeld. Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaaknummer 200.082.610/01

20 maart 2012

GERECHTSHOF AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ A ],

APPELLANT,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [ GEÏNTIMEERDE sub 2 ],

met gekozen woonplaats te [ A ],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Partijen worden hierna [ Appellant ] en Het Parool c.s. genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 10 februari 2011 is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2010, met zaak-/rolnummer 455831/HA ZA 10-1160 gewezen tussen hem als eiser en Het Parool c.s. als gedaagden. [ Appellant ] heeft daarbij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de in eerste aanleg gevorderde verklaring voor recht en de hoofdelijke veroordeling tot immateriële schadevergoeding van € 10.000,= alsnog bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

[ Appellant ] heeft bij memorie zeven grieven aangevoerd en producties in het geding gebracht. Hij heeft bij gelegenheid van na te noemen pleidooien doen weten dat hij, in afwijking van het petitum van de memorie van grieven, concludeert overeenkomstig het petitum van de appeldagvaarding.

Het Parool c.s. hebben bij memorie de grieven bestreden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van het hoger beroep.

[ Appellant ] en Het Parool c.s. hebben hun zaak ter terechtzitting van 9 februari 2012 doen bepleiten door mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, respectievelijk mr. Van den Brink voornoemd, mede aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Partijen hebben daarbij nog enige inlichtingen verschaft en [ Appellant ] heeft nog enkele stukken in het geding gebracht.

Ten slotte is gevraagd arrest te wijzen.

2. De feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vastgesteld. Grief I is gericht tegen de vaststelling onder 2.7. Voor het overige bestaat over de feiten geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3. De beoordeling in hoger beroep

3.1 Het gaat, mede gelet op hetgeen overigens uit de gedingstukken blijkt en niet of onvoldoende is weersproken, in deze zaak om het volgende.

3.1.1 Geïntimeerde sub 1 is uitgeefster van het dagblad Het Parool, waarvan geïntimeerde sub 2, [ Geïntimeerde sub 2 ], de hoofdredacteur is.

3.1.2 [ Appellant ] heeft een rol vervuld in een vijfdelige NPS documentaireserie “Vrije Radicalen”. Deze documentaire is vervaardigd in 2007. Een van de afleveringen is gewijd aan [ Appellant ], die gedurende enige tijd is gevolgd door een cameraploeg. De aflevering met [ Appellant ] is door de NPS op televisie uitgezonden op 24 november 2007. Deze uitzending is herhaald op 28 juni 2008. De aflevering met [ Appellant ] was tot eind 2009 via www.uitzendinggemist.nl gratis te bekijken via internet.

3.1.3 In 2009 heeft [ Appellant ] meegewerkt aan een op YouTube gepubliceerde rapclip ter nagedachtenis aan een in de Bijlmer neergeschoten rapper. In die clip is [ Appellant ] herkenbaar te zien.

3.1.4 [ Appellant ] kreeg in 2009 hulpverlening aangeboden door Spirit, een in Amsterdam gevestigde hulpverleningsinstantie voor dakloze jongeren. Op 15 juni 2009 heeft een gewelds¬misdrijf plaatsgevonden in een opvanghuis van Spirit. Daarbij zijn drie medewerksters van Spirit met een mes gestoken. Een van de drie medewerksters is aan haar verwondingen overleden, de twee andere medewerksters raakten zwaar gewond. [ Appellant ] is dezelfde dag aangehouden als verdachte van dat geweldsmisdrijf.

3.1.5 Voorafgaand aan de behandeling van de strafzaak tegen [ Appellant ] op 24 september 2009 verscheen op zaterdag

19 september 2009 op pagina 3 van Het Parool onder de kop “[ Naam appellant ] rapper ‘met kort lontje’” een artikel over [ Appellant ] (hierna ook: het artikel). Het artikel wordt op pagina 17 vervolgd onder de kop “’Mijn moeder liet me vallen’” en de subkop “[ Naam appellant ], die hulpverleenster van Spirit vermoordde, is hoofdpersoon in NPS-documentaire”. De tekst op laatstgenoemde pagina gaat vergezeld van een foto van [ Appellant ] die in het midden van de pagina is afgedrukt. De foto is drie kolommen breed en is ongeveer even hoog. Op de foto is het gezicht van [ Appellant ] van dichtbij afgebeeld. De foto heeft als onderschrift “[ Naam appellant ], met het litteken dat hij opliep bij een enorme vechtpartij”. Onder de foto is verder vermeld: “uit documentaire ‘vrije radicalen’”. De foto is een zogenoemde “still” uit de NPS-documentaire. In het artikel wordt een beschrijving gegeven van de persoon van [ Appellant ], zijn persoonlijke omstandig¬heden en zijn achtergronden. Dat gebeurt door middel van citaten van hetgeen [ Appellant ] in de NPS-documentaire over zichzelf vertelt en aan de hand van hetgeen [ Appellant ] in die documentaire van zichzelf en zijn leven laat zien. In het artikel komen aldus onder meer aan de orde: de sympathie van [ Appellant ] voor een jeugdbende (de Crips), dat [ Appellant ] een rapper is, zijn levenswijze als (gewezen) dakloze, zijn strafblad vanwege openlijke geweld¬pleging en mishandeling en de relatie met zijn moeder.

3.1.6 Het artikel en de foto zijn direct na publicatie in Het Parool ook geplaatst op de website www.hetparool.nl. Op 30 december 2009 is de foto van [ Appellant ] bij genoemd artikel op de website verwijderd.

3.2 [ Appellant ] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de publicatie van zijn portret in Het Parool van 19 september 2009 en op voornoemde website van 19 september 2009 tot en met 30 december 2009 onrechtmatig was en dat Het Parool c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,=.

3.3 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [ Appellant ] belast met de kosten van het geding. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, als volgt overwogen. Het Parool heeft met het artikel, welk artikel mede een beeltenis van het gezicht van [ Appellant ] omvat, informatie gepubliceerd die de persoonlijke levenssfeer van [ Appellant ] betreft. De foto van [ Appellant ] die daarbij is gepubliceerd staat in direct en functioneel verband tot de inhoud van het artikel. In dat artikel wordt beschreven dat [ Appellant ] in de NPS-documentaire heeft verteld dat hij het grote litteken op zijn gezicht heeft opgelopen bij een vechtpartij met dertig jongens, waarbij hij het voor een vriend opnam. De foto van het gezicht van [ Appellant ], die afkomstig is uit de NPS-documentaire en waarop dat litteken zichtbaar is, is blijkens het onderschrift bij de foto bedoeld als illustratie van die passage in het artikel. De documentaire was ten tijde van de publicatie in Het Parool door middel van de website uitzendinggemist.nl nog toegankelijk voor het publiek. Door zijn medewerking te verlenen aan de documentaire heeft [ Appellant ] er zelf toe bijgedragen dat hij werd blootgesteld aan aandacht in verband met zijn betrokkenheid bij het geweldsmisdrijf in het opvanghuis van Spirit. Gelet op de achtergrond, inhoud en totstandkoming van het artikel en de rol die de foto bij dat artikel vervult, is geen plaats voor het oordeel dat Het Parool c.s. onrechtmatig jegens [ Appellant ] hebben gehandeld door zonder diens toestemming tot openbaar¬making van die foto over te gaan. Het belang van [ Appellant ] dat hij in detentie niet via de door Het Parool c.s. gepubliceerde foto in verband gebracht kan worden met het geweldsmisdrijf legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal om zich tegen de openbaarmaking van de foto door Het Parool c.s. te verzetten.

3.4 Grief I van [ Appellant ] is gericht tegen de vermelding, in rechtsoverweging 2.7 van het bestreden vonnis, van feiten die pas na de publicatie van de foto bekend zijn geworden, met name de veroordeling van [ Appellant ] door de rechtbank Amsterdam in de tegen hem aanhangig gemaakte strafzaak. Wat hiervan verder ook zij, de rechtbank heeft de desbetreffende feiten niet ten nadele van [ Appellant ] in haar overwegingen betrokken. De grief kan [ Appellant ] daarom niet baten.

3.5 De overige grieven zullen gezamenlijk worden behandeld. [ Appellant ] heeft, kort gezegd, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft stilgestaan bij de onschuldpresumptie en de context van het artikel en de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de publicatie van de foto. Er waren geen bijzondere omstandigheden die publicatie van de foto rechtvaardigden. Hij was geen bekende persoonlijkheid, ook niet door zijn medewerking in 2007 aan de documentaire, aldus [ Appellant ].

3.6 Zoals de rechtbank heeft overwogen is niet in geschil dat [ Appellant ] op de foto herkenbaar in beeld is en dat het hierbij gaat om een niet in opdracht van [ Appellant ] vervaardigd portret dat openbaar is gemaakt in Het Parool en op de website www.hetparool.nl. Op grond van artikel 21 Auteurswet is openbaarmaking van een zonder opdracht van de geportretteerde gemaakt portret niet geoorloofd, voor zover een redelijk belang van de geportretteerde zich tegen openbaarmaking verzet. Onder een redelijk belang als bedoeld in dit artikel valt de bescherming van de geportretteerde, in dit geval [ Appellant ], tegen inbreuken op zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt naar zijn inhoud mede bepaald door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit fundamentele recht van [ Appellant ] kan botsen met het fundamentele recht van Het Parool c.s., uitgeefster en hoofdredacteur van dagblad Het Parool, op vrijheid van meningsuiting. De rechtbank heeft dit ook tot uitdrukking gebracht in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis en heeft terecht overwogen dat de openbaarmaking van de gewraakte foto in Het Parool en via de website www.hetparool.nl is aan te merken als een meningsuiting in de zin van artikel 10 EVRM.

3.7 Het gaat in deze zaak dus om een botsing van twee fundamentele rechten. De gelijkwaardigheid van deze rechten brengt mee dat de toetsing in één keer dient te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere, meebrengt dat daarmee inbreuk op het andere recht voldoet aan de betreffende noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van artikel 8 onderscheidenlijk 10 EVRM.

3.8 De rechtbank heeft overwogen dat [ Appellant ] uitsluitend de openbaarmaking van de foto aan de orde heeft gesteld en niet de inhoud van het artikel. [ Appellant ] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de teneur van het artikel, in vergelijking tot de documentaire, te negatief is over hem als persoon. Volgens [ Appellant ] blijkt uit de documentaire ook dat hij zachtaardige kanten heeft, terwijl het artikel alleen focust op zijn agressieve kanten.

3.9 Daargelaten dat het artikel niet alleen focust op zijn agressieve kanten, maar, net als de documentaire, bijvoorbeeld ook aandacht besteedt aan de relatie tussen [ Appellant ] en zijn moeder, is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat in het artikel bepaalde aspecten uit de documentaire meer op de voorgrond treden dan andere niet betekent dat in het artikel een feitelijk onjuist beeld wordt geschetst. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de beschrijving van de persoon van [ Appellant ] in het artikel – in woord en beeld – op betrekkelijk zakelijke wijze plaats¬vindt en dat die beschrijving voor het publiek relevant is omdat daarmee een verband wordt gelegd tussen de persoon van [ Appellant ] en zijn persoonlijke omstandig¬heden en achtergronden zoals die naar voren komen in de documentaire enerzijds en de aard en de ernst van het geweldsmisdrijf waarvan hij wordt verdacht anderzijds.

3.10 Ofschoon aan Het Parool c.s. kan worden toegegeven dat de foto geen details of his private life bevat, de zeggingskracht van het artikel versterkt en op zichzelf relevant is, is het hof van oordeel dat met de publicatie van de beeltenis van zijn gezicht bij het artikel inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [ Appellant ]. Hierbij moet worden bedacht dat [ Appellant ] blijkens het artikel wordt verdacht van een (zeer ernstig) strafbaar feit. De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of deze inbreuk, gelet op de vrijheid van meningsuiting van Het Parool c.s. onrechtmatig is jegens [ Appellant ].

3.11 Het hof is van oordeel dat zulks het geval is. [ Appellant ] hoeft naar het oordeel van het hof de publicatie van het herkenbare portret bij het artikel niet te dulden. Zonder wezenlijk afbreuk te doen aan de zeggingskracht van het artikel, hadden het Parool c.s. immers een minder herkenbaar portret van [ Appellant ] kunnen publiceren, bijvoorbeeld door het plaatsen van een balkje over de ogen. Het Parool c.s hebben in dit verband aangevoerd dat hierover in andere zaken ook wel is geoordeeld dat deze maatregel extra criminaliserend werkt, maar dat gaat in deze zaak niet op, omdat het artikel in het teken stond van de verdenking van een geweldsmisdrijf en de op handen zijnde behandeling daarvan door de strafrechter. Het hof is van oordeel dat bij de publicatie van portretten van verdachten van strafbare feiten in beginsel terughoudendheid op zijn plaats is.

3.12 De omstandigheid dat [ Appellant ] in 2007 actief heeft meegewerkt aan de documentaire, die in november 2007 en juni 2008 op televisie is uitgezonden en tot eind 2009 op internet viel te bekijken, rechtvaardigt niet het plaatsen van een herkenbaar portret bij het artikel over die documentaire en de aanstaande strafzaak. Door zijn medewerking aan die documen¬taire (en aan de op YouTube gepubliceerde rapclip) is [ Appellant ] niet een zodanig publiek figuur geworden dat hij daardoor moet dulden dat zijn herkenbare portret werd gepubliceerd bij het artikel in het landelijk dagblad Het Parool en op de website www.hetparool.nl, te minder omdat hij daardoor herkenbaar in verband werd gebracht met een (zeer ernstig) strafbaar feit. Zoals hiervoor is overwogen had een minder herkenbaar portret de aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer kunnen beperken, zonder wezenlijk afbreuk te doen aan de zeggingskracht van het artikel. Dat thans nog portretten van [ Appellant ] op internet kunnen worden gevonden (afkomstig uit de documentaire en de rapclip), kan niet tot een ander oordeel leiden. Van belang is immers dat Het Parool c.s. destijds een foto hebben gepubliceerd in de krant, die – anders dan bij het gebruikmaken van internet - in één oogopslag en zonder verdere handelingen waargenomen kon worden. De vrijheid die Het Parool c.s. in beginsel hebben om naar eigen inzicht te bepalen op welke wijze zij een nieuwswaardig feit onder de aandacht van het publiek willen brengen, gaat niet zover dat het hun in de concrete omstandigheden van deze zaak vrijstond een herkenbaar portret van [ Appellant ] bij het artikel te plaatsen.

3.13 Alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is het hof dan ook van oordeel dat het recht van [ Appellant ] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer zwaarder dient te wegen dan het recht van Het Parool c.s. op vrijheid van meningsuiting. Daarmee is het onrechtmatig handelen van Het Parool c.s. jegens [ Appellant ] gegeven. De grieven II tot en met VII slagen in zoverre. Voor het overige behoeven zij geen bespreking. Er zijn geen stellingen uit de eerste aanleg onbesproken gebleven die tot een ander oordeel moeten leiden. Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.

3.14 [ Appellant ] is door het plaatsen van het herkenbare portret bij het artikel in zijn persoon aangetast. Dat rechtvaardigt een immateriële schadevergoeding. Het hof stelt deze billijkheidshalve vast op € 1.500,=. [ Appellant ] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die een hoger bedrag rechtvaardigen. Het beroep van Het Parool c.s. op eigen schuld van [ Appellant ] strandt, omdat daarvoor geldt wat hiervoor onder 3.12 is overwogen en omdat niet valt in te zien dat de aantasting in de persoon van [ Appellant ] minder was geweest als hij direct tegen de publicatie was opgetreden en niet pas ruim drie maanden later.

3.15 Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven. Het hof zal dit vonnis vernietigen en de vorderingen van [ Appellant ] als na te melden alsnog toewijzen. Het Parool c.s. dienen als de groten¬deels in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep te dragen.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de publicatie van het herkenbare portret van [ Appellant ] bij het aan hem gewijde artikel in het Parool van 19 september 2009 en op de website www.hetparool.nl van 19 september 2009 tot en met 30 december 2009 onrechtmatig was,

veroordeelt Het Parool c.s. hoofdelijk tot betaling aan [ Appellant ] van een bedrag van € 1.500,= (vijftienhonderd euro),

veroordeelt Het Parool c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [ Appellant ] begroot op € 314,= aan verschotten en op € 904,= aan salaris advocaat, op de voet van artikel 243 Rv te betalen aan de griffier van de rechtbank,

veroordeelt Het Parool c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot heden aan de zijde van [ Appellant ] begroot op € 374,81 aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris advocaat,

verklaart dit arrest ten aanzien van voormelde ¬veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en J. Blokland en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 maart 2012.