Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
23-005029-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:197, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek "Kever". Bewijslevering hennephandel. Gewoontewitwassen: toetsingskader bewijslevering in relatie tot de orientatie en resultaten van het voorbereidend onderzoek, de inhoud van het dossier en de omvang van de strafvervolging. Stroomstootwapen in de betekenis van de Wet wapens en munitie en aan het bewijs te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005029-10

datum uitspraak: 9 maart 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 november 2010 in de strafzaak onder de parketnummers 15-740027-10 en 15-614927-08 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [1980],

adres: [adres], [woonplaats].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens de akte van hoger beroep, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing, te weten een vrijspraak, ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van

14 oktober 2010 en 2 november 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 7 februari 2012,

10 februari 2012 en 24 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 oktober 2009 tot en met 01 februari 2010 te Beverwijk en/of Heemskerk en/of Amsterdam, in elk geval te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd (telkens) een (grote) hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet), in elk geval van meer dan 30 gram hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten, zijnde (telkens) hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) bovenomschreven feit(en) heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 01 februari 2010 te Beverwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12953 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of cannabis, zijnde hennep en/of cannabis, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 01 februari 2010, te Beverwijk en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander of ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- van onderstaand(e) voorwerp(en)(telkens) de werkelijk aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, danwel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) is/zijn en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of

- onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:

- een of meer geldbedrag(en) van ongeveer (in totaal) EURO 135.850,00 althans een of meer geldbedragen en/of

- een personenauto, merk Mercedes Benz, E350 CDI, kenteken: [kenteken] en/of

- verschillende horloges (o.a. van de merk(en) Breitling en/of Cartier) terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moet(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 01 februari 2010 te Beverwijk een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen en/of een verlammingsapparaat (type 618) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere bewijsbeslissingen komt.

Vrijspraak

Het hof acht, zoals hierna in dit arrest zal worden overwogen en op die plaats van een nadere motivering zal worden voorzien, niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd.

Evenmin acht het hof het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Daartoe wordt het navolgde overwogen.

De raadsman heeft verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken omdat, kort gezegd, niet is onderzocht of het apparaat daadwerkelijk functioneert en voor het gestelde doel geschikt is.

Bij gelegenheid van een doorzoeking in de woning van de verdachte aan de [adres] [woonplaats] is in een tv-meubel in de woonkamer een zogenoemd verlammingsapparaat (type 618) aangetroffen.

Het hof overweegt dat aan de orde is de vraag of het in beslag genomen voorwerp kan worden gerubriceerd in de categorie zoals in de tenlastelegging is vermeld. Ter beantwoording van de vraag of een voorwerp onder categorie II onder 5 valt, dient te worden vastgesteld of sprake is van een voorwerp waarmee door een elektrische stoomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt. Of het met het onder de verdachte in beslag genomen voorwerp daadwerkelijk mogelijk is een stroomstoot te genereren is – nu het voorwerp kennelijk niet is getest – onvoldoende uit de stukken van het dossier op te maken, zodat het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 4 ten laste gelegde.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde

Gevoerd verweer

Namens de verdachte is – in de kern en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het proces-verbaal van vaststellen dat [verdachte] de gebruiker is van de mobiele telefoonnummers [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer] (dossiermap 6, p. 168-179) en het proces-verbaal van stemherkenning [verdachte], gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer] (dossiermap 6, p. 180-202) in verband met een onjuiste toepassing van onderzoeksmethoden en de onbetrouwbaarheid van de resultaten ervan van het bewijs dienen te worden uitgesloten en dat – bij gebrek aan overige aanknopingspunten dat de verdachte de gebruiker is geweest van de in de processen-verbaal genoemde telefoonnummers – vrijspraak dient te volgen.

Het hof zal hierna overwegingen wijden aan de waardering van het bewijs voor de aan de verdachte ten laste gelegde handelingen met hennep. Deze overwegingen zullen, zoals zal blijken, leiden tot een beslissing op het gevoerde verweer en voorts tot uitsluitend een bewezenverklaring van diens strafbare betrokkenheid bij het incident van 10 december 2009 en bij twee incidenten op 20 januari 2010.

Inleiding

Het hof overweegt in het kader van de waardering van de bewijsmiddelen in algemene zin het volgende.

In het opsporingsonderzoek dat bekend is geworden onder de naam “Kever” zijn telefoongesprekken waaraan de verdachte en/of zijn medeverdachten hebben deelgenomen afgeluisterd en opgenomen, en zijn sms-berichten onderschept. Voorts zijn in de directe omgeving van onder meer de [locatie 1] te Beverwijk en de [locatie 2] te Heemskerk observatiecamera’s geplaatst en zijn verdachten statisch en dynamisch geobserveerd. Daarnaast zijn verschillende woningen en daarbij behorende schuren doorzocht op de aanwezigheid van verdovende middelen en andere voorwerpen in het kader van de verdenking dat op enige schaal overtreding van artikel 3, aanhef en onder B, en 11a van de Opiumwet en/of artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht plaatsvond. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot de verdenking dat de verdachte en zijn medeverdachten zich gedurende een periode van ongeveer vier maanden hebben bezig gehouden met – kort gezegd – leveringen van hennep.

Van iedere vermoedelijke transactie binnen de onderzochte periode is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt (genaamd een “proces-verbaal van softdrugstransactie”). In deze processen-verbaal is een selectie van telefoongesprekken, sms-berichten, observaties en andere onderzoeksresultaten weergegeven. Voorts is in ieder proces-verbaal opgesomd welke personen ervan worden verdacht bij de betreffende vermoede transactie betrokken te zijn geweest, en in welke hoedanigheid. Hiervan is in de vorm van een kruistabel een schematisch overzicht gemaakt, dat in het persoonsdossier van de verdachte is gevoegd.

De advocaat-generaal heeft zich, zo begrijpt het hof, in haar requisitoir op het standpunt gesteld dat weliswaar niet alle door de rechtbank besproken transacties volgens de daaraan te stellen eisen bewezen kunnen worden geacht maar dat, op basis van de door de rechtbank in het vonnis aangehaalde transacties, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode met anderen schuldig heeft gemaakt aan de handel in hennep. Vanuit dit perspectief heeft zij gevorderd dat door het hof bewezen zal worden verklaard dat de verdachte in genoemde periode in vereniging meermalen opzettelijk grote hoeveelheden hennep heeft, naar het hof aanneemt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.

Daarbij heeft de advocaat-generaal acht geslagen op de inhoud van gevoerde telefoongesprekken, resultaten van observaties en op hetgeen overigens ter zake van het patroon van handelingen is gebleken.

Het hof overweegt met betrekking tot dit standpunt van de advocaat-generaal dat het begrip ‘handel’ een begrip is dat niet aan de wet is ontleend. Het vormt immers geen bestanddeel van de delictsomschrijving van artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet, noch van enig ander bij de wet strafbaar gestelde gedraging. De delictsomschrijving als hiervoor bedoeld bestaat in concrete gedragingen met, naar algemeen wordt aangenomen, mede feitelijke betekenis, te weten: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Het is deze verbodsbepaling van artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet, waarop de tenlastelegging is gestoeld.

Het uitgangspunt van de advocaat-generaal past derhalve niet zonder meer in het systeem van de wet en sluit, daargelaten het antwoord op de vraag of een wijze van ten laste leggen die bij het door haar aangenomen perspectief aansluit ook maar mogelijk zou zijn geweest, evenmin aan bij de bewoordingen van de tenlastelegging.

Door aldus (het samenstel van) de te bewijzen gedragingen te herformuleren heeft de advocaat-generaal impliciet de maatstaf voor de waardering van de bewijsmiddelen aangepast op een wijze die het hof in het bestek van de beantwoording van de vraag naar voorhanden bewijs niet zal volgen.

De rechtbank heeft, zo moet na lezing van het vonnis worden verondersteld, de in de eerder genoemde kruistabel weergegeven transacties op bewijsbaarheid gewaardeerd en in haar vonnis overwogen welke transacties ten laste van de verdachte bewezen kunnen worden geacht. De rechtbank bespreekt deze incidenten in haar vonnis in de paragraaf ‘Softdrugtransacties en handelingen in het kader handel in hennep’. Ook voor de door de rechtbank gekozen benaderingswijze geldt naar het oordeel van het hof dat daardoor de aandacht is afgeleid van de in het kader van de bewijswaardering te beantwoorden vragen, in zoverre dat niet per incident is verantwoord wat, direct dan wel indirect, de redengevende feiten en omstandigheden zijn voor het oordeel dat de verdachte zich in het kader van het betreffende incident schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de in de tenlastelegging verweten gedragingen.

Het hof zal in het licht van het voorgaande per incident waarvoor de verdachte en de medeverdachten blijkens het requisitoir in aanmerking komen, onderzoeken of de verdachte zich op de betreffende plaats en het tijdstip schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de in de tenlastelegging genoemde gedragingen. Daarbij zal het hof zich, vanwege de sterke verwevenheid van de incidenten in het kader van de tenlastelegging, per incident uitlaten over de conclusies die kunnen worden getrokken over de betrokkenheid van verdachte en/of één of meer van diens medeverdachten. Dit onderzoek zal uitmonden in een overzicht van de incidenten waarbij de verdachte naar het oordeel van het hof een bewezen strafbare betrokkenheid heeft gehad.

Hieraan voorafgaand zal het hof een incident waarbij de verdachte zelf geen betrokkenheid heeft gehad en voorts enige andere uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden in beschouwing nemen, met het oog op beantwoording van de vraag of de transacties waar de verdachte in de visie van de advocaat-generaal betrokkenheid bij heeft gehad, handelingen met betrekking tot hennep betreffen.

Het incident van 20 januari 2010

Op 20 januari 2010 belt [medeverdachte 1]om 19.12 uur [medeverdachte 2] en vraagt: ‘heb je dr een nul (1-0) voor me staan’. Hierop antwoordt [medeverdachte 2] bevestigend. [medeverdachte 3] geeft vervolgens aan ‘ze’ diezelfde dag nog te komen ophalen, hieraan ‘vandaag heb je geen controles en zo’ toevoegend. Om 19.50 uur belt de broer van [medeverdachte 1][medeverdachte 3], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en vraagt hem: ‘mijn broertje is bij jou hè’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ow is goed, dan ga ik hem ehh bezoeken’.

Op woensdag 20 januari 2010, omstreeks 19.48 uur, wordt door medewerkers van het observatieteam gezien dat de bestuurder van een zwarte personenauto, merk Seat Leon met het kenteken [kenteken], achteruit het [locatie 1] achteruit oprijdt en stopt voor perceel [adres 1] te Beverwijk.

Bij het uitstappen wordt de bestuurder van deze Seat Leon herkend als [medeverdachte 1][medeverdachte 3]. Gezien wordt dat [medeverdachte 1]wegloopt in de richting van perceel [adres 1]. Omstreeks 19.50 uur wordt gezien dat [medeverdachte 1]terugloopt naar de Seat Leon en dat [medeverdachte 4] komt aanlopen vanuit de richting van de laatste [woning]. Tevens wordt gezien dat [medeverdachte 2] vanuit perceel [adres 1] naar buiten komt lopen. Gezien wordt dat [medeverdachte 1]een hand krijgt van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en dat zij gedrieën weglopen naar de rechts van de weg geplaatste [woningen]. Omstreeks 19.53 uur wordt gezien dat [medeverdachte 1]terugloopt naar de Seat Leon, dat hij in zijn rechterhand een grote donkere tas draagt, de kofferbak van de zwarte Seat Leon opent, de zwarte tas daarin plaatst, de kofferbak afsluit en vervolgens in de auto stapt en naar Amsterdam rijdt, waar hij omstreeks 20.21 uur op de Admiraal de Ruyterweg ter hoogte van perceel [nummer] door de geüniformeerde dienst van de politie Amsterdam/Amstelland staande wordt gehouden.

Blijkens informatie van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland is bekend geworden dat op 20 januari 2010, te 20.25 uur, door politiemedewerkers op de openbare weg Admiraal de Ruijterweg te Amsterdam, op verdenking van overtreding van de Opiumwet [medeverdachte 1]is aangehouden. Uit door de medewerkers van de politie Amsterdam ingesteld onderzoek werd bekend dat er in de kofferbak van de door [medeverdachte 1]bestuurde Seat Leon met kenteken [kenteken] een hoeveelheid van ongeveer

10 kilogram hennep werd aangetroffen en in beslag werd genomen. Deze hennep was verpakt in een zwarte sporttas verdeeld over 10 zakjes van ongeveer 1 kilo elk.

Om 20.38 uur diezelfde dag belt [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] en vraagt ‘hoeveel nul heb je gegeven’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt ‘een (1) nul’. [medeverdachte 3] reageert hierop onder andere met ‘shit man’, ‘hij is gepakt voor de deur’ en ‘bij mij’.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 20 januari 2010 een grote hoeveelheid hennep hebben afgeleverd en verstrekt.

De bewijswaardering in het licht van ketenbewijs

Uit de stukken van het dossier blijkt dat [medeverdachte 5] op 1 en 2 februari 2010 bij de politie heeft verklaard dat hij op 18 december 2009 op verzoek van [medeverdachte 4] in de schuur van [medeverdachte 6] op de [adres 2] te Beverwijk, waar met het oog op het drogen ervan wiet in bollenkratjes was opgeslagen, de inhoud van twee kratjes wiet in één kratje heeft gedaan. [medeverdachte 5] heeft daarnaast verklaard dit vaker, twee keer, te hebben gedaan.

[medeverdachte 5] heeft voorts verklaard dat hij op 26 december 2009 een zwarte tas met daarin een hoeveelheid van drie kilo wiet, die aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] toebehoorde, uit de schuur van diezelfde [medeverdachte 6] heeft gepakt om deze zelf te verkopen, en dat hij in het najaar van 2009 meermalen in opdracht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] tassen met inhoud in een bestelbus heeft vervoerd en heeft afgeleverd.

Tijdens een doorzoeking op 1 februari 2010 in de woning van [medeverdachte 6] aan de [adres 2] te Beverwijk is in de schuur behorende bij diens woning een in werking zijnde hennepdrogerij aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat deze bewijsmiddelen mede redengevend zijn voor het bewijs van enkele hierna te bespreken feiten, nu daaruit blijkt van een modus operandi die bij vrijwel alle feiten waarneembaar is en die overeenkomt met de aflevering van hennep op 20 januari 2010.

Daarbij stelt het hof enkele hierna te bespreken eisen aan de door het openbaar ministerie per incident gepresenteerde bewijsmiddelen alvorens tot het oordeel te komen dat sprake is geweest van een levering of vervoer van hennep met een vorm van strafbare betrokkenheid van één of meer van de verdachten.

Het hof hanteert als uitgangspunt dat een gedraging als overdragen of vervoeren in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens een observatie is waargenomen dat één of meer voorwerpen, in de meeste gevallen één of meer(sport)tassen, zijn overgedragen en/of in een auto zijn geplaatst en/of verplaatst. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van de tapgesprekken/sms-berichten, in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, van dien aard is dat deze voor geen voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat op een bepaald tijdstip één of meer van de in de tenlastelegging genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden.

Het hof stelt overigens reeds op deze plaats vast dat gelet op de inhoud van het dossier in geen geval bewezen kan worden dat de verdachte en/of zijn medeverdachten zich hebben schuldig gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep.

Daarnaast zal het hof dienen te beoordelen of de bewezen geachte gedraging(en) ook betrekking hebben gehad op het ten laste gelegde verdovende middel, te weten hennep. Bij de transacties waarbij de verdachte volgens de advocaat-generaal betrokken is geweest, is geen hennep aangetroffen en is blijkens de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken evenmin met zoveel woorden over hennep gesproken. Desalniettemin is het hof van oordeel dat ook in die gevallen een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van gedragingen met betrekking tot hennep.

Deze conclusie kan, in het licht van het hiervoor besproken incident van 20 januari 2010 en van de overige in het voorgaande gereleveerde uit het dossier blijkende redengevende feiten en omstandigheden, worden getrokken indien blijkt van een patroon dat overeenkomt met dat van het incident van 20 januari 2010. Daarbij spelen onder meer een rol de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in telefoongesprekken en sms-berichten, de locaties waar die personen afspreken en/of de voorwerpen die zij overdragen,

Het hof overweegt voorts, dat voor die conclusie geen plaats is indien de verdachte een aannemelijke verklaring heeft weten te geven voor de inhoud van aan hem voorgehouden relevante telefoongesprekken en/of voor aard en betekenis van geobserveerde ontmoetingen, dan wel indien is komen vast te staan dat een transactie andere goederen dan hennep betrof, welk geval zich in dit onderzoek, zoals zal blijken, overigens niet heeft voorgedaan.

De incidenten

21 oktober 2009

Uit verslagen van tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1], [medeverdachte 3], op 21 oktober 2009 om 17.04 uur belt met [medeverdachte 2].

[medeverdachte 2] vraagt in dit gesprek aan [medeverdachte 3] of hij alles al heeft verkocht. [medeverdachte 3] antwoordt hierop dat hij de dag ervoor ‘10 aan iemand’ heeft gegeven, dat hij ze ‘had gemixd, maar dat die iemand ‘er achter is gekomen' en dat hij 'ze gisteravond heeft teruggekregen'. [medeverdachte 3] zegt vervolgens dat hij dus denkt dat hij ‘de slechte wel terug zal brengen’ zodat [medeverdachte 2] ‘ze kan mixen met die andere’. [medeverdachte 2] antwoordt misschien iemand ervoor te hebben en dat [medeverdachte 3] ze dan zelf aan hem kan verkopen. [medeverdachte 3] vraagt vervolgens wat hij 'aan hem moet vragen dan’. [medeverdachte 3] zegt voorts in het gesprek dat 'hij ze gewoon bij mij kan ophalen en dat hij dan [medeverdachte 2] 'effe kan betalen', waarop [medeverdachte 2] antwoordt:‘Nee hij moet gewoon jou betalen, jij betaalt mij gewoon jij moet het afhandelen met hem, gewoon boter bij de vis’. [medeverdachte 3] zegt vervolgens: ‘geen probleem, wat jij zegt’ en [medeverdachte 2] zegt hierop de door hem bedoelde persoon naar [medeverdachte 3] toe te zullen sturen. Die avond belt [medeverdachte 3] om 20.27 uur weer naar [medeverdachte 2] en vraagt: ‘hoeveel eeh moet ik voor jou vragen’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘zoveel mogelijk natuurlijk’ en ‘2 euro betaalt hij mij’. [medeverdachte 3] vraagt vervolgens nogmaals: ‘dus moet ik hem 2 euro vragen’. ‘Ja doe maar’, antwoordt [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] vervolgt het gesprek: ‘als ik ze wegdoe voor jou voel ik me goed’, waarop [medeverdachte 2] zegt: ‘nee, jij moet ook verdienen’. [medeverdachte 3] zegt vervolgens: ‘hij is onderweg naar me toe, dan bel ik je straks als hij bij me is. Om 21.26 uur belt [medeverdachte 3]

[medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] deelt mede: 'hij vroeg tien en we hebben er tien van gemaakt' en 'hij zegt hij komt over een half uur/drie kwartier komt ie ze ophalen'. [medeverdachte 3] deelt voorts mede dat hij tegen de onbekende '2' heeft gezegd, wat de onbekende goed vond. [medeverdachte 2] antwoordt: 'nou okay, is goed toch man'. In het telefoongesprek van 21.43 uur zegt [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 2]: 'ik heb voor hem gemixed'. [medeverdachte 2] vraagt: 'okay, maar heb je ook verkocht dan', waarop [medeverdachte 3] zegt: 'ik heb ze allemaal we hebben ze allemaal in het … gezet' en 'hij zegt ja hij gaat die andere man, volgens mij papieren halen' en 'hij zegt half uur drie kwartier komt ie ze ophalen', waarop [medeverdachte 2] zegt: 'Okay nou is goed jongen, maak er maar een mooie prijs van, dan heb jij ook nog wat'. [medeverdachte 3] herhaalt dan wat hij in een eerder gesprek ook tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd namelijk: 'ik heb twee gezegd wat jij zei', waarop [medeverdachte 2] antwoordt: 'Ja okay, als ie voor wat minder wil ken ook hoor geen probleem'. [medeverdachte 3] antwoordt: 'hij is ermee akkoord gegaan hij heeft niets gezegd' en 'dan kom ik je morgen die papieren brengen' en 'als ie ze heeft opgehaald bel ik je gelijk op.' Om 21.51 uur vindt er weer een gesprek plaats tussen beide mannen. Tijdens dit gesprek benadrukt [medeverdachte 2]: ‘niet meegeven zonder papieren’. Uiteindelijk belt [medeverdachte 3] om 23.02 uur naar [medeverdachte 2] om te vertellen dat de onbekende ‘ze’ net heeft opgehaald, dat hij wel papieren heeft en dat hij dus morgen even langskomt. Op 22 oktober 2009 om 15.54 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] en deelt mede dat hij voor de deur staat.

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie van de [locatie 1] te Beverwijk blijkt dat op 22 oktober omstreeks 15.53 uur een grijze grijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] op naam gesteld van ene [achternaam], de broer van [medeverdachte 3], om 15.53 uur het [locatie 1] te Beverwijk achteruit oprijdt.

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat [medeverdachte 2] op 21 oktober 2009 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] een grote hoeveelheid hennep heeft verkocht en verstrekt. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

23 oktober 2009

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt het volgende. Op 22 oktober 2009 om 10.41 uur wordt [medeverdachte 7] gebeld door [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] vraagt in dit gesprek: ‘doen jullie nog wat’, waarop [medeverdachte 7] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 8] deelt vervolgens mede: ‘morgen 30 of 40 denk’. [medeverdachte 8] vraagt tevens: ‘een uur of 1 bij mij?’, waarop [medeverdachte 7] antwoordt: ‘ja is goed’. Op 23 oktober 2009 om 10.02 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 5]. [medeverdachte 2] zegt in dit gesprek tegen [medeverdachte 5] dat hij ‘effe naar hem toe komt rijden’ en [medeverdachte 5] zegt dat het goed is. [medeverdachte 5] zendt vervolgens om 11.13 uur een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2], in gebruik bij [medeverdachte 2], inhoudende de tekst: ‘hij is er nog niet’, waarop hij direct daarna een sms-bericht terugkrijgt met de tekst: ‘Ok ga ma na die ouwe’. Om 11.44 uur zendt [medeverdachte 5] wederom een sms-bericht naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] met de tekst: ‘die ouwe zegt we moeten zo rijden hij is er nog niet’. [medeverdachte 2] belt hierop [medeverdachte 5] en deelt hem mede: ‘ga maar anders alvast’.

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 23 oktober 2009 blijkt dat door medewerkers van het observatieteam die dag het volgende is waargenomen. [medeverdachte 7] en een onbekende man stappen omstreeks 11.43 uur in een BMW met kenteken [kenteken] en rijden weg. De BMW wordt gevolgd door een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken]. Beide auto’s rijden naar Nijkerk.

Uit verslagen van tapgesprekken blijkt voorts dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] om 11.52 uur met elkaar bellen. In dit gesprek vraagt [medeverdachte 8] of [medeverdachte 7] nog deze kant opkomt, waarop [medeverdachte 7] zegt onderweg te zijn. Ze zien elkaar zo. Om 12.56 uur belt [medeverdachte 7] uur naar [medeverdachte 8]. [medeverdachte 7] deelt mede dat zij voor de deur staan en vraagt aan [medeverdachte 8] waar hij is. [medeverdachte 8] antwoordt hierop dat hij in de hal staat en eraan komt.

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 23 oktober 2009 blijkt dat door medewerkers van het observatieteam die dag voorts het volgende is waargenomen. De BMW en de Volkswagen Golf worden omstreeks 12.52 uur geparkeerd voor een witte loodsdeur op de [adres]te Nijkerk. [medeverdachte 7], [medeverdachte 5] en de onbekende man (het hof begrijpt: [medeverdachte 6]) stappen uit de BMW en gaan de loods binnen. [medeverdachte 5] rijdt de Volkswagen Golf de loods binnen. De roldeur van de loods wordt gesloten. Omstreeks 13.01 uur wordt de loodsdeur weer geopend. Bij de loods wordt [medeverdachte 8] gezien. De Volkswagen Golf rijdt vanuit Nijkerk naar [locatie 2] te Heemskerk. Omstreeks 14.19 uur parkeert de Volkswagen Golf rechts van de oprit naar [locatie 2] naast de [woning].

Uit verslagen van tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 5] om 13.50 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 2] zendt, inhoudende de tekst: ‘Bij kaboute’. Hierop reageert [medeverdachte 2] met ‘ja’.

[medeverdachte 5] heeft op 2 februari 2010 bij de politie verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] met ‘die ouwe’ waarschijnlijk hun vader [medeverdachte 7] bedoelen. [medeverdachte 5] heeft voorts verklaard dat hij die dag achter [medeverdachte 7] aan moest rijden omdat die de weg wist naar Nijkerk, dat hij de Volkswagen Golf na aankomst in een loods heeft gereden, dat de persoon die bij die loods hoorde twee zwarte sporttassen achter in de kofferbak heeft gegooid, dat hij vervolgens op verzoek van [medeverdachte 2] naar [locatie 2] in Heemskerk is gereden, waar kabouter woont, en dat hij daar de tassen uit de kofferbak heeft gehaald en die in de poort heeft gezet. Aan [medeverdachte 5] zijn door de verbalisanten bij zijn verhoor verschillende foto’s van [locatie 2] te Heemskerk getoond. [medeverdachte 5] heeft op die foto’s de [woning] en de schuur van (die) kabouter aangewezen. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat die [woning] en schuur de [woning] en schuur van [medeverdachte 9] betreffen. Het hof leidt hieruit af dat met ‘kabouter’ [medeverdachte 9] wordt bedoeld.

Blijkens de inhoud van een proces-verbaal van doorzoeking is de woning van [medeverdachte 9], [adres 3], op 1 februari 2010 doorzocht. In een schuur behorende bij de woning zijn in een aantal ruimten voorwerpen aangetroffen die tezamen genomen de conclusie rechtvaardigen dat de schuur van [medeverdachte 9] werd gebruikt voor het drogen van hennep.

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat [medeverdachte 8] op 23 oktober 2009 een grote hoeveelheid hennep heeft afgeleverd en verstrekt aan [medeverdachte 7], [medeverdachte 2], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] en dat laatstgenoemden die dag tezamen en in vereniging met elkaar die grote hoeveelheid hennep hebben vervoerd. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

5 november 2009

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt het volgende. [medeverdachte 2] (die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]) belt om 12.31 uur met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3], zijnde [medeverdachte 5], en zegt: ‘hey die kleine komt pas een uurtje of drie maar ik ben pas om zeven uur terug, dus ik bel je wel als die er is, is dat goed?’ De broer van [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], belt vervolgens [medeverdachte 5] om 13.18 uur met hetzelfde nummer en vraagt hem om te kijken of die bolle er is. [medeverdachte 5] zegt dit te zullen doen. Omstreeks 13.20 uur die dag belt [medeverdachte 7] naar het nummer van een door hem gemiste oproep. Daarbij krijgt hij zijn zoon [medeverdachte 4] aan de telefoon. Deze maakt op dat moment gebruik van het nummer [telefoonnummer 4], ten name van [medeverdachte 9] te [woonplaats]. In het gesprek met zijn vader krijgt [medeverdachte 4] een man aan de lijn die Bolle wordt genoemd. Door middel van stemherkenning wordt bekend dat dit [medeverdachte 6] is, de buurman van [medeverdachte 7]. In het gesprek vraagt [medeverdachte 4] of Bolle wat voor hem wil doen omdat hij er zelf niet is. [medeverdachte 4] zegt tegen Bolle ‘uuhh dat bussie’ en ‘daar moet je er vier uuhh vier van hebben’. [medeverdachte 4] vraagt vervolgens aan Bolle of er ‘wat van die bruine legt’, want die moet Bolle ‘effe in die jas doen’ en ‘dan moet die effe effe in die in die tas douwe, dat je er vijf heb zeg maar vijf nul en dan weet Pieter (fon) wat ie moet doen’. Het wordt vervolgens in het gesprek nog eens herhaald voor Bolle: ‘vier van die uit die bus en dan uh een nul die bruine. Die moet je effe in een jassie doen’, ‘die achter die luik’, ‘dan mik (of mix) je ze effe in die tas (op de achtergrond is [medeverdachte 2] hoorbaar die zegt: “allemaal die vanuit het luik moeten we hebben”) alles wat in die luik die bruinige’ en ‘Piet die komt naar je toe’ en ‘dan bel je mij effe als je klaar bent, oke’. Bolle geeft voorts nog aan dat hij nog niet terug is, maar dat hij dat wel over een uurtje zou zijn, waarop [medeverdachte 4] vraagt of hij de sleutel van die box heeft. Bolle antwoordt hierop bevestigend. [medeverdachte 4] geeft in een telefoongesprek van 13.23 uur vervolgens aan [medeverdachte 5] door: ‘hij komt over een uur is tie thuis’ en ‘dan moet je naar Utrecht toe naar waar je laatst was’. [medeverdachte 4] geeft aan hem op de hoogte te houden, waarbij [medeverdachte 2] op de achtergrond zegt: ‘moet ie vragen of ie achter hem aanrijdt een stuk’. [medeverdachte 4] zegt hierop tegen [medeverdachte 5]: ‘en dan moet je vragen of die bolle met je meerijdt effe achter je aan’ .

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 5 november 2009 blijkt dat door medewerkers van het observatieteam die dag het volgende is waargenomen. De bestuurder van de Opel Combo met kenteken [kenteken], [medeverdachte 5], rijdt om 14.45 uur vanaf [locatie 1] te Beverwijk naar Montfoort (Utrecht). De Opel Combo rijdt om 15.51 uur het parkeerterrein van het AC restaurant te

De Meern op. De Opel Combo keert vervolgens om en rijdt het parkeerterrein weer af, gevolgd door een groenkleurige bestelauto met kenteken [kenteken]. Beide voertuigen parkeren omstreeks 15.55 uur op de parallelweg van de N228 te Montfoort. Beide voertuigen staan met de achterzijden naar elkaar gericht en staan op minder dan twee meter van elkaar af. De bestuurder van de witte Opel Combo opent het achterportier van zijn voertuig. Hij pakt tot drie keer toe een object uit de achterbak van het voertuig en draait zich om. De bestuurder sluit hierop het achterportier en stapt weer in zijn voertuig. Om 15.57 uur rijden beide voertuigen weg.

Blijkens de inhoud van een tapverslag vindt er op 6 november 2009 om 10.49 uur wederom een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 5] in dit gesprek of hij ‘gister had meegeteld’ waarop [medeverdachte 5] antwoordt: ‘nee maaruh ik uhh we hadden wel wat nageteld later’.

Op 1 februari 2010 heeft [medeverdachte 5] bij de politie verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] naar het AC restaurant in Montfoort (het hof begrijpt: De Meern) is gereden om een tas weg te brengen, dat hij daar een persoon heeft ontmoet, dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hem hadden verteld dat die betreffende persoon in een groene Opel Combo reed, dat hij achter die persoon is aangereden, dat zij na ongeveer een kilometer rijden zijn gestopt, dat die persoon vervolgens is uitgestapt, een zwarte sporttas uit de witte Opel Combo heeft gepakt, die tas in zijn auto heeft gelegd en toen is weggereden. Volgens [medeverdachte 5] had hij in een tijdsbestek van een aantal weken tweemaal op deze manier met deze persoon afgesproken.

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] tezamen en in vereniging met elkaar een grote hoeveelheid hennep hebben afgeleverd, verstrekt en vervoerd. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

4 december 2009

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt het volgende. Op 4 december 2009 te 13.06 uur ontvangt het telefoonnummer eindigend op – [cijfers], in gebruik bij [medeverdachte 2], een

sms-bericht van [medeverdachte 10] met de tekst: ‘6 uur 10 stuk oke?’. Om 15.31 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 10]. [medeverdachte 10] deelt in dit gesprek mede dat hij straks komt, waarop [medeverdachte 2] zegt: ‘ja maar breng maar door naar die andere dan’. [medeverdachte 10] geeft aan: ‘oh ja dacht 40 thuis (fon) daarna kom ik naar jou he’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ja misschien ben ik er niet dus eh dan heb je morgen papier’. Na wat heen en weer sms’en en bellen zendt [medeverdachte 10] om 18.06 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 2] met de tekst: ‘ik ben 7 uur bij je ben je dan thuis’. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij in het café zit. Om 17.25 uur belt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 2]. [medeverdachte 4] vraagt of [medeverdachte 2] die Belg (het hof begrijpt op grond van de stukken van het dossier: [medeverdachte 10]) kan bellen om te vragen ‘hoe laat ie der is, want hij zit hier nou’. [medeverdachte 2] vraagt: ‘Kaboutertje?’ [medeverdachte 4] antwoordt hierop bevestigend, waarop [medeverdachte 2] zegt er zo aan te komen. [medeverdachte 2] belt daarop om 18.14 uur naar [medeverdachte 10] en zegt dat [medeverdachte 10] toch ‘hier heen ken komen’. Om 18.53 uur belt [medeverdachte 10] weer naar [medeverdachte 2] en vraagt: ‘ja, is die eh jongen er niet’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ja die zit eh die zit ook naast me’ en ‘komt wel goed gooi maar af gooi maar af, geen probleem’. [medeverdachte 10] reageert met: ‘ja maar de deur staat open he’, ‘niks zit op slot daar’,waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat dat niet uitmaakt, want ‘hij doet alles op slot dalijk’.

Uit hetgeen hiervoor ter zake van het incident op 23 oktober 2009 is overwogen blijkt dat met kabouter [medeverdachte 9] wordt bedoeld.

Blijkens de inhoud van een proces-verbaal van doorzoeking is de woning van [medeverdachte 9], [adres 3], op 1 februari 2010 doorzocht. In een schuur behorende bij de woning zijn in een aantal ruimten voorwerpen aangetroffen die tezamen genomen de conclusie rechtvaardigen dat de schuur van [medeverdachte 9] werd gebruikt voor het drogen van hennep.

Het hof leidt uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen,

af dat [medeverdachte 10] op 4 december 2009 een grote hoeveelheid hennep heeft vervoerd voor

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 4], dat [medeverdachte 10] deze hennep op verzoek van

[medeverdachte 2] in de schuur van [medeverdachte 9] (kabouter) heeft achtergelaten, en dat [medeverdachte 9] die schuur later die avond zou afsluiten. Het hof acht derhalve bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 4 december 2009 tezamen en in vereniging met elkaar een grote hoeveelheid hennep hebben vervoerd en dat [medeverdachte 9] die dag opzettelijk een grote hoeveelheid hennep aanwezig heeft gehad. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

8 december 2009

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt het volgende. Op 7 december 2009 te 13.19 uur wordt vanaf het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 10] een sms-bericht verzonden naar het telefoonnummer eindigend op – [cijfers], in gebruik bij [medeverdachte 2], inhoudende: 'woensdag 100? Oke?’. [medeverdachte 10] wordt vervolgens om 13.20 uur teruggebeld door het nummer eindigend op – [cijfers], en krijgt Bolle aan de lijn. Bolle zegt tegen [medeverdachte 10]: ‘hij is nog niet terug man...’ en ‘dan hoor je het straks'. Uit enkele sms-berichten tussen [medeverdachte 2] (die om 15.49 uur zegt dat hij er al is) en [medeverdachte 10] blijkt dat laatstgenoemde ‘morgen 80 super mooie’ en ‘725 mag je ze hebe oki kom nu na je toe’. Tevens wordt aan [medeverdachte 10] gevraagd ‘moet je pap hebben’, waarop [medeverdachte 10] het antwoordt: ‘Pap kom ik morge vroeg hale oki?’.

Op 8 december 2009 wordt [medeverdachte 2] om 11.25 uur gebeld door [medeverdachte 10]. [medeverdachte 10] deelt mede dat hij nog in Den Haag is en dat hij rond een uur of drie bij [medeverdachte 2] kan zijn. Om 12.16 uur wordt [medeverdachte 2] opnieuw gebeld door [medeverdachte 10]. [medeverdachte 10] zegt: 'ik ben om een uur of vier vijf bij je' en 'want ik moet zeven uur pas daar zijn', waarop [medeverdachte 2] antwoordt: 'nou dan kom je toch

om vijf uur, zes uur. [medeverdachte 10] zegt dat hij [medeverdachte 2] dadelijk wel zal zien. [medeverdachte 10] zendt vervolgens om 16.19 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 2], inhoudende de mededeling/vraag: ‘Zometeen zijn 70 en morge 15 oke?’ Om 17.27 uur zendt [medeverdachte 10] opnieuw een sms-bericht naar [medeverdachte 2], dit maal met de tekst:‘5min ben ik bij je luie’.

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie van [locatie 1] te Beverwijk blijkt dat op 8 december 2009 om 17.29 uur een personenauto met een imperiaaldrager [locatie 1] te Beverwijk oprijdt. Deze auto heeft dezelfde imperiaaldrager als de auto, een Peugeot met kenteken ‘

[kenteken], die om 17.49 uur later [locatie 1] weer verlaat. Uit onderzoek is gebleken dat deze Peugeot in gebruik is bij eerdergenoemde [medeverdachte 10].

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt voorts het volgende. Om 19.37 uur belt [medeverdachte 10] naar [medeverdachte 2]. Hij deelt desgevraagd mede: 'ik ben op de plaats van bestemming, ik ga zo rijden naar jou ja'. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 10]: ‘wel goed?’en 'super?' en 'supermooi?', waarop [medeverdachte 10] achtereenvolgens antwoordt met ‘ja’, 'jaaa, zeur niet zo hee' en jaaa, doei doei'. [medeverdachte 4] wordt om 20.31 uur door [medeverdachte 10] gebeld. [medeverdachte 10] geeft aan nog een half uur nodig te hebben en deelt voorts mede: ‘het is echt top je bent in ieder wel blij dus’. [medeverdachte 10] belt vervolgens om 21.15 uur opnieuw met [medeverdachte 2] om te zeggen dat hij tussen de 5 en 10 minuten daar is en vraagt aan [medeverdachte 2] of hij daar dan ook is. [medeverdachte 2] geeft hierop aan: ‘nou hoef toch niet of wel’. [medeverdachte 10] zegt dat hij daarna wel even bij hem langs zal gaan. [medeverdachte 2] belt vervolgens om 21.16 uur [medeverdachte 5] met de boodschap ‘hij is er zo’, waarop [medeverdachte 5] antwoordt: ‘okey is goed .... dan rij ik daarheen’

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie [locatie 2] te Heemskerk blijkt dat op 8 december 2009 omstreeks 21.21 uur de bestuurder van een grijskleurige Peugeot stationwagen komt aanrijden en meer dan vermoedelijk ter hoogte van [locatie 2] parkeert, dat uit de richting van de vermoedelijk geparkeerde Peugeot een persoon komt aanlopen en dat deze persoon ten minste viermaal met voorwerpen in zijn hand heen en weer loopt in de richting van een naast [locatie 2] gelegen poort. Voorts blijkt uit de inhoud van dit proces-verbaal dat omstreeks 21.30 uur een auto parkeert op de plaats waar zo-even de Peugeot stond.

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 8 december 2009 blijkt dat door een medewerker van het observatieteam die dag is waargenomen dat omstreeks 21.19 uur een Volkswagen Golf [kenteken] wegrijdt van het [locatie 1], dat deze Volkswagen Golf om 21.23 uur stilstaat in de Koningstraat te Beverwijk bij de aldaar gevestigde coffeeshop ‘Splif’, dat de bestuurder van dit voertuig naar de coffeeshop rent en kort hierop terugkomt en weer in de Volkswagen Golf stapt en dat dit voertuig omstreeks 21.30 uur [locatie 2] oprijdt. De omschrijving van de bestuurder van deze auto komt overeen met het signalement van [medeverdachte 5].

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie van [locatie 1] te Beverwijk blijkt dat op 8 december 2009 om 21.31 uur een personenauto [locatie 1] oprijdt, dat deze auto dezelfde imperiaaldrager heeft als de Peugeot van [medeverdachte 10] en dat deze auto om 21.49 uur [locatie 1] weer verlaat.

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt dat om 21.34 uur met het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 5], een bericht naar het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 2] wordt verzonden met de tekst: ‘zit wel veel klein bij hoor'. Om 21.36 uur wordt met het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 2] het sms-bericht: ‘wel mooi of niet’ teruggestuurd. In antwoord hierop volgt een sms-bericht met de tekst: ‘ja, dat wel’.

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 8 december 2009 tezamen en in vereniging met elkaar een grote hoeveelheid hennep hebben, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en dat [medeverdachte 5] deze hennep op zijn beurt opzettelijk aanwezig heeft gehad. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

10 december 2009

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt het volgende. Op 8 december 2009 om 19.38 uur ontvangt het telefoonnummer eindigend op -[cijfers], in gebruik bij [medeverdachte 2], van het telefoonnummer [telefoonnummer 1], in gebruik bij [medeverdachte 3] een sms-bericht met de tekst: ‘broer ik heb 4 weg gedaan ik heb vrijdag 40 nodig en 3 gruis derbij heb je dat voor me’, waarop een bevestigend sms-bericht volgt. De dag erna wordt vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 1] om 18.14 uur een sms-bericht verzonden naar het nummer eindigend op -[cijfers] met de vraag: ‘Broer kan ik die 40 morgen op hallen’. De gebruiker van het telefoonnummer eindigend op -[cijfers] antwoordt: 'ja' en op het daaropvolgende sms-bericht van diezelfde afzender met de inhoud: ‘met 3 kilo gruis’, antwoordt hij: ‘oke’. [medeverdachte 4] belt op 10 december 2009 om 12.17 uur naar [medeverdachte 3] om te vragen wanneer hij komt. [medeverdachte 3] antwoordt: ‘ik kom eeh om drie vier uur naar jullie toe’. [medeverdachte 3] wordt vervolgens om 12.34 uur door [medeverdachte 2] gebeld en deelt nogmaals mede dat hij tussen drie en vier zijn kant op komt. [medeverdachte 2] voert vervolgens twee gesprekken met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 5], die door [medeverdachte 2] ook wel ‘Snakie’ wordt genoemd. In het gesprek van 12.20 uur vraagt [medeverdachte 2] aan ‘Snakie’ of hij thuis is en na een ontkennend antwoord van Snakie vraagt [medeverdachte 2]:‘ow is je vriend thuis, want ik moet hoe heet het hebben’. Om 12.26 uur belt [medeverdachte 2] opnieuw met de gebruiker van het voormelde telefoonnummer. [medeverdachte 2] deelt mede dat hij bij hem is’. De gebruiker antwoordt dat hij (het hof begrijpt: een ander) naar beneden komt’.

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 10 december 2009 blijkt dat door medewerkers van het observatieteam die dag het volgende is waargenomen.

Een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] rijdt omstreeks 12.17 uur weg van [locatie 2] te Heemskerk. Er zitten drie personen in de auto. De auto arriveert om 12.22 uur bij [locatie 1]te Beverwijk. De persoon die achterin zit, stapt uit. De auto verlaat om 12.24 uur [locatie 2]. De auto parkeert om 12.27 uur op de [adres]te Beverwijk. Om 12.29 uur komt een onbekende man vanuit het portiek van de flat van onder meer perceel [adres] te Beverwijk naar buiten gelopen. Deze man legt kennelijk iets in de kofferbak van de Volkswagen Golf, waarna de Volkswagen wegrijdt. De Volkswagen Golf rijdt omstreeks 12.38 [locatie 2] te Heemskerk op. Zowel de bestuurder als de passagier stappen uit. De bestuurder blijkt [medeverdachte 4] te zijn. [medeverdachte 2] is de passagier. Beide mannen gaan de [woning] [locatie 2] binnen. Omstreeks 12.40 uur stappen beide mannen weer in de Volkswagen Golf en rijden weg. De auto rijdt om 12.45 uur [locatie 1] te Beverwijk op.

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie [locatie 2] te Heemskerk blijkt vervolgens dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 10 december 2009 omstreeks 12.36 uur komen aanrijden in de Volkswagen Golf en dat [medeverdachte 2], na te zijn uitgestapt, de poort opent. Waargenomen wordt dat [medeverdachte 4] de achterklep van de Golf opent en vanuit de kofferbak een zwarte zak pakt. Voorts wordt waargenomen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] via de poort richting de schuren lopen, en dat zij omstreeks 12.39 uur terugkomen, in de Volkwagen Golf stappen en weer wegrijden.

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt voorts dat vanaf het nummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] diezelfde dag om 15.25 uur een sms-bericht naar het telefoonnummer eindigend op - [cijfers], in gebruik bij [medeverdachte 2], is verzonden, met de inhoud: ‘Broer kanje hem 4 gruis geven, mijn broer is zou bij jou’. De reactie die hierop volgt is: ‘ik moet ff kijken 3 heb ik zoizo’

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 10 december 2009 blijkt dat door medewerkers van het observatieteam die dag omstreeks 15.37 uur is waargenomen dat [medeverdachte 2] op het [locatie 1] te Beverwijk goederen in de kofferbak van een grijskleurige Seat met kenteken [kenteken] legt. Blijkens gegevens van de rijksdienst voor wegverkeer is deze auto ten name gesteld van [medeverdachte 1][medeverdachte 3], het broertje van [medeverdachte 3].

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie [locatie 2] te Heemskerk blijkt ten slotte dat [medeverdachte 4] op 10 december omstreeks 15.58 uur als bestuurder uit een grijskleurige Seat Leon stapt en via de poort naast de woning van de [adres 3] te Heemskerk in de richting van de schuren loopt. Voorts blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal dat [medeverdachte 4] omstreeks 16.00 uur een zwart voorwerp (tas of zak) in zijn handen heeft, dat hij dit in de kofferbak van de Seat legt, dat door de bijrijder van de Seat Leon en een derde onbekende persoon vanuit de poort naast de [locatie 2] eveneens voorwerpen in de kofferbak van de Seat Leon worden gelegd, dat de bijrijder een tas/zak op de achterbank van de Seat legt, dat hij vervolgens in de Seat Leon stapt en daarmee wegrijdt en dat [medeverdachte 4] uit het beeld loopt.

Uit een tapverslag is voorts gebleken dat [medeverdachte 3] op 11 december om 16.33 uur op 11 december [medeverdachte 2] belt en mededeelt: ‘ik heb iemand anders.... die wil een (1) vijf (5)’en 'ken je dat regelen voor me'. [medeverdachte 2] vraagt hierop: ‘heb je die al verkocht die anderen', waarop [medeverdachte 3] antwoordt ‘ja die van..die komen vanavond 100%'.

Zoals hierna bij de bespreking van het incident van 20 januari 2010 zal blijken, wordt de verdachte door [medeverdachte 2] ook wel ‘Snakie’ genoemd. Bij gelegenheid van een doorzoeking in de woning van de verdachte is voorts een simkaart in beslag genomen, waarvan uit onderzoek is gebleken dat deze het nummer [telefoonnummer 5] bevat. Op grond van het voorgaande en op grond van de overige inhoud van de gevoerde telefoongesprekken, in onderling verband en samenhang bezien met de observaties dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] volgend op die telefoongesprekken rijden naar een parkeerplaats aan de [adres] te Beverwijk en dat uit de portiek van de flat van onder meer [adres], de woning van de verdachte, een onbekend gebleven persoon naar buiten is gelopen en dat die persoon iets in de achterbak van de auto van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heeft gelegd, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 5].

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 10 december 2009 tezamen en in vereniging een grote hoeveelheid hennep hebben vervoerd en vervolgens een grote hoeveelheid hennep hebben afgeleverd en verstrekt aan [medeverdachte 3]. Het hof acht voorts bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een onbekend gebleven persoon een grote hoeveelheid hennep heeft afgeleverd en verstrekt aan de gebroeders [achternaam]. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

21 december 2009

Uit verslagen van tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] op 21 december 2009 te 16.41 uur wordt gebeld [betrokkene 1]. [betrokkene 1] vraagt [medeverdachte 2] waar zijn broertje is, want hij neemt zijn telefoon niet op. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij hem even zal bellen, waarop [betrokkene 1] zegt ‘weet je wat je tegen hem moet zeggen, dat ie je neefje moet daarna…moet sturen naar Amsterdam met 4.’ Om 16.45 uur diezelfde dag belt [medeverdachte 4] naar [betrokkene 1]. Hij vraagt hem ‘hoeveel moet je hebben dan?’ [betrokkene 1] antwoordt hierop ‘vier man’. [medeverdachte 4] vraagt vervolgens aan [betrokkene 1] ‘oke, heb je cash gelijk?’. [betrokkene 1] antwoordt bevestigend en zegt dat hij zijn kant op komt. [medeverdachte 4] zegt hierop ‘neem gelijk voor vier mee, he’. Om 16.54 uur deelt [betrokkene 1] in een gesprek mede dat hij er over een half uur is.

Uit de beelden van de statische observatiecamera’s van [locatie 1] van 21 december 2009 is te zien dat om 17.23 uur een zwarte personenauto komt aanrijden en parkeert, en dat deze auto om 17.32 uur weer vertrekt, dat bij vertrek het kenteken [kenteken] zichtbaar is. Uit onderzoek is gebleken dat dit kenteken behoort bij een zwarte Peugeot 207 die in gebruik is bij [betrokkene 1].

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 21 december 2009 tezamen en in vereniging met elkaar een grote hoeveelheid hennep hebben verkocht aan [betrokkene 1]. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

26 december 2009

Uit verslagen van tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 4] op 26 december 2009 te 17.41 uur wordt gebeld door [medeverdachte 5]. [medeverdachte 4] vraagt [medeverdachte 5] waar hij is. [medeverdachte 5] antwoordt dat hij op de snelweg zit en dat hij er met een uurtje zal zijn. [medeverdachte 4] zegt vervolgens: ‘Maar je ken toch niet zo pakken man, dat moet je toch eerst vragen jongen’ en’ je gaat toch niet zomaar zaken doen drek gaat het fout’. [medeverdachte 5] geeft aan dat het voor een jongen in Haarlem is en deelt mede: ‘dat gaat echt niet fout, echt niet pik’. [medeverdachte 4] deelt vervolgens mede: ‘Ik vind het niet netjes, echt niet echt niet’. Om 17.44 uur wordt [medeverdachte 5] gebeld door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zegt: ‘ma uh, wat heb je gedaan, heb je net handel gepakt?’. [medeverdachte 5] antwoordt hierop: ‘jahaa vanmiddag’. [medeverdachte 2] vraagt: ‘En, heb je verkocht?’, waarop [medeverdachte 5] antwoordt: ‘Nee, ben nu onderweg daarheen, komt goed’. [medeverdachte 2] zegt vervolgens: ‘Nee komt niet goed, kom gewoon terug. Je gaat niet eigen rechter spelen, ik heb niet gezegd ja, heb je ze nog bij je?’ en ‘Ja maar waar ben je, je gaat niet hiero gewoon zonder mijn toestemming dingen meenemen, dat gaat niet’ en ‘Waar ben je?’, waarop [medeverdachte 5] antwoordt: ‘Ik kom nu naar je toe’. [medeverdachte 2] geeft nogmaals aan: ‘je gaat niet zonder dingen zonder toestemming van mij dingen meenemen, dat mag nooit!’. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 5] vervolgens waar hij is. [medeverdachte 5] zegt dat hij nu naar hem toe komt rijden.

[medeverdachte 5] heeft op 1 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij die dag drie kilo wiet wilde verkopen, dat hij die wiet uit de schuur van zijn overbuurman [naam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 6]) had gehaald, dat hij wist dat daar 3 kilogram wiet lag omdat hij enkele dagen daarvoor een zwarte tas met drie kilo in de schuur had gegooid, maar dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] het niet goed vonden dat hij dit zelf deed.

Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [medeverdachte 5] op 26 december 2009 een grote hoeveelheid hennep heeft vervoerd. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

20 januari 2010

Uit het sms-verkeer dat op 19 en 20 januari 2010 tussen het telefoonnummer eindigend op -[cijfers], in gebruik bij [medeverdachte 2], en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] plaatsvindt, blijkt dat laatstgenoemde op 20 januari 2010 langs zal komen en dat de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op -[cijfers] er om 20 minuten na 11.39 uur zal zijn.

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie van [locatie 1] te Beverwijk blijkt dat op 20 januari 2010 omstreeks 11.56 uur de bestuurder van een zwartkleurige Volkswagen Sharan voorzien van kenteken [kenteken] achteruit het [locatie 1] te Beverwijk oprijdt en dat omstreeks 12.10 uur de bestuurder van een grijskleurige Volkswagen Golf waarvan een gedeelte van het kenteken zichtbaar is, namelijk [kenteken], eveneens [locatie 1] oprijdt.

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt voorts dat [medeverdachte 2] om 12.46 uur belt met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (hierna: NN) om te vragen waar hij nou blijft. NN antwoordt dat er een probleem is, hij moet het ‘aan die gozer geven’ want hij had gister al afgesproken, en ‘deze gozer die zegt tegen, nou die mensen die zijn al hieroo, die komen van ver weet ik veel dit en dat, hij zegt ze zijn al hier dit en dat, kan ik echt raak ik kwijt weet ik veel wat allemaal, kut man, maar ik geef het liever aan jou weet je wel’. [medeverdachte 2] zegt tegen NN dat hij naar hem toe moet komen en NN stemt hiermee in. NN belt vervolgens om 12.51 uur naar [medeverdachte 2] en zegt: ‘ik geef jou d’r 18’. Hierop antwoordt [medeverdachte 2]: ‘ja is goed, kom maar effe, neem maar mee’ . Om 13.12 uur belt NN naar [medeverdachte 2]. Hij deelt mede: ‘die jongen die is bij mij, die ze ook wil hebben weet je wel’ en ‘hij is zo weg, met vijf minuutjes en dan kom ik naar jou toe. [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ja ok, die mensen zitten hier op kolen jo’. NN reageert hierop met: ‘nee nee, ik kom echt, ik kom eraan, het zijn er 19.

Uit de inhoud van het proces-verbaal van (actieve) observatie 20 januari 2010 blijkt dat door medewerkers van het observatieteam die dag het volgende is waargenomen. Een zwartkleurige Volkswagen Sharan voorzien van kenteken [kenteken] en een grijskleurige Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] staan omstreeks 12.23 uur geparkeerd op het [locatie 1]. Omstreeks 13.21 uur rijdt de verdachte als bestuurder van een zilverkleurige Mercedes voorzien van kenteken [kenteken] het [locatie 1] op. [medeverdachte 2] komt uit [woning] lopen en maakt contact met de verdachte. Omstreeks 13.22 uur opent de verdachte de kofferbak van de Mercedes. De verdachte volgt [medeverdachte 2] vervolgens de woning in. Vier onbekende mannen komen omstreeks 13.33 uur uit de woning van [medeverdachte 2] lopen. [medeverdachte 4] legt een zwarte tas achter in de eerdergenoemde Volkswagen Sharan. [medeverdachte 4] en drie onbekende mannen brengen ongeveer 15 tassen vanuit de Volkswagen Sharan naar de tweede [woning] rechts, gezien van de openbare weg [locatie 1]. Dit is de [woning] van [medeverdachte 6]. [medeverdachte 2], de verdachte, [medeverdachte 4] en de drie onbekende mannen staan vervolgens omstreeks 13.35 uur op [locatie 1] met elkaar te praten. De onbekende mannen stappen omstreeks 13.35 uur in de zwarte Volkswagen Sharan en rijden [locatie 1] af. De bestuurder van de Volkswagen Sharan rijdt omstreeks 15.10 uur [locatie 3] te Apeldoorn op en parkeert daar zijn auto.

Uit verslagen van tapgesprekken/sms-berichten blijkt dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (hierna: NN) later op die dag, te weten om 14.03 uur, [medeverdachte 2] belt en hem vraagt: ‘ken je dat nog wat mee doen van die gasten’. [medeverdachte 2] antwoordt ‘hem wel te bellen’. Daarop zegt NN: ‘moet je zeggen precies dezelfde aantal ook’. [medeverdachte 2] zendt vervolgens om 14.05 uur een sms-bericht naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6], met de tekst: ‘moet je nog meer heb nog zelfde portie’. [medeverdachte 2] ontvangt om 14:06 de reactie: ‘Ja, wil wel hebben’. [medeverdachte 2] belt hierop om 14.07 uur NN en zegt tegen hem: ‘Ja, breng maar’. De verdachte antwoordt: ‘okay, over een half uurtje ofzo he’. Om 14.43 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door NN. [medeverdachte 2] noemt NN in dit gesprek ‘Snakie’. NN zegt: ‘ik ben hier jah buiten’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘rijd je even mee’. NNman antwoordt: ‘kom effe hierheen’.

Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie van [locatie 1] te Beverwijk blijkt dat op 20 januari 2010 omstreeks 14.44 uur de bestuurder van de hiervoor genoemde Mercedes [locatie 1] te Beverwijk afrijdt waarbij zichtbaar is dat een passagier in de auto aanwezig is.

Blijkens het verslag van een tapgesprek/sms-bericht zendt [medeverdachte 2] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] om 14.45 uur een sms-bericht om te zeggen dat hij onderweg is. Om 16:10 uur antwoordt [medeverdachte 2] op de vraag van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 6] dat hij er in ‘2 min’ is.

Aan de hand van de mastverkeersgegevens van het op 20 januari 2010 omstreeks 16.09 uur verzonden sms-bericht van de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 2] blijkt dat deze mobiele telefoon zich op dat moment bevindt op de locatie Laan van Malkenschoten te Apeldoorn.

Het hof overweegt dat [medeverdachte 2] om 13:12 uur een gesprek voert met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7], waarin de gespreksdeelnemer tegen [medeverdachte 2] zegt: ‘hij is zo weg man over vijf minuutjes en dan kom ik naar je toe, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ja okey, … kolen jo.’ Die dag wordt tijdens een actieve observatie waargenomen dat de verdachte om 13.21 uur in een zilverkleurige Mercedes het [locatie 1] te Beverwijk oprijdt en contact maakt met [medeverdachte 2]. Diezelfde dag om 14: 43 uur vindt er opnieuw een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7]. In dit gesprek noemt [medeverdachte 2] zijn gesprekspartner Snakie. Snakie antwoordt : ‘ik ben hier jah buiten.’ [medeverdachte 2] vraagt de ander: ‘rijd je mee effe?’. Uit de inhoud van het proces-verbaal statische observatie van [locatie 1] te Beverwijk blijkt dat op 20 januari 2010 omstreeks 14.44 uur dezelfde zilverkleurige Mercedes [locatie 1] te Beverwijk afrijdt en dat er iemand op de passagiersstoel zit. Het hof is gelet op het feit dat de observaties nauw aansluiten op de inhoud van de telefoongesprekken, en gelet op het feit dat bij gelegenheid van een doorzoeking in de woning van de verdachte een simkaart in beslag is genomen, waarvan na onderzoek is vastgesteld dat deze het telefoonnummer [telefoonnummer 7] bevat, van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte die dag de gebruiker is geweest van dit telefoonnummer.

Het hof acht uit het samenstel van feiten en omstandigheden dat van dit incident deel uitmaakt, in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen,

bewezen dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en de verdachte op 20 januari 2010 tezamen en in vereniging met elkaar een grote hoeveelheid hennep hebben vervoerd en deze hennep vervolgens hebben afgeleverd en verstrekt aan de mannen in de Volkswagen Sharan. Voorts acht het hof bewezen dat [medeverdachte 2] en de verdachte op dezelfde dag tezamen en in vereniging met elkaar een grote hoeveelheid hennep hebben vervoerd naar Apeldoorn. Van strafbare betrokkenheid van één of meer van de andere in het onderzoek “Kever” naar voren komende verdachten is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Overige ‘transacties’

Het hof overweegt ten aanzien van de overige transacties waarbij de verdachte of één of meer van diens medeverdachten volgens de advocaat-generaal betrokken zou zijn geweest, dat op grond van de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen tapgesprekken, onderschepte sms-berichten, in combinatie met de bevindingen uit observaties, onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) bij gelegenheid daarvan één of meer verboden gedragingen (in het kader van artikel 3, onder B, van de Opiumwet) hebben verricht.

Conclusie

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de volgende incidenten waarbij een grote hoeveelheid hennep opzettelijk is afgeleverd, verstrekt, vervoerd of verkocht:

- 10 december 2009;

- 20 januari 2010 (tweemaal).

-

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte op tijdstippen in de periode 10 december 2009 tot en met 1 februari 2010 telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen een grote hoeveelheid hennep afgeleverd, verstrekt vervoerd en/of vervoerd.

Het hof overweegt dat de verdachte een ondergeschikte rol heeft gehad ten opzichte van zijn medeverdachten en dat de omvang van de ten laste van hem bewezen verklaarde handelingen beperkter is dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte in de uitoefening van beroep of bedrijf heeft gehandeld.

Beslissing ten aanzien van een verweer gevoerd strekkende tot bewijsuitsluiting

Bij deze stand van zaken overweegt het hof dat het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de door de raadsman gewraakte processen-verbaal geen nadere bespreking behoeft, nu het hof deze processen-verbaal gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de bespreking van de incidenten niet voor het bewijs bezigt.

Voorwaardelijke verzoeken in het kader van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft enkele voorwaardelijke verzoeken gedaan die door het hof aldus worden opgevat dat wordt verzocht dat het onderzoek zal worden heropend en dat vervolgens de verzochte onderzoekshandeling alsnog door het hof zal worden bevolen indien de door de raadsman geformuleerde voorwaarde is vervuld. Het hof overweegt omtrent deze verzoeken als volgt.

De raadsman heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de verbalisant [verbalisant 1] als getuige, inhoudend dat, indien het hof van oordeel is dat eerdergenoemde proces-verbaal van stemherkenning [verdachte] voor het bewijs kan worden gebezigd, het hof tot heropening van het onderzoek zal overgaan en de oproeping van de getuige zal bevelen. Het hof heeft het proces-verbaal van stemherkenning niet ten grondslag gelegd aan de bewezen verklaring van het onder 1 ten laste gelegde. Dit betekent dat de door de raadsman aan zijn verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld en dat het hof aan beoordeling van de inhoud ervan niet toekomt.

De raadsman heeft voorts een voorwaardelijk verzoek tot het doen horen van de verbalisant 089 als getuige gedaan, inhoudend dat, indien het hof het incident op 20 januari 2010 waarbij hennep onder medeverdachte [medeverdachte 1] in een zwarte tas is aangetroffen en in beslag is genomen mede redengevend acht voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde, het hof tot heropening van het onderzoek zal overgaan en de oproeping van de getuige zal bevelen, teneinde hem, - zo begrijpt het hof – te bevragen op grond waarvan de verbalisant heeft gerelateerd dat er een tas uit de Mercedes werd gehaald. De door de raadsman verbonden voorwaarde is vervuld. Het hof acht het horen van de verbalisant echter niet noodzakelijk op grond van hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot de bewijswaardering van de afzonderlijke incidenten in het licht van het ketenbewijs heeft overwogen. Het hof betrekt in zijn beoordeling van het verzoek voorts dat het hof de door de raadsman betwiste waarneming van de verbalisant niet voor het bewijs heeft gebezigd. Het verzoek van de raadsman wordt derhalve afgewezen.

De raadsman heeft ten slotte een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 2] gedaan, inhoudend dat, indien het hof het aantreffen van de hennep in de woning van de verdachte mede redengevend acht voor het bewijs van het onder 1 (het hof begrijpt: zowel primair als subsidiair) ten laste gelegde, het hof tot heropening van het onderzoek zal overgaan en de oproeping van de getuige zal bevelen. Het hof overweegt dat het hof de vondst van hennep in de woning van de verdachte niet voor het bewijs bezigt. Dit betekent dat de door de raadsman aan zijn verzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld en het hof aan beoordeling van de inhoud ervan niet toekomt.

Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van het hof is, zoals eerder vermeld, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het witwassen van in elk geval enig geldbedrag bewezen kan worden verklaard. Zij heeft gewezen op de door de belastingdienst opgestelde vermogensvergelijking over de periode 2005 tot en met 2009 en de gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek aan het licht gekomen contante uitgaven van de verdachte en diens vriendin.

Namens de verdachte is om vrijspraak verzocht.

Zoals in het voorgaande is overwogen zal het hof ten laste van de verdachte drie transacties, waarbij hennep is vervoerd en overgedragen, bewezen verklaren.

Dit brengt met zich dat het bewijs voor witwassen van de voorwerpen en geldbedragen, zoals ten laste gelegd onder 3, beoordeeld zal dienen te worden tegen de achtergrond dat een mogelijk verband met concrete misdrijven, die financieel voordeel voor de verdachte zouden hebben opgeleverd, nagenoeg ontbreekt. Een en ander betekent dat het hof een ander vertrekpunt kiest dan de rechtbank heeft gedaan die, zo blijkt uit het vonnis, uitging van een aanzienlijk aantal ten laste van de verdachte bewezen verklaarde handelingen met hennep als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b, van de Opiumwet.

Daar komt bij dat de ten laste gelegde pleegperiode van het witwassen de periode van

1 januari 2005 tot en met 1 februari 2010 betreft, hetgeen van aanmerkelijk langere duur is dan de periode waarin de ten laste gelegde handelingen met hennep hebben plaatsgevonden.

Ook deze omstandigheid leidt ertoe dat het hof het toetsingskader zal hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd- het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende overwogen en opgemerkt.

De advocaat-generaal heeft, kort samengevat, op het navolgende gewezen.

De verdachte had een schoonmaakbedrijf gedurende de ten laste gelegde periode. Daarvan zijn over enkele kalenderjaren de jaarstukken bekend. De gegevens daaruit en de gegevens die overigens bekend zijn over de legale inkomsten van de verdachte zijn verwerkt in een zogeheten vermogensvergelijking die in het kader van een tegen de verdachte ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek is opgesteld door een medewerker van de belastingdienst. Daarin zijn tevens kasuitgaven verwerkt die de verdachte aantoonbaar heeft gedaan respectievelijk heeft moeten doen in verband met zijn levensonderhoud.

De vergelijking van legale inkomsten en gedane uitgaven laat als resultaat een discrepantie zien welke slechts kan worden verklaard uit illegale bronnen van inkomsten. Bovendien blijkt uit het dossier dat de verdachte geld “rondpompte” waarbij hij onder meer gebruik maakte van een zogeheten G-rekening en een zakelijke rekening. Dit dient te worden opgevat als een indicatie, ook wel typologie genoemd, van witwassen, aldus de advocaat-generaal.

In de onderhavige zaak, waarin zoals vastgesteld vrijwel geen bewijs voorhanden is voor zogeheten brondelicten in de ten laste gelegde pleegperiode, is - gezien hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht en hiervoor is weergegeven - naar het oordeel van het hof zonder meer sprake van een zogeheten witwasvermoeden. Er zijn immers gedurende het opsporingsonderzoek geldstromen en vermogensbestanddelen in beeld gebracht welke zich tegen de achtergrond van het legale inkomen van de verdachte, zoals dat is gebleken uit aangiftes gedaan bij de belastingdienst en documenten betrekking hebbend op zijn commerciële bedrijfsvoering, niet zonder nadere verklaring volledig laten begrijpen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij deze stand van zaken het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat alle uitgaven wel verklaard kunnen worden uit legale bronnen.

Het hof stelt vast dat de verdachte verklaringen heeft afgelegd over zijn schoonmaakbedrijf, de geldstromen die daarmee verbonden zijn en over de aanschaf van auto’s.

Het hof overweegt dat het opsporingsonderzoek dat bekend is geworden onder de naam “Kever” primair gericht is geweest op de handel in hennep. Daarbij zijn tevens voorwerpen in beslag genomen en zijn, onder meer met toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden, inlichtingen gevorderd op basis waarvan geldstromen de verdachte betreffend in kaart zijn gebracht. Het dossier is, zo is het hof op grond van achtereenvolgens kennisneming van dat dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep -waaronder begrepen de door de advocaat-generaal gedane mededelingen- gebleken, niet primair vanuit een financiële oriëntatie opgebouwd.

Voorts heeft een strafrechtelijk financieel onderzoek plaatsgevonden in het kader waarvan uiteenlopende processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderscheiden financiële aspecten zijn opgemaakt. In dit verband heeft de belastingdienst een zogeheten vermogensvergelijking opgesteld welke enig zicht biedt op het samenstel van bedrijfsresultaten van de verdachte en van overige inkomsten en uitgaven.

Op grond van de bevindingen van de politie en de in het onderzoeksdossier opgenomen vermogensvergelijking kan naar het oordeel van het hof de conclusie worden getrokken dat zich een aantal financiële bewegingen in de onderzoeksperiode hebben voorgedaan welke tot vragen over de legaliteit ervan aanleiding geven.

De totale omvang hiervan laat zich echter moeilijk vaststellen. Dit houdt verband met tal van complicerende factoren, zoals een mogelijk aanvangskapitaal per 1 januari 2005 waarover de verdachte heeft verklaard, de substitutie van contante bedragen in bedragen op betaalrekeningen en spaarrekeningen en daarmee samenhangende mogelijke dubbeltellingen, de bekostiging van auto’s uit de opbrengst van verkochte auto’s. Voorts is het hof gebleken dat de zakelijke administratie van de verdachte via een G-rekening en een zakelijke rekening verloopt. Met betrekking tot die G-rekening heeft de advocaat-generaal in haar requisitoir laten weten in de handelingen met betrekking tot de G-rekening thans niet langer strafbare gedragingen te herkennen.

Het hof is op grond van dit alles van oordeel dat als gevolg van de complexiteit van berekeningen en de verwevenheid van zakelijke en persoonlijke uitgaven en inkomsten het bewezen te verklaren bedrag niet kan worden bepaald.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het - in het licht van de bij de beoordeling te nemen stappen - op de weg van verdachte ligt de door haar gepresenteerde bewijsmiddelen te weerspreken bij gebreke waarvan het ten laste gelegde witwassen voor bewezenverklaring gereed ligt, in die zin dat - aldus de advocaat-generaal - de bewezenverklaring van “een geldbedrag” mogelijk is en gevorderd wordt.

In bewoordingen, kennelijk ontleend aan de procedure ter vaststelling en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft de advocaat-generaal gesteld dat de verdachte aannemelijk dient te maken dat het gepresenteerde witwasvermoeden ongegrond is.

Door haar standpunt aldus te formuleren heeft de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het toetsingskader.

Anders dan in de ontnemingsprocedure, waarin de rechter immers schattenderwijs de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel op aannemelijkheid wordt berekend en geschat, worden in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard, andere, in de zin van hogere eisen gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de bewijslastverdeling in de onderscheiden procedures en voor aan de proceshouding van een verdachte te verbinden consequenties.

Door dit onderscheid onvoldoende in acht te nemen heeft de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof niet onderkend dat de bewijskracht en bewijswaarde van hetgeen zij ter terechtzitting in hoger beroep op basis van het dossier heeft gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van de verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen.

De verklaringen van de verdachte, hoe gefragmenteerd en onvolledig ook, - hetgeen op zich niet onbegrijpelijk is in het licht van het feit dat de door het openbaar ministerie aangeleverde onderbouwing geenszins eenvoudig te lezen viel – leverden, nu door die verklaringen niet met voldoende mate van zekerheid de legale herkomst kan worden uitgesloten, althans onvoldoende duidelijk is in welke mate er (mogelijkerwijs) sprake is van vermenging van legale en illegale geldstromen, naar het oordeel van het hof een verplichting voor het openbaar ministerie op om in de vorm van nader onderzoek feiten en omstandigheden aan te brengen die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten. Dit laatste is - naar het oordeel van het hof - onvoldoende gebeurd.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet uitgelaten over het bewijs voor het ten laste gelegde medeplegen van het witwassen.

Voor zover de tenlastelegging ziet op handelingen van de verdachte die een nauwe en bewuste samenwerking met zijn partner ten aanzien van door haar gedane uitgaven opleveren overweegt het hof als volgt.

De verklaringen van mevrouw [betrokkene 3] bieden geen enkel aanknopingspunt dat zij wetenschap heeft gehad van brondelicten, gepleegd in de ten laste gelegde periode, van welker opbrengst zij opzettelijk uitgaven heeft gedaan, daargelaten het antwoord op de vraag of er gedragingen van de verdachte kunnen worden aangewezen die kunnen worden aangemerkt als een vorm van nauwe en bewuste samenwerking met mevrouw [betrokkene 3] bij door haar gedane bestedingen.

Nu het vereiste onderzoek niet is geschied en ook overigens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dient te verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen.

Bij deze stand van zaken is aan de voorwaarden verbonden met de voorwaardelijke verzoeken die samenhangen met feit 3 niet voldaan. Het hof verstaat dat het aan beoordeling van deze verzoeken derhalve niet toekomt.

Tot slot maakt het hof het openbaar ministerie opmerkzaam op het volgende. De complicaties die zich hebben voorgedaan bij de beoordeling van het bewijs voor het ten laste gelegde gewoontewitwassen waren naar het oordeel van het hof voorzienbaar.

Het heeft ontbroken aan volledigheid in het opsporingsonderzoek en er is geen samenhang aangebracht in de uiteenlopende onderzoeksbevindingen. Ondanks nadrukkelijk gestelde vragen van het hof is ook de advocaat-generaal er in haar requisitoir niet in geslaagd de benodigde samenhang alsnog aan te brengen, waarbij het hof aantekent dat dit tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier een vrijwel onmogelijke opgave was.

Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de beschuldiging van witwassen aan de tenlastelegging is toegevoegd op grond van aangetroffen vermogensbestanddelen die vragen opriepen en gevorderde gegevens die zicht boden op een op onderdelen ongeordende of onregelmatige administratie.

Het heeft in dit op hennephandel gerichte opsporingsonderzoek aan een gerichte oriëntatie op bewijsvergaring voor witwassen ontbroken. De basis voor de tenlastelegging wordt immers gevormd door een proces-verbaal ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Voorts heeft de officier van justitie op de terechtzitting in eerste aanleg medegedeeld dat het openbaar ministerie ook een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal maken.

Tegen deze achtergrond bezien heeft zich de vraag opgedrongen naar de toegevoegde waarde van de opgestelde tenlastelegging, mede bezien in het licht van achtereenvolgens de aanmerkelijke belasting die vervolging van witwassen in gevallen als deze doorgaans en ook in het onderhavige geval oplevert voor het strafproces als geheel en de afwegingen die voortdurend aan de orde zijn over de aanwending van schaarse middelen in het publieke domein, meer in het bijzonder de strafrechtelijke keten. In het besef dat een rechterlijke waardering van deze aard minder gebruikelijk is acht het hof het, nu deze zaak niet op zichzelf staat, niettemin aangewezen om deze vraag bij wijze van signaal uit te spreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op tijdstippen in de periode van 10 december 2009 tot en met 1 februari 2010 te Beverwijk en elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd telkens een grote hoeveelheid hennep.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en de verdachte voor het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft voorts de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie weken gelast.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard, dan wel onttrokken aan het verkeer. Zij heeft daarnaast gevorderd dat het hof zal overgaan tot toewijzing van een vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met de Opiumwet door tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een (groot)handelshoeveelheid hennep te vervoeren. Hennep pleegt de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC te bevatten en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Daarbij komt, dat dergelijke handel – waaraan het bewezen geachte afleveren moet worden gerelateerd – ook overigens de samenleving bezwaart door de criminaliteit die daardoor wordt gegenereerd of bestendigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 januari 2012 is de verdachte eerder ter zake van strafbare feiten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De op te leggen straf is wat betreft zwaarte minder ingrijpend dan de straf die door de advocaat-generaal is geëist, nu het hof de betrokkenheid van de verdachte bij een aantal hennepleveringen niet bewezen acht en het hof de verdachte voorts vrijspreekt van het onder 3 en 4 ten laste gelegde.

Overwegingen ten aanzien van het beslag

Het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de in beslag genomen simkaarten (nummers 14 en 15 op de beslaglijst). Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Met betrekking tot de in beslag genomen en niet teruggegeven sealzakken (nummer 16), de weegschaal (nummer 18), vacuumeermachine (nummer 19) en sealmachine overweegt het hof dat deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld en dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.

Derhalve worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven verlammingsapparaat is bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder 4 ten laste gelegde feit waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen. Het behoort aan verdachte toe en kan, gelet op zijn uiterlijke verschijningsvorm, dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

Met betrekking tot de in beslag genomen GSM-toestellen/simkaarten (nummers 11, 12 en 13) overweegt het hof dat die voorwerpen terug dienen te worden gegeven aan de verdachte, nu niet is gebleken dat deze voorwerpen in verband kunnen worden gebracht met het bewezen verklaarde feit.

Met betrekking tot de in beslag genomen geldtelmachine (nummer 17) overweegt het hof dat dit voorwerp – waarvan niet is komen vast te staan dat dit aan de verdachte toebehoort - dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu niet is gebleken dat dit voorwerpen in verband kan worden gebracht met het bewezen verklaarde feit.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 10 maart 2009 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht geen termen aanwezig –mede gelet op de tijd die de verdachte in verband met deze strafzaak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, welke tijd aanzienlijk langer is dan de duur van de op te leggen gevangenisstraf, de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

14. 1.00 STK GSM-toestel/simkaart (f-4-I-3-10-m);

15. 1.00 STK GSM-toestel/simkaart (f-4-I-3-10-n).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

16. 1.00 STK Sealzakken (f-4-VII-1-5);

18. 1.00 STK Weegschaal (f-4-IX-8-1);

19. 1.00 STK Vaccumeermachine (f-4-IX-8-2);

20. 1.00 STK Sealmachine (f-4-IX-8-3);

21. 1.00 STK Stroomstootwapen (f-4-IX-3-2).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

11. 1.00 STK GSM-toestel/simkaart (f-4-I-3-10-h);

12. 1.00 STK GSM-toestel/simkaart (f-4-I-3-10-k);

13. 1.00 STK GSM-toestel/simkaart (f-4-I-3-10-l);

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

17. 1.00 STK Bankbiljetten telmachine (f-4-IX-1-4).

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Haarlem van 12 oktober 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 10 maart 2009, parketnummer 15-614927-08, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. S. Clement en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2012.