Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9005

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
23-004368-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

‘Dollemansrit’. De verdachte heeft, terwijl aan hem geen rijbewijs was verstrekt en hij onder invloed was van cocaïne zeer gevaarzettend rijgedrag getoond. Hij heeft zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat andere verkeersdeelnemers, tengevolge van zijn rijgedrag van het leven zouden worden beroofd, zodat zijn opzet - in de zin van voorwaardelijk opzet - op die levensberoving betrekking had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004368-10

datum uitspraak: 14 maart 2012

TEGENSPRAAK

(gemachtigde raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-670597-10 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,

volgens de raadsman verblijvende op het adres [adres], [woonplaats] of bij zijn moeder (zonder opgave van adresgegevens).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 30 september 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 in de gemeente Waterland, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [C. de B.] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto (met hoge snelheid, in elk geval met een aanmerkelijke snelheid) op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en/of blijven rijden terwijl een auto bestuurd door voornoemde [C. de B.] hem tegemoet kwam en moest uitwijken om een (frontale) aanrijding of botsing met zijn verdachtes auto te voorkomen;

feit 2:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 in de gemeente Waterland, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de provinciale weg N247, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [C. de B.]) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 3 primair:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te in de gemeente Waterland, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [K.S.] en/of [T.C.], politieambtena(a)r(en) belast met de achtervolging en/of aanhouding van verdachte en aldus werkzaam gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem bestuurde auto tegen het politiedienstvoertuig waarin die [K.S.] en/of [T.C.] was/waren gezeten, is aangereden;

feit 3 subsidiair:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 in de gemeente Waterland, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend met een door hem bestuurde auto tegen een politiedienstvoertuig is aangereden, waarin de politieambtena(a)r(en) [K.S.] en/of [T.C.] was/waren gezeten, en die belast was/waren met de achtervolging en/of aanhouding van hem, verdachte, en aldus werkzaam was/waren gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, waardoor voornoemde [K.S.] en/of [T.C.] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

feit 4:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een politiedienstauto (met k[kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een door hem verdachte bestuurde auto tegen die politiedienstauto aan te rijden (waardoor de rechtervoorbumper van die politiedienstauto werd beschadigd);

feit 5:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Nieuwe Leeuwarderweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [S.H.]) letsel en/of schade was toegebracht;

feit 6:

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te Amsterdam en/of in de gemeente Waterland als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op een of weg(en), waaronder de Nieuwe Leeuwarderweg en/of de provincialeweg N247, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman heeft - zo begrijpt het hof - aangevoerd dat het openbaar ministerie onvoldoende zorgvuldig is geweest in de procesvoorbereiding ten aanzien van feit 1 door de verbalisanten [K.S.], [T.C.], [P. van L.] en [D.H.] niet nader te bevragen met betrekking tot het voorval, dan wel die verbalisanten als getuigen op te roepen. De waarheidsvinding heeft hieronder geleden. Door deze onvolledigheid in het voorbereidend onderzoek zijn de belangen van de verdediging bij de procedure in eerste aanleg geschaad en is de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging op zijn plaats. Aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verbalisanten [K.S.] en [T.C.] hebben hun bevindingen inzake het op 27 juni 2010 voorgevallene opgetekend in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina B9). Zij hebben bovendien ieder voor zich hun aangifte laten optekenen in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal (dossierpagina's B1 respectievelijk B12). Ook de verbalisanten [P. van L.] en [D.H.] hebben hun bevindingen ter zake het voorgevallene opgetekend in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina E1). Uit de omstandigheid dat in voornoemde processen-verbaal het onder 1 ten laste gelegde voorval niet of nauwelijks aan de orde komt, leidt het hof af dat het voorval door de desbetreffende verbalisanten niet is waargenomen. De verbalisanten [T.C.], [P. van L.] en [D.H.], als getuigen bij de rechter-commissaris gehoord, hebben dit ook bevestigd.

Wat daarvan ook zij, het hof ziet onder de gegeven omstandigheden niet in, welk voorschrift in het voorbereidend onderzoek is geschonden dan wel, welk belang van de verdachte zou zijn geschonden. Te minder daar het de raadsman vrijstond ook in eerste aanleg te verzoeken de desbetreffende verbalisanten als getuigen te doen oproepen, zoals door hem in hoger beroep is gedaan. In ieder geval is geen sprake van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de strafvervolging van de verdachte. Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Uit de verklaringen van de verbalisanten [K.S.] en [T.C.] (hierna weergegeven als bewijsmiddelen 7 en 8) leidt het hof af dat - terwijl hun politieauto dwars op de rijrichting van de verdachte stond geparkeerd - de verdachte in de richting van de verbalisanten heeft gekeken, hij zijn beide handen aan het stuur had en hij - zijn snelheid vermeerderend - in de richting van de politieauto is gereden. Hoewel de verdachte volgens de verbalisanten in ieder geval aan de achterzijde van de politieauto voldoende ruimte had om te passeren, is hij tegen het rechterachterportier van de politieauto aangereden.

Het hof leidt uit die verklaringen voorts af dat de verdachte even daarvoor een U-bocht had gemaakt en dat de afstand tussen de verdachte en de verbalisanten op het moment dat de verdachte snelheid ging maken gering was.

Uit die feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan - naar het oordeel van het hof - niet worden afgeleid dat de verdachte met het opzet om de verbalisanten voornoemd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op hen is ingereden. De uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte duidt veeleer op mishandeling, zoals subsidiair ten laste gelegd, de gevolgen daarvan evenzeer.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft betoogd - zo begrijpt het hof - dat de verdachte geenszins de aanmerkelijke kans op zijn dood noch op die van mevrouw [C. de B.] heeft aanvaard, integendeel. Het is goed mogelijk dat mede door het rijgedrag van de verdachte een frontale botsing is vermeden. In ieder geval waren beiden auto's onder controle. Dit vindt bevestiging in het feit dat geen van de verbalisanten die de verdachte achtervolgden de aanrijding heeft gezien. Daarbij komt nog dat het met het gevaarzettende rijgedrag van de verdachte wel heeft meegevallen. In ieder geval kan niet worden bewezen dat de verdachte zich aan het onder 1 ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de orde is de vraag of de verdachte op 27 juni 2010 de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn rijgedrag het leven zouden laten desbewust heeft aanvaard en op de koop heeft toe genomen. Het voorwaardelijk opzet van de verdachte kan, behalve op grond van een verklaring van de verdachte, ook worden aangenomen op grond van de uiterlijke verschijningsvormen van het gedrag van een verdachte. Nu de verdachte in het onderhavige geval geen (inhoudelijke) verklaring heeft gegeven over dit feit, dient aldus daarnaar te worden gekeken.

Het hof acht in het onderhavige geval de navolgende bijzondere omstandigheden van belang:

- de verdachte bevond zich als bestuurder van een auto op de openbare weg, terwijl aan hem geen Nederlands rijbewijs is afgegeven en hij nog moest starten met zijn rijlessen (zoals hierna weergegeven bij bewijsmiddel 11);

- de verdachte heeft onderweg 'gebased' en verkeerde tijdens het rijden dus onder invloed van verdovende middelen (zoals hierna weergegeven bij bewijsmiddel 11 en het NFI rapport van 29 juli 2010, dossierpagina 48 e.v.);

- het rijgedrag van de verdachte vanaf het moment van de eerste aanrijding omstreeks 20.50 uur op de Wibautstraat te Amsterdam tot aan zijn aanhouding op de provinciale weg N247 omstreeks 21.20 uur (zoals hierna weergegeven bij de bewijsmiddelen 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 10).

Uit de inhoud van die bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte gedurende vrijwel het gehele tijdvak zeer gevaarzettend rijgedrag heeft getoond. Zo heeft hij, terwijl hij op de vlucht was voor drie hem achtervolgende politieauto's, rode verkeerslichten genegeerd, heeft hij de overige verkeersdeelnemers geen voorrang verleend, heeft hij doorgetrokken strepen genegeerd, is hij tegen het verkeer in gereden, heeft hij gevaarlijke inhaalmanoeuvres uitgevoerd, is tegen andere verkeersdeelnemers (rijdend in zijn rijrichting maar ook komend van de andere rijrichting) aangereden, heeft hij op sommige stukken onverantwoord hard gereden, is hij blijven doorrijden terwijl zijn portier steeds open ging en is hij tot twee maal toe op politieauto's ingereden.

Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich tijdens zijn 'dollemansrit' geen enkele rekenschap heeft gegeven van het wel en wee van de overige verkeersdeelnemers, noch van de gevolgen die zijn rijgedrag voor die anderen zouden kunnen hebben. Ook niet ten tijde van zijn 'confrontatie' met mevrouw [C. de B.].

Vooropgesteld wordt dat het hof uitgaat van de door [C. de B.] gegeven lezing omtrent de feitelijke toedracht van het gebeurde, reeds omdat de stelling van de raadsman dat de verdachte door zijn handelen een frontale botsing heeft voorkomen niet is gebaseerd op een verklaring van de verdachte en overigens ook geen steun vindt in de stukken van het dossier.

Uit de verklaring van [C. de B.] (zoals hierna weergegeven bij bewijsmiddel 5) blijkt dat zij reed op de provinciale weg N247, dat zij goed zicht had, dat het nog licht was en dat zij op dat moment extra geconcentreerd was, omdat zij vanuit de tegengestelde richting zwaailichten aan zag komen rijden. Zij zag vóór die zwaailichten twee personenauto's rijden (een rode en witte). Nadat één van die personenauto's haar was gepasseerd, zag zij plotseling een donkerkleurige auto recht op haar af komen rijden. Deze auto reed met vier wielen op haar weghelft. Alleen door (met een ruk) naar rechts te sturen, de busstrook op, heeft zij een frontale botsing kunnen voorkomen. De auto's hebben elkaar wel bij de flanken geraakt. Daarbij mag [C. de B.], die door het rijgedrag van de verdachte in een split second heeft moeten reageren, van geluk mag spreken dat er niet juist op dat moment een bus op de busstrook reed.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door op de in de bewijsmiddelen beschreven wijze aan het verkeer deel te nemen en door vervolgens te gaan inhalen en met zijn auto te gaan rijden op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer, waar op dat moment [C. de B.], die voor hem goed zichtbaar moet zijn geweest, aan kwam rijden en zich op relatief korte afstand voor hem bevond, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat andere verkeersdeelnemers, tengevolge van zijn rijgedrag van het leven zouden worden beroofd, zodat zijn opzet - in de zin van voorwaardelijk opzet - op die levensberoving betrekking had.

Het hof acht derhalve bewezen dat het opzet van de verdachte - in de zin van voorwaardelijk opzet - was gericht op het van het leven beroven van [C. de B.].

Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman nog betoogd dat het goed mogelijk is dat de verdachte niet heeft gemerkt dat de auto's elkaar hebben geraakt. Bovendien kon de verdachte gelet op de verkeerssituatie aldaar onmogelijk stoppen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht het, gelet op de aan de auto van [C. de B.] ontstane schade en de door haar gehoorde doffe klap, volstrekt onaannemelijk dat de verdachte niets van deze aanrijding heeft gemerkt. De stelling van de raadsman dat de verdachte daar op dat moment niet kon stoppen, treft evenmin doel. De verdachte had immers bij de zich daarna eerst voordoende mogelijkheid kunnen stoppen door bijvoorbeeld vaart te minderen en vervolgens aan de kant van de weg te stoppen. De verdachte is echter daarentegen op de vlucht gebleven, totdat hij door de politie werd aangehouden.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de verbalisanten [P. van L.], [K.S.] en [T.C.] onderling tegenstrijdig zijn en bovendien in strijd zijn met het voertuigenonderzoek, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van de verdachte voor het onder 3 primair en subsidiair en onder 4 ten laste gelegde.

Aan de raadsman moet worden toegegeven dat de onderscheiden processen-verbaal van bevindingen niet op alle punten uitblinken in helderheid, waar het gaat om de precieze rijroute van de verdachte en van de andere politieauto's alsmede ten aanzien van welke aanrijdingen waar hebben plaatsgevonden. Dit laat evenwel onverlet dat hetgeen de verbalisanten [K.S.] en [T.C.] (zoals hierna weergegeven bij de bewijsmiddelen 2, 7 en 8) hebben verklaard over de aanrijdingen van de verdachte met hun dienstauto helder en eenduidig is. Hun verklaringen vinden bovendien bevestiging in andere bewijsmiddelen.

Zo passen de door de verbalisanten beschreven aanrijdingen en de daardoor aan hun voortuig ontstane schade bij de in het proces-verbaal opnemen en interpreteren ongeval (dossierpagina D17 e.v.) aan hun dienstauto beschreven schade. Uit de foto/beschrijving op dossierpagina D27 blijkt immers dat schade is ontstaan aan de rechtervoorzijde van de politieauto, passend bij de eerste aanrijding, en uit de foto/beschrijving op dossierpagina D28 blijkt dat de politieauto aan de rechterachterzijde (het hof leidt uit de foto af: ter hoogte van het achterportier), passend bij de tweede aanrijding. De door de verbalisanten [J.M.] en [G.H.] gegeven interpretatie met betrekking tot het ontstaan van die schade doet daaraan niet af. Zij beschrijven immers slechts het vermoedelijke ontstaan van die schade (kennelijk op basis van de auto van de verdachte en de politieauto aangetroffen schade) zonder te weten, waar deze aanrijding heeft plaatsgevonden.

Ten slotte leidt het hof uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [P. van L.] en [D.H.] (zoals hierna weergegeven als bewijsmiddel 3, in het bijzonder pagina E3) nog af, dat zij hebben gezien dat de Volkswagen Polo tegen de rechterkant van de pitauto (het hof begrijpt: de dienstauto met de verbalisanten [K.S.] en [T.C.] aanreed.

Meer en Vaart-verweer

Daarnaast heeft de raadsman een Meer en Vaart-verweer gevoerd, inhoudende dat het voor de verdachte onmogelijk was het dienstvoertuig (van [K.S.] en [T.C.]) te ontwijken en dat de verdachte door gericht te handelen heeft getracht om een zware aanrijding te voorkomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen (zoals hierna weergegeven als bewijsmiddel 2, 7 en 8), waaruit blijkt dat minstgenomen aan de achterzijde van de dienstauto voldoende ruimte bestond voor de verdachte om te passeren. Daar komt nog bij dat indien de verdachte daadwerkelijk een aanrijding had willen voorkomen, zoals door de raadsman is betoogd, de verdachte simpelweg zijn voertuig tot stilstand had kunnen brengen. Dit heeft hij evenwel niet gedaan, niet op dat moment en ook niet, nadat hij de verbalisanten voor de tweede maal had aangereden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 27 juni 2010 in de gemeente Waterland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [C. de B.] van het leven te beroven met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer is gaan rijden terwijl een auto bestuurd door voornoemde [C. de B.] hem tegemoet kwam en moest uitwijken om een frontale aanrijding of botsing met zijn verdachtes auto te voorkomen;

feit 2:

hij op 27 juni 2010 in de gemeente Waterland als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de provinciale weg N247, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander te weten [C. de B.] schade was toegebracht;

feit 3 subsidiair:

hij op 27 juni 2010 in de gemeente Waterland opzettelijk mishandelend met een door hem bestuurde auto tegen een politiedienstvoertuig is aangereden, waarin de politieambtenaren [K.S.] en [T.C.] waren gezeten, en die belast waren met de achtervolging en aanhouding van hem, verdachte, en aldus werkzaam waren gedurende en ter zake de rechtmatige uitoefening van hun bediening, waardoor voornoemde [K.S.] en [T.C.] letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden;

feit 4:

hij op 27 juni 2010 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een politiedienstauto met k[kenteken] toebehorende aan de regiopolitie Amsterdam-Amstelland heeft vernield door met een door hem verdachte bestuurde auto tegen die politiedienstauto aan te rijden;

feit 5:

hij op 27 juni 2010 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Nieuwe Leeuwarderweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander te weten [S.H.] schade was toegebracht;

feit 6:

hij op 27 juni 2010 te Amsterdam en in de gemeente Waterland als bestuurder van een motorrijtuig een personenauto heeft gereden op wegen, waaronder de Nieuwe Leeuwarderweg en de provincialeweg N247, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hieronder in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010159436-3 van 27 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [F.B. ] en [I.M.] (dossierpagina B6 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Op 27 juni 2010 omstreeks 20.57 uur bevonden wij ons in uniform gekleed in onze dienstbus op het mr. J.D. Visscherplein te Amsterdam. Via de mobilofoon kwam de melding dat er een verlaten plaats ongeval had plaatsgevonden ter hoogte van de [adres]. Hier was een blauwe Volkswagen Polo weggereden. In het kenteken stond in ieder geval FJ en 73.

Ik, verbalisant [I.M.], zag dit voertuig staan voor het verkeerslicht op het Mr. J.D. Visscherplein voor verkeer rechtsaf richting IJ-tunnel. Ik, verbalisant [F.B. ], was de chauffeur van het voertuig. Ik reed meteen in de richting van het voertuig. Wij zagen dat het voertuig was voorzien van het kenteken [kenteken]. Wij zagen dat het voertuig de IJ-tunnel in reed in de richting van de Nieuwe Leeuwarderweg. In het midden van de tunnel kwamen wij links van hem rijden. Door het open raam riep ik, verbalisant [I.M.], door het geopende portierraam naar de chauffeur dat hij ons moest volgen. Wij zagen dat de chauffeur knikte als teken dat hij het had begrepen. Wij zagen dat de chauffeur ons volgde. Wij zagen dat hij plotseling naar links stuurde. Wij zagen dat hij moeite had met de versnelling, maar dat hij er met hoge snelheid vandoor in de richting van de A10. Wij volgden hem met zwaailicht en sirene en gaven onderwijl onze positie door via de mobilofoon. Wij zagen tot twee keer toe dat de man bij afslagen naar rechts stuurde alsof hij rechtsaf ging, maar met een gevaarlijke slingerbeweging toch rechtdoor ging. Op de kruising van de Nieuwe Leeuwarderweg met de afritten A10 zagen wij dat de bestuurder door rood reed. Bovenop het viaduct zagen wij de auto naar rechts sturen en hard afremmen. Ik, verbalisant [F.B. ], remde eveneens hard, maar kwam ongeveer twee meter voorbij de auto uit.

Ik, verbalisant [I.M.], stapte uit en rende in de richting van de bestuurder. Ik deed het portier van de bestuurder open. Ik zag dat de bestuurder weg begon te rijden.

Ik, verbalisant [F.B. ], zag dat de Polo draaide. Ik draaide mijn voertuig ook en ging achter de auto aan. Ik, verbalisant [F.B. ], zag dat de verdachte met hoge snelheid tegen de richting in over de Nieuwe Leeuwarderweg reed in de richting van de IJ-tunnel. Ik zag een grijze Honda Civic staan in het vak linksaf. Deze Civic stond te wachten voor een verkeerslicht. Ik zag dat de bestuurder van de Polo een rare slinger maakte en naar links schoof. Ik zag dat de Polo met de rechterzijde flank tegen flank tegen de linkerzijde van de Civic kwam. Ik, verbalisant [F.B. ], zag vervolgens dat de verdachte nog steeds tegen de richting in reed in de richting van de IJ-tunnel. Ik reed met zwaailicht en sirene achter de verdachte aan. Ik zag dat het linkerportier van de auto van de verdachte telkens openzwaaide en kennelijk niet meer sloot. Ik zag de verdachte telkens het portier dichtdoen en vasthouden, onderwijl met hoge snelheid rijdend. Ik zag dat hij een heel stuk op de weghelft voor verkeer in tegenovergestelde richting reed. Dit veroorzaakte paniek bij het tegengesteld verkeer, maar resulteerde niet in aanrijdingen, omdat iedereen kon uitwijken.

Wij hoorden dat hij bij hectometer paal 37.7 een aanrijding had veroorzaakt en niet meer verder kon en vervolgens is aangehouden. Wij begaven ons naar de plaats van het ongeval en zagen de verdachte op de weg liggen. Wij zagen dat de verdachte dezelfde man was als degene die wij in eerste instantie in de IJ-tunnel hadden aangesproken.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010159436-8 van 28 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [T.C.] en [K.S.] (dossierpagina B9 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Op 27 juni 2010 bevonden wij, verbalisanten, ons in uniform gekleed en met autosurveillance belast in een herkenbaar dienstvoertuig op de openbare weg de IJdoornlaan ter hoogte van de Waddenweg te Amsterdam. Aldaar hoorden wij over de portofoon dat er een achtervolging gaande was op de Nieuwe Leeuwarderweg te Amsterdam. Wij, verbalisanten, zagen voor ons over het viaduct van de Nieuwe Leeuwarderweg een zwarte personenauto met daarachter een politiebus met zwaailichten en sirene voorbijrijden. Wij, verbalisanten, zijn via de IJdoornlaan de Nieuwe Leeuwarderweg op gereden om assistentie te verlenen.

Wij zagen dat de personenauto inmiddels was klemgereden door de politiebus, die eerder achter dat voertuig aanreed. Wij reden richting de achterkant van de personenauto om te voorkomen dat hij er vandoor zou gaan. Voordat ik, tweede verbalisant, het dienstvoertuig in deze positie kon zetten zagen wij dat de bestuurder van de personenauto hard achteruit reed. Wij zagen dat de bestuurder vervolgens onze richting op reed. De bestuurder reed dus tegen de richting in op de Nieuwe Leeuwarderweg. Ik, tweede verbalisant, manoeuvreerde de dienstauto richting de personenauto van de verdachte teneinde hem te doen stoppen. Wij zagen en voelden dat de verdachte hard tegen ons dienstvoertuig aanreed. Wij zagen dat door deze aanrijding de ruit van de linkervoorzijde van de personenauto sneuvelde. Wij zagen dat de verdachte met de rechtervoorzijde van zijn auto de rechtervoorzijde van ons dienstvoertuig raakte. Wij zagen vervolgens dat de verdachte wegreed in de richting van de IJ-tunnel tegen de richting in van het overige verkeer.

Wij hebben hierop de achtervolging ingezet samen met de collega's die in de politiebus reden en de collega's van de 36.01. Wij zagen dat de verdachte reed op de Nieuwe Leeuwarderweg richting de IJ-tunnel en wij zagen dat hij vervolgens de toerit in de richting van de IJdoornlaan opreed. Wij zagen dat hij nog altijd tegen het verkeer in reed. Wij zagen dat de verdachte met zijn voertuig meerdere malen de rode verkeerslichten negeerde. Wij zagen dat de verdachte zijn snelheid niet verminderde. Wij zagen dat de verdachte met zijn auto slingerde om andere voertuigen heen. Wij zagen tevens dat hij over de doorgetrokken streep al slingerend meerdere auto's inhaalde. Wij zagen dat de verdachte slingerde om het tegemoetkomende verkeer te ontwijken. Ik, tweede verbalisant, heb voor de veiligheid van de overige weggebruikers gebruik gemaakt van mijn optische- en geluidssignalen.

Wij zagen dat de verdachte ter hoogte van het BovenIJ-ziekenhuis een zogenaamde U-bocht maakte en weer terug reed, via de IJdoornlaan, in de richting van de Nieuwe Leeuwarderweg.

Wij reden via de oprit van de IJdoornlaan de Nieuwe Leeuwarderweg weer op. Wij zagen dat de verdachte richting de Slochterweg weg reed. Op dat moment was onze snelheid ongeveer 100 kilometer per uur. Wij reden als tweede auto achter de collega's van de 36.01 achter de verdachte aan. De verdachte reed inmiddels op de provinciale weg de N247 richting Purmerend.

Ter hoogte van de Zeddeweg in de gemeente Waterland zagen wij dat de verdachte bij de rotonde rechtsaf sloeg. Wij zagen dat de verdachte vervolgens over de wegafscheiding heen reed en onze richting weer op reed. De verdachte keerde als het ware op de weg en reed weer naar de rotonde. Ik, tweede verbalisant, wilde de verdachte de pas afsnijden, zodat hij niet richting Purmerend kon rijden. Ik, tweede verbalisant, zette mijn dienstvoertuig stil. Vervolgens zagen en voelden wij dat de verdachte ons opzettelijk aanreed. Wij zagen namelijk dat de verdachte ons aankeek voordat hij ons aanreed. Wij zagen dat de verdachte ons dienstvoertuig wel had kunnen ontwijken en wij zagen tevens dat de verdachte snelheid vermeerderde. Wij zagen dat de verdachte met de voorzijde van zijn auto tegen de rechterzijkant van ons voertuig aan reed.

Wij zagen dat de verdachte vervolgens weer de provinciale weg de N247 op reed in de richting van Amsterdam. Wij hebben vervolgens de achtervolging weer ingezet. Wij zagen dat de verdachte wederom alle verkeersregels negeerde. Wij zagen namelijk dat de verdachte meerdere malen voertuigen inhaalde, terwijl er een doorgetrokken streep aanwezig was. Tevens gebruikte de verdachte meerdere malen de busstrook.

Ter hoogte van hectometerpaal 37,2 op de provinciale weg N247 zagen wij dat er een voertuig van de DCIV de weg blokkeerde, zodat de verdachte er niet langs zou kunnen rijden. Wij zagen dat de verdachte via de linkerzijde het voertuig van de DCIV wilde ontwijken. Wij zagen namelijk dat de verdachte naar links stuurde. Wij zagen dat door deze manoeuvre het voertuig van de verdachte in de slip raakte, waardoor hij tegen de vangrail aanreed. Vervolgens zagen wij dat de verdachte door collega's van de 36.01 en de DCIV uit de auto werd gehaald en werd aangehouden.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010159436-5 van 28 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [P. van L.] en [D.H.] (dossierpagina E1 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Op 27 juni 2010 omstreeks 21.00 uur reden wij, verbalisanten, in uniform gekleed en met noodhulpdienst 3601 belast op de Ruyschstraat te Amsterdam. Aldaar kregen wij de melding uit te kijken naar een blauwe Volkswagen Polo (hierna: Polo) met het kenteken gelijkend op [kenteken]. Vervolgens zijn wij rechtsaf de Wibautstraat opgereden in de richting van het Waterlooplein. Wij hoorden dat het voertuig reed ter hoogte van de IJ-tunnel in de richting Volendam. Hierna zijn wij vanaf het Waterlooplein door de IJ-tunnel gereden in de richting van Volendam.

Toen wij aankwamen op de Nieuwe Leeuwarderweg zagen wij de 0026 staan (het hof begrijpt: de politiebus met de hondengeleiders). Op dat moment hebben wij onze geluids- en lichtsignalen aangezet. Aan de rechterzijde van de 0026 stond de Polo. Vervolgens zagen wij de Polo achteruit rijden. Hierbij moesten wij een flinke stuurmanoeuvre maken naar links om de Polo te ontwijken. Vervolgens hebben wij ons voertuig gekeerd op de rijbaan en stonden met de voorzijde van de auto in de richting van de IJ-tunnel tegen het verkeer in. Vervolgens zagen wij een van de collega's van de 0026 de uit de bus stappen en in de richting van de Polo lopen. Hierna zagen wij de Polo wegrijden, tegen het verkeer in, in de richting van de IJ-tunnel. Ook zagen wij dat het bestuurdersportier van de Polo openstond. Vervolgens zagen wij dat de Polo tegen een grijs voertuig aan reed, dat op de linkerbaan voorgesorteerd stond op de Nieuwe Leeuwarderweg voor linksaf. Hierna zagen wij dat de Polo tegen de richting in over de Nieuwe Leeuwarderweg in de richting van de IJ-tunnel reed. Wij zagen dat het voertuig met volle snelheid wegreed. Voor ons reed op dat moment de 0026, die achter de Polo aanreed. Wij zagen dat de Polo linksaf sloeg en de oprit opreed, die leidde naar de IJdoornlaan S115. Vervolgens zagen wij dat de Polo onderaan de afrit rechtsaf sloeg richting de IJdoornlaan. Wij zagen de Polo keren en terugrijden op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer in de richting van de oprit Nieuwe Leeuwarderweg in de richting van de A10. Wij zagen dat het voertuig continue het gas in trapte, ook zagen wij dat het voertuig slipte bij het keren en dat de deur van de bestuurder steeds open en dicht ging.

Wij zagen de 0026 op de IJdoornlaan keren. Wij zijn voor de 0026 gekeerd en achter de Polo aangereden. Wij zagen een pitauto achter ons aan komen rijden. Wij zagen dat de Polo sneller begon te rijden en wij hoorden de banden van het voertuig piepen op het wegdek. Onze eigen snelheid was op dat moment volgens de snelheidsmeter rond de 80 kilometer per uur. Wij zagen dat de Polo linksaf sloeg en de oprit van de Nieuwe Leeuwarderweg opreed. De Polo slipte een hierbij en hield geen rekening met het overige verskeer. Er kwam verkeer van rechts dat hij niet voor liet gaan.

Wij reden continue achter de Polo aan. De Polo is vanaf de Nieuwe Leeuwarderweg het viaduct met de A10 gepasseerd en is gereden richting Volendam. Wij zagen dat de Polo op de kruispunten voor en na het viaduct alle rode verkeerslichten heeft genegeerd. Vervolgens zijn wij de provincialeweg N247 opgereden. De N247 heeft meerdere wegnamen. We reden over de Slochterweg. Hierna zijn we de Middenweg opgereden in de richting van Monnickendam. Wij reden op dat moment 120 kilometer per uur en zagen dat de Polo van ons afreed. Op de Monnickenmeer werd de Polo opgehouden door overig verkeer. Meerdere malen is de Polo op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer gaan rijden en heeft hierbij meerdere malen de doorgetrokken streep genegeerd. Ook heeft de Polo meerdere voertuigen op dezelfde rijbaan als het overige verkeer ingehaald. Op de Jaagweg zagen wij dat de Polo een auto inhaalde en deze aan de linkerzijde raakte. Hierna vervolgde de Polo zijn weg met volle vaart. Op dat moment reden wij ongeveer 100 kilometer per uur.

Op de Jaagweg ligt een rotonde. Wij zagen de Polo op de juiste rijbaan de rotonde nemen. Wij zijn de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer opgereden om de rotonde te blokkeren. Wij zagen een andere pitauto de normale rijbaan volgen de rotonde op achter de Polo aan. Wij zagen dat de Polo met een linkswaartse bocht zijn voertuig heeft weten te keren. Wij zagen dat de Polo tegen de rechterachterkant van de pitauto aan reed. Vervolgens zagen wij de Polo op ons af komen rijden. Wij ontweken ternauwernood de Polo door een stuurmanoeuvre naar links te maken. Hierna reed de Polo tegen het verkeer in, waarna hij op de juiste weghelft ging rijden in de richting van Monnickendam. Wij zijn achter de verdachte aangereden. Wij hebben het transparante matrix-stopbord aangezet. De bestuurder van de Polo gaf hieraan geen gehoor en bleef zijn weg vervolgen. Op de Jagerweg zagen wij aan de rechterzijde in de berm een man zwaaien, die naast een voertuig stond op de plaats waar de Polo een auto had aangereden.

Wij zijn achter de Polo aangereden in de richting van Monnickendam. Vervolgens zagen wij een pitauto van de DCIV op de kruising staan, nabij hectometer paal 37.7. Wij zagen dat de DCIV onze rijbaan opreed en voor de Polo ging rijden. Wij zagen dat de DCIV zigzaggend op de weg reed om zo de weg voor de Polo te blokkeren. Wij zagen dat de Polo de DCIV aan de linkerzijde wilde passeren. Vervolgens week de Polo uit naar links en reed de middenberm in. Wij zagen dat de Polo hierdoor de macht over het stuur verloor en een lantaarnpaal raakte. De Polo reed door de middenberm onze rijbaan op en reed met volle snelheid tegen de betonnen vangrail aan die aan de rechterzijde van de weg stond. Hierna wilde de Polo achteruit rijden, waarna de DCIV de Polo aan de achterzijde klemreed. Hierna hebben wij onze voertuig stilgezet en zijn wij uit de auto gesprongen en naar de Polo toe gerend, samen met de collega's van de DCIV. Wij zagen dat de verdachte beide handen omhoog stak toen de collega's van de DCIV de Polo benaderden. Hierna zagen wij dat de collega de man vastpakte en uit de auto trok. Vervolgens hebben wij de man op 27 juni 2010 om 21.20 uur aangehouden.

4. Een proces-verbaal van overtreding met nummer 2010159436-15 van 29 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [P. van L.] (dossierpagina 26 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 27 juni 2010 omstreeks 21.00 uur reed ik op de Ruyschstraat te Amsterdam. Ik reed samen met collega [D.H.], in uniform gekleed en met noodhulpdienst 3601 belast, in een opvallend dienstvoertuig.

Ik kreeg een melding uit te kijken naar een blauwe Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken]. Het voertuig zou betrokken zijn geweest bij een aanrijding op de Wibautstraat te Amsterdam en zijn doorgereden. Vervolgens hoorde ik de hondengeleiders over de portofoon zeggen dat zij de verdachte zagen rijden door de IJtunnel te Amsterdam in de richting van de A10. vervolgens zijn wij die kant op gereden. Op de Nieuwe Leeuwarderweg ter hoogte van de oprit A10 in de richting van de A1 troffen wij de pitbus van de hondengeleiders aan, samen met een blauwe Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken].

Vanaf de Nieuwe Leeuwarderweg is een achtervolging ontstaan, die leidde tot meerdere schades aan verschillende voertuigen van politie en burgers. De verdachte heeft voor zeer gevaarlijke situaties gezorgd tijdens zijn rij- en vluchtgedrag, waarbij levens van meerdere weggebruikers op het spel stonden. Tevens is de verdachte meerdere keren tegen het verkeer ingereden en heeft hij verkeerslichten en verkeerstekens en -borden genegeerd.

Op (het hof begrijpt:) 27 juni 2010 omstreeks 21.20 uur heb ik, verbalisant voornoemd samen met mijn collega [D.H.] en een collega van de DCIV de verdachte aangehouden. Na de aanhouding is er in het voertuig van de verdachte een Nederlands paspoort aangetroffen met daarop een goedlijkende foto van de aangehouden persoon. De personalia van deze persoon zijn:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [1980]

Geboorteplaats/stad: [geboorteplaats].

Tijdens de achtervolging en na de aanhouding is gebleken dat de verdachte de bestuurder was van een Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken]. Uit onderzoek in het register Centraal Bureau Rijvaardigheid is gebleken dat de verdachte, zijnde de bestuurder van bovengenoemd voertuig niet in het bezit was van een geldig rijbewijs B, nodig voor het besturen van genoemd voertuig.

En voorts ten aanzien van de feiten 1 en 2

5. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL132C 2010159436-21 van 7 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [P.D.] en [P. van W.] (dossierpagina D11 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 juli 2010 tegenover verbalisanten voornoemd afgelegde verklaring van [C. de B.]:

Ik reed op 27 juni 2007 om 20.50 uur op de N247 in de gemeente Waterland. Ik ben toen aangereden, waarbij de bestuurder is doorgereden na de aanrijding.

Ik reed over de N247, dat is een weg met twee rijbanen. Een rijbaan voor het verkeer naar Monnickendam en een rijbaan voor het verkeer naar Edam. Ik reed in een BMW 5 serie ([kenteken]). Naast de rijbaan richting Monnickendam bevindt zich een busbaan. Er zit geen afscheiding tussen de rijbaan en de busstrook. Tussen de rijbanen zit deels een doorgetrokken streep en deels een onderbroken streep. Op de plek waar het gebeurde is de streep onderbroken.

Ik reed ongeveer 75 a 80 kilometer per uur. Ik had goed zicht. Er was daglicht. Ik zag verderop blauwe lichten. Ik zag meerdere blauwe lampen komen rijden uit de richting van Monnickendam. Ik bleef geconcentreerd voor het geval ik ruimte moest maken voor de politie. Ik bleef met dezelfde snelheid doorrijden. Ik zag een witte en een rode auto rijden vóór de blauwe lampen. Ik zag dat de politie er niet vlak achter reed. Een auto passeerde mij, ik dacht de witte. Opeens uit het niets zag ik een donkerkleurige auto recht op mij af komen rijden. Ik zag dat deze auto met vier wielen op mijn weghelft reed. Ik weet dat ik naar rechts heb gestuurd. Ik kwam hierdoor met mijn auto op de busstrook. Gelijktijdig is de auto tegen mij aangereden, aan de bestuurderskant, de kant waar ik zat. Ik hoorde een doffe klap. Ik ben uiteindelijk via de berm, naast de busbaan op een fietspad tot stilstand gekomen. Ik ben uiteindelijk uitgestapt. Toen ik naast mijn auto stond, zag ik dat de auto die mij eerder had geramd weer terug kwam rijden. Ik zag dat er achter de Volkswagen Polo twee politieauto's reden. De man die naast me stond heeft nog naar de politie gezwaaid, maar ze reden hard door. De politieauto's en de Volkswagen Polo verdwenen voor mij in de richting van Monnickendam uit het zicht.

Als ik mijn stuur niet naar rechts had gedaan, was het een frontale botsing geworden.

De schade aan de auto betreft in ieder geval dat er twee nieuwe deuren in moeten en er moet een nieuwe spiegel op.

6. Een proces-verbaal opnemen en interpreteren plaats ongeval met nummer A2010159436 van 7 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [J.M.] en [G.H.] (dossierpagina D17 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Voertuig 1: een personenauto Volkswagen Polo, kenteken [kenteken]

Voertuig 4: een personenauto BMW 523i, [kenteken]

Sporen aan voertuig 1 en 4.

Tijdens de achtervolging was er een aanrijding ontstaan tussen voertuig 1 en 4. Deze voertuigen waren elkaar tegemoet gekomen Hierbij zijn de voertuigen rakelings langs elkaar gereden waardoor de buitenspiegels van beide voertuigen elkaar geraakt hebben. Tijdens het voertuigonderzoek werden de buitenspiegels niet aangetroffen. De voertuigen hebben elkaar geraakt met de spiegels en de linkerzijde.

Er werd schade geconstateerd aan de linkerzijkant van het voertuig 4. De linkerspiegel was eraf gereden, er was schade aan de linkerzijkant: krassen in de linkerachterdeur en veegsporen.

En voorts ten aanzien van feit 3

7. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL132C 2010159436-16 van 29 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [P. van W.] (dossierpagina B1 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 juni 2010 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [K.S.]:

Op 27 juni 2010 omstreeks 21.05 uur verrichtte ik mijn dienst samen met collega [T.C.]. We reden in uniform in een herkenbare politieauto. De politieauto werd door mij bestuurd.

Zoals omschreven in ons proces-verbaal (het hof begrijpt: van bevindingen op pagina B9) zijn we op een gegeven moment aangekomen op de Zeddeweg in de gemeente Waterland. Dit is een weg bestaande uit twee rijbanen, gescheiden door middel van een verhoging. We reden eerst op de N247 in de richting van de rotonde Zeddeweg. Vlak voor die rotonde zag ik dat de verdachte met zijn auto scherp naar rechts reed en een naastgelegen weg op reed, die op de Zeddeweg aansluit. Vlak achter de bestuurder reed een ander dienstvoertuig, dat niet mee kon komen in de onverwachte beweging van de verdachte en gewoon de rotonde op moest rijden. Zelf zat ik achter dit eerste dienstvoertuig en ik had dus wel de mogelijkheid met de verdachte mee te rijden. Ik zag dat hij na ongeveer 50 meter een U-bocht maakt en over de Zeddeweg weer terug reed in de richting van de rotonde.

Ik heb toen mijn auto op de ander de rijstrook gezet, de rijstrook waar hij op reed. Ik zette mijn auto dwars op zijn rijrichting. Aan de voorkant kon hij niet voor me langs, aan de achterkant had hij ruimte om weg te kunnen rijden. Ik zag toen dat hij in mijn richting keek. Ik zag dat hij zijn twee handen aan het stuur had. Ik zag mijn collega vanaf zijn plek gebaren maken dat hij moest stoppen en ik hoorde hem dit ook schreeuwen, uit paniek want de verdachte had hem nooit kunnen horen. Ik was ook wel bang op dat moment. Je ziet toch een auto op je afkomen en je moet maar afwachten of hij je aanrijdt en zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn. Ik schat de afstand tussen de bestuurder en mijn voertuig ongeveer 10-15 meter. Ik zag dat de verdachte op ons afreed en ik zag en voelde dat hij ons voertuig aan de rechterachterzijde raakte. Ik dacht dat hij niet erg hard reed. Hoewel ik in de gordels zat, werd ik door de aanrijding zo heen en weer geslingerd dat ik met mijn ribben tegen de armleuning van een deur kwam. Dit deed veel pijn. Door de aanrijding werd ons voertuig wat weggeduwd, waardoor de verdachte zonder moeite zijn weg kon vervolgen.

Ten gevolge van de aanrijding heb ik mijn ribben aan de linkerkant gekneusd. De volgende dag had ik ook last van mijn nek, met name de spieren. Ik heb me laten onderzoeken in het BovenIJ-ziekenhuis. Een kopie van het betreffende formulier is bijgevoegd.

Bijlage (B5)

Betreft een letselverklaring van 27 juni 2010, ingevuld door de behandelend arts van het BovenIJ-ziekenhuis, inhoudende dat bij [K.S.] vermoedelijk sprake is van een kneuzing van de ribben. Ook is een rode streep zichtbaar van 2 a 3 centimeter lang net boven de pijnlijke ribben.

8. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL132C 2010159436-18 van 1 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [P.D.] (dossierpagina B12 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 juli 2010 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [T.C.]:

Op 27 juni 2010 omstreeks 21.05 uur verrichtte ik mijn dienst met collega [K.S.]. Wij reden in uniform in een herkenbare politieauto. De politieauto werd door Kamal bestuurd, ik was bijrijder.

We zijn bij een rotonde aangekomen. Op de rotonde zagen wij de bestuurder van de Polo de rotonde oprijden. Kamal is de rotonde linksop gereden. Wij moesten een soort hoge stoep/afscheiding oprijden. Ik zag rechts van mij de Polo op mij afkomen. Ik zag de bestuurder in onze richting kijken. Hij had beide handen aan het stuur. Ik heb met mijn hand een stopbeweging gemaakt naar de bestuurder van de Polo. Ik heb hierbij ook met luide stem geroepen: "Stoppen, stoppen". De bestuurder van de Polo kan dit nooit hebben gehoord, maar mijn handbewegingen moeten duidelijk zijn geweest. Ik heb het waarschijnlijk in paniek geroepen.

Ik zag dat er voor de bestuurder van de Polo aan onze linkerzijde en rechterzijde ruimte was om ons te passeren. Ik zag dat de bestuurder op ons inreed. De Polo bevond zich 5 a 6 meter van ons vandaan en vanaf dat moment ging hij vaart maken, al rijdend om ons te rammen. We zijn aangereden aan mijn zijde. Net achter mijn portier. Ik voelde dat ons dienstvoertuig werd weggeschoven door de Polo. Ik voelde onze auto erg heen en weer schudden. Ik zag daarna dat de Polo weer richting Amsterdam reed.

Ik voelde pijn aan mijn rechterbovenbeen. Ik voelde hoofdpijn opkomen. Ik ben samen met Kamal naar het BovenIJ-ziekenhuis gebracht voor behandeling. De letselbrief van de dienstdoende arts is bij het proces-verbaal gevoegd.

Bijlage (B17)

Betreft een letselverklaring van 27 juni 2010, ingevuld door de behandelend arts van de spoedeisende hulp van het BovenIJ-ziekenhuis, inhoudende dat bij [T.C.] vermoedelijk sprake is van een kneuzing aan het rechterbovenbeen.

En voorts ten aanzien van feit 4

9. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL132C 2010159436-23 van 7 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [L.K.] (dossierpagina B19 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 juli 2010 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [P.M.]:

Door de aanrijdingen, veroorzaakt door de verdachte is het dienstvoertuig, voorzien van [kenteken] beschadigd. Het voertuig is beschadigd aan de voorbumper en de rechterachterzijde.

En voorts ten aanzien van feit 5

10. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL132C 2010163649-1 van 2 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [A.B.] (dossierpagina C1 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 juli 2010 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [S.H.]:

Op 27 juni 2010 omstreeks 21.05 uur stond ik in mijn grijze Honda Civic stil voor de verkeerslichten van de Nieuwe Leeuwarderweg te Amsterdam. Ik zag dat een Volkswagen Golf tegen de zijkant van mijn auto aanreed. Ik ben uitgestapt om de schade te bekijken. Ik zag de de Golf, die mij had aangereden, niet stopte en doorreed richting de IJ-tunnel. Vervolgens zag ik een herkenbaar politievoertuig achter de Golf aanrijden.

En voorts ten aanzien van feit 6

11. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 september 2010.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben via een omweg naar de Wibautstraat gereden. Ik zag een kennis en stopte mijn auto, waarna ik hem in de auto liet. Hij begon te basen en ik kon de verleiding niet weerstaan.

Ik heb een baan bij Schiphol gekregen en toen een auto gekocht, volgende maand zou ik lessen gaan nemen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

het onder 2 en 5 bewezen verklaarde levert op:

telkens: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 3 primair ten laste gelegde vrijgesproken en voor het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich onmiddellijk stelt onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland. En dat hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijft en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen zal gedragen, zolang deze instelling dat nodig acht;

- Meldingsgebod: verdachte moet zich bij Palier GGZ melden op het adres: [adres] II te Haarlem, en zich gedurende een door Palier bepaalde periode te blijven melden, zo frequent als Palier GGZ dat nodig acht;

- Deelname aan een gedragsinterventie: verdachte moet deelnemen aan de gedragsinterventie: leefstijltraining.

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 6 laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van dertig uur, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door vijftien dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 primair wordt vrijgesproken en voor het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zonder dat hij in het bezit was van een rijbewijs en onder invloed van cocaïne een auto bestuurd. Nadat hij in Amsterdam een 'lichte' aanrijding had veroorzaakt, is hij er vandoor gegaan, hetgeen heeft geresulteerd in een ongeveer twintig minuten durende wilde achtervolging van de verdachte door drie politie-eenheden door Amsterdam en omstreken. De verdachte heeft zich daarbij geen enkele rekenschap gegeven van het wel en wee van de overige verkeersdeelnemers, noch van de gevolgen die zijn rijgedrag voor die anderen zouden kunnen hebben. Zo is de verdachte op een gegeven moment tegen de auto van Hau aangereden waardoor schade aan die auto is ontstaan. Ook is de verdachte tijdens een inhaalmanoeuvre op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer terecht gekomen. [C. de B.] die daar op dat moment reed heeft - door een ruk aan haar stuur te geven - een frontale botsing kunnen voorkomen. De auto's hebben elkaar wel geraakt, waardoor schade is ontstaan aan haar auto. De verdachte is telkens gewoon doorgereden. De door [C. de B.] overgelegde slachtofferverklaring geeft blijk van de ernst van de gevolgen, die het handelen van de verdachte voor haar hebben gehad. Verder is de verdachte tot twee maal toe op politieauto's ingereden, waardoor de verbalisanten [K.S.] en [T.C.] kneuzingen hebben opgelopen en hun politieauto zwaar is beschadigd. Evenals de rechtbank, rekent het hof het de verdachte zwaar aan dat hij de situatie zo uit de hand heeft laten lopen en zoveel mensen in gevaar heeft gebracht. Dit klemt te meer daar de verdachte de rit op ieder moment had kunnen doen eindigen. Zonder af te willen doen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, mag het een wonder heten dat een en ander geen ernstigere gevolgen heeft gehad. Dat de verdachte zich niets meer herinnert - wat daarvan ook zij - doet aan de ernst van het bewezen verklaarde welhaast vanzelfsprekend niets af.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 27 september 2010, het (beknopt) reclasseringsadvies van 30 juni 2010, het reclasseringsadvies van 15 september 2010 en het bericht voortijdige negatieve beëindiging van de Palier van 4 oktober 2010 en de door de raadsman overgelegde stukken van Paswerk.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2012 is de verdachte eerder voor strafbare feiten veroordeeld. Hieruit blijkt ook dat aan de verdachte in recentere zaken reeds de bijzondere voorwaarde van - kort gezegd - reclasseringstoezicht is opgelegd, zodat het hof daar thans vanaf ziet.

Het hof komt tot oplegging van na te melden deels voorwaardelijke gevangenisstraf, die hoger is dan door de advocaat-generaal gevorderd. Bij de weging van een en ander is onontkoombaar dat de verdachte een langere straf moet worden opgelegd dan de duur van zijn voorarrest, zoals door zijn raadsman bepleit. De ernst van de feiten noopt hier bepaaldelijk toe.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 62, 63, 287, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.S.G. Verhoeff, mr. L.A.J. Dun en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 maart 2012.

Mr. Röttgering is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.