Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8671

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10/00080 en 11/00403
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het kader van een ter zitting gesloten compromis wordt de heffingsrente verminderd tot heffingsrente berekend over een tijdvak van één jaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 748
FutD 2012-0857
V-N Vandaag 2012/815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00080 en 11/00403

8 maart 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[X] te [Z] belanghebbende,

tegen

de uitspraken in de zaken met kenmerk AWB 09/3822 en AWB 10/4757 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 19 maart 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.065, waarbij € 1.060 heffingsrente is berekend.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 juli 2009, de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.1.2. Bij uitspraak van 5 januari 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

De inspecteur heeft met dagtekening 30 januari 2010 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de heffingsrente met € 86 is verminderd.

1.1.3. Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 februari 2010 en ingeschreven onder kenmerk 10/00080. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.1.4. Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.1.5. Op 25 juni 2010 en 5 juli 2010 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.2.1. De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag IB/PV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.351, waarbij € 1.256 heffingsrente is berekend.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 augustus 2010, de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.2. Bij uitspraak van 5 april 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 mei 2011 en ingeschreven onder kenmerk 11/00403. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.4. Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.2.5. Op 6 september 2011 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende, waarvan een afschrift is verstrekt aan de wederpartij.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft voor beide hogere beroepen plaatsgevonden op 21 februari 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van haar uitspraak van 5 januari 2010 de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’:

2.1. Eiser heeft op 31 maart 2007 voor het jaar 2006 aangifte IB/PVV gedaan en daarin onder de post “Restant persoonsgebonden aftrek” een bedrag van € 16.759 aan beroepskosten aangegeven. Deze aftrek blijkt te bestaan uit advocaatkosten, welke zijn gemaakt in verband met een arbeidsconflict.

2.2. Verweerder heeft eiser op 16 januari 2006 een voorlopige teruggaaf IB/PVV 2006 verleend van € 2.468. Verweerder heeft eiser op 10 augustus 2007 een tweede voorlopige teruggaaf verleend van € 8.750, conform de door eiser ingediende aangifte.

2.3. Eiser heeft in december 2008 de voorlopige teruggaaf naar de rekening van de Belastingdienst overgemaakt. Het bedrag is vijf weken later op de rekening van eiser teruggestort.

2.4. Verweerder heeft met dagtekening 19 maart 2009 de aanslag IB/PVV 2006 vastgesteld, waarbij de door eiser geclaimde aftrek beroepskosten niet is geaccepteerd.

2.2. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.3 van haar uitspraak van 5 april 2011 de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’:

2.1. Eiser heeft op 20 april 2008 voor het jaar 2007 aangifte IB/PVV gedaan en daarin onder de post “restant persoonsgebonden aftrek aangever” een bedrag van € 20.294 aan beroepskosten aangegeven. Dit bedrag bestaat uit advocaatkosten, welke zijn gemaakt in verband met een arbeidsconflict.

2.2. Verweerder heeft eiser op 15 januari 2007 een voorlopige teruggaaf IB/PVV 2007 verleend van € 2.396. Verweerder heeft eiser op 23 juli 2008 een tweede voorlopige teruggaaf verleend van € 11.912, conform de door eiser ingediende aangifte.

2.3. Verweerder heeft met dagtekening 23 april 2010 de aanslag IB/PVV 2007 vastgesteld, waarbij de door eiser geclaimde aftrek beroepskosten niet is geaccepteerd.

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of recht bestaat op aftrek van advocaatkosten ter zake van een arbeidsconflict. Voorts is in geschil of de Staat der Nederlanden aan belanghebbende middelen ter beschikking moet stellen waarmee hij zich voor dit beroep juridisch kan laten bijstaan.

Het geschil over de hoogte van de in rekening gebrachte heffingsrente is ter zitting van 21 februari 2012 beslecht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Aftrekbare kosten

4.1.1. De rechtbank heeft in beide uitspraken onder 4.1 en 4.2 geoordeeld dat geen aftrek kan worden verleend ter zake van de door belanghebbende aangegeven kosten. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, LJN AZ4768, op het beroep in cassatie inzake de aanslag IB/PV voor het jaar 2001.

In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het bedrag van € 5877 geen negatief loon vormt. De daartegen gerichte klacht faalt. Het gaat hier om kosten gemaakt tot verwerving of behoud van inkomsten uit arbeid. Dergelijke kosten konden onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking worden genomen als aftrekbare kosten (artikel 35 van die wet), maar niet als negatief loon. Uit tekst noch ontstaansgeschiedenis van de Wet IB 2001 volgt dat de wetgever voor de toepassing van laatstbedoelde wet van een ruimer begrip negatief loon is uitgegaan, waaronder ook kosten als de onderhavige zouden vallen. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende betoogt, een deel van de kosten bestond uit vergoeding van proceskosten, waartoe hij bij rechterlijk vonnis was veroordeeld, maakt een en ander niet anders.

(…)

5.4. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of de wetgever in het nieuwe stelsel niettemin voor een bepaalde categorie arbeidskosten bij wijze van uitzondering toch een aftrekmogelijkheid had moeten scheppen, namelijk voor kosten die een werknemer maakt in verband met een arbeidsconflict met zijn werkgever, zoals proceskosten en kosten van rechtsbijstand.

Ook deze vraag is bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 uitdrukkelijk aan de orde geweest; zie daarover onderdeel 2 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal in de onderhavige zaak. De opmerkingen daarover bij die parlementaire behandeling hebben niet tot wijziging van het wetsvoorstel geleid. Een amendement om voor niet-voorzienbare uitgaven waarvan het niet in de rede ligt dat deze bestreden kunnen worden uit een vergoeding van de werkgever (waarbij als voorbeeld werd genoemd juridische kosten in het kader van een arbeidsconflict) een bijzondere aftrekmogelijkheid te creëren, is vervallen en heeft evenmin tot wijziging van het wetsvoorstel geleid. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever uiteindelijk heeft geoordeeld dat er onvoldoende grond is om voor kosten als de onderhavige een inbreuk te maken op de structuur van het nieuwe stelsel, waarin de mogelijkheid tot aftrek van beroepskosten ten principale zou komen te vervallen. Daarbij is voorts als argument genoemd dat een dergelijke inbreuk op zichzelf weer conflicten zou kunnen opleveren over schending van het gelijkheidsbeginsel.

5.5. Ook bij zijn keuze om geen uitzonderingsregeling te creëren voor kosten als de onderhavige heeft de wetgever zonder overschrijding van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid kunnen menen dat, voor zover die keuze er al toe leidt dat gelijke gevallen verschillend worden behandeld, daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Nu de op dit punt door de wetgever gemaakte keuze niet van redelijke grond ontbloot is, dient deze keuze te worden geëerbiedigd. Een door de eerder vermelde verdragsbepalingen verboden discriminatie doet zich derhalve niet voor.

4.1.2. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de kosten die in dit geding aan de orde zijn (€ 16.759 + € 20.294 = € 37.053) een veelvoud bedragen van de kosten in het arrest (€ 5.877). Naar het oordeel van het Hof biedt het arrest geen ruimte te beslissen dat de kosten om die reden wel aftrekbaar zijn. De aftrek in het arrest is immers uitgesloten op grond van door wetgever gegeven criteria en gemaakte keuzes, die door de Hoge Raad zijn geëerbiedigd. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aftrek niet kan worden verleend.

4.1.3. Belanghebbende vraagt zich af of het arrest in overeenstemming is met het EVRM. Het Hof overweegt hieromtrent dat uit de tekst van het arrest blijkt dat de Hoge Raad heeft beslist dat de wettelijke regeling met betrekking tot de aftrekbaarheid van beroepkosten niet in strijd is met artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol op dat verdrag.

4.2. Heffingsrente

4.2.1. De bij de aanslagen genomen beschikkingen heffingsrente dienen ingevolge het ter zitting gesloten compromis te worden verminderd tot beschikkingen waarin de rente is berekend over een tijdvak van een jaar. Hieruit volgt dat de bezwaren tegen die beschikkingen gegrond zijn. Nu dit voor 2006 leidt tot een verdergaande vermindering van de heffingsrente zal het Hof de uitspraak op bezwaar van 30 januari 2010 (zie 1.1.2), die diende tot uitvoering van de uitspraak van de rechtbank voor dat jaar, vernietigen.

4.2.2. Ingevolge de voor de onderhavige jaren geldende regeling is heffingsrente verschuldigd vanaf 1 juli van het belastingjaar. Het door partijen aanvaarde voorstel brengt in dat geval mee dat de heffingsrente dient te worden berekend over het tijdvak 1 juli 2006 tot 1 juli 2007 inzake de aanslag IB/PV voor het jaar 2006 en over het tijdvak 1 juli 2007 tot 1 juli 2008 inzake de aanslag IB/PV voor het jaar 2007.

4.3. Overige grieven

4.3.1. Belanghebbende herhaalt in beide hogere beroepen zijn in beroep reeds aangevoerde stelling dat de Staat der Nederlanden hem middelen ter beschikking dient te stellen waarmee hij zich voor dit beroep juridisch kan laten bijstaan. In beide uitspraken heeft de rechtbank deze stelling op goede gronden verworpen. Het Hof voegt daar aan toe dat het iedere belastingplichtige vrijstaat in een belastingprocedure gebruik te maken van beroepsmatig te verlenen rechtsbijstand. Indien het Hof in een procedure het bestuursorgaan veroordeelt tot vergoeding van proceskosten, worden ook de kosten van deze rechtsbijstand, volgens de daarvoor geldende normen, vergoed.

4.3.2. Aan de ter zitting geconstateerde verkeerde weergave in de uitspraak van de rechtbank over 2006 van de reden waarom bij voorlopige aanslag een teruggave van belasting is verleend, gaat het Hof voorbij, nu die onjuistheid niet kan leiden tot een vermindering van de aanslag.

4.4. Slotsom

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom:

- dat beide hogere beroepen gegrond zijn en dat beide beroepen gegrond zijn,

- dat beide uitspraken op bezwaar worden vernietigd, alsmede de uitspraak van 30 januari 2010.

- dat het bezwaar tegen de aanslagen ongegrond is,

- dat de bezwaren tegen de beschikkingen heffingsrente gegrond zijn en

- dat de heffingsrente voor beide jaren wordt verminderd tot rente berekend over een tijdvak van één jaar.

De gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak van 5 april 2011 brengt mee dat het voor het instellen van dat beroep betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

5. Proceskosten

5.1. Hogere beroepen

Nu de door belanghebbende ingestelde hogere beroepen gegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel c vermelde reiskosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van de in onderdeel c van artikel 1 bedoelde kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, Hilversum – Amsterdam v.v. ad € 14,80. Nu het onderzoek ter zitting in beide hogere beroepen heeft plaatsgevonden op hetzelfde tijstip, zal het Hof deze kosten voor de helft toerekenen aan het onder 10/00080 ingeschreven hogere beroep en voor de helft aan het onder 11/00403 ingeschreven hogere beroep.

5.2. Beroepen

Voor een proceskostenveroordeling in de beroepen acht het Hof geen termen aanwezig. Het wijst er daarbij op dat blijkens de gedingstukken belanghebbende in eerste aanleg in beide beroepen bij de uitnodiging te verschijnen bij het onderzoek ter zitting in de gelegenheid is gesteld opgave te doen van door hem gemaakte proceskosten. Op het daarvoor bestemde formulier dat als bijlage is meegezonden is een specificatie gegeven van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

De rechtbank heeft in beide uitspraken geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. In het gegrond verklaarde beroep heeft de rechtbank dit oordeel gemotiveerd door erop te wijzen dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Gelet op de door de rechtbank gegeven motivering houdt het Hof het ervoor dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid opgave te doen van gemaakte kosten.

Nu ook uit de stukken in de andere procedure niet blijkt dat belanghebbende van de geboden gelegenheid gebruik heeft gemaakt, houdt het Hof het ervoor dat hij dat ook in die procedure niet heeft gedaan.

6. Beslissing

6.1. inzake het onder 10/00080 ingeschreven hoger beroep:

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover die de vergoeding van het door eiser aan de rechtbank verschuldigde griffierecht betreft,

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de in dat beroep bestreden uitspraak op bezwaar, alsmede de uitspraak op bezwaar van 30 januari 2010,

- verklaart het bezwaar tegen de aanslag IB/PV voor het jaar 2006 ongegrond,

- verklaart het bezwaar tegen de bij die aanslag genomen beschikking heffingsrente gegrond,

- vermindert de bij die beschikking berekende heffingsrente tot rente berekend over het tijdvak 1 juli 2006 tot 1 juli 2007,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 7,40 en

- gelast de inspecteur het voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht ad € 110 aan belanghebbende te vergoeden.

6.2. inzake het onder 11/00403 ingeschreven hoger beroep:

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de in dat beroep bestreden uitspraak op bezwaar,

- verklaart het bezwaar tegen de aanslag IB/PV voor het jaar 2007 ongegrond,

- verklaart het bezwaar tegen de bij die aanslag genomen beschikking heffingsrente gegrond,

- vermindert de bij die beschikking berekende heffingsrente tot rente berekend over het tijdvak 1 juli 2007 tot 1 juli 2008,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 7,40 en

- gelast de inspecteur het voor het instellen van beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ad respectievelijk € 41 en € 112 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. A.D.R.M. Boumans, voorzitter van de belastingkamer, J.P.F. Slijpen en D. Hund, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 8 maart 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.