Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
10/00602
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aftrek voor niet aannemelijk gemaakte kosten; een opzegging van in het verleden gewekt vertrouwen blijft van kracht ook als in een later jaar de aangifte is gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 831
FutD 2012-0851
V-N Vandaag 2012/790
V-N 2012/35.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk: 10/00602

8 maart 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen

de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/6130 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 13 augustus 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.848 en tegelijk met het vaststellen van de aanslag een beschikking genomen waarbij een verzuimboete is opgelegd ter grootte van € 113.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 november 2009, de aanslag gehandhaafd.

1.2. Bij uitspraak van 2 augustus 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 september 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’:

2.1. Eiseres was in het onderhavige jaar gemeenteraadslid in de gemeente [Q]. Ter zake daarvan heeft zij inkomsten uit overige werkzaamheden genoten ten bedrage van € 14.848. Dit bedrag is inclusief een kostenvergoeding van € 1.572.

2.2. Op 28 februari 2007 is aan eiseres een aangiftebiljet IB/PVV 2006 uitgereikt. Aan eiseres is tot 1 september 2007 uitstel verleend voor het indienen van de aangifte.

Op 8 december 2008 is aan eiseres een aanmaning tot het doen van aangifte verzonden waarbij zij in de gelegenheid werd gesteld uiterlijk 5 januari 2009 de aangifte alsnog in te dienen.

2.3. Op 12 januari 2009 heeft verweerder de aangifte IB/PVV 2006 van eiseres ontvangen; deze aangifte was gedateerd 7 januari 2009.

In deze aangifte heeft eiseres onder meer een bedrag van € 1.572 wegens kosten in verband met haar inkomsten als gemeenteraadslid in aftrek gebracht.

2.4. Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslag de kostenaftrek niet geaccepteerd.

In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.2. Voor het jaar 2003 heeft belanghebbende ter zake van haar werkzaamheden als raadslid €12.763 presentiegelden ontvangen en een onkostenvergoeding van € 1.510. In de bezwaarfase is de inspecteur alsnog tegemoetgekomen aan belanghebbendes standpunt dat voor een bedrag gelijk aan de gehele kostenvergoeding aftrekbare kosten in aanmerking moeten worden genomen. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar voor dat jaar beroep ingesteld. In zijn verweerschrift in eerste aanleg, gedagtekend 15 juni 2006, heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de kostenaftrek alleen in aanmerking kan worden genomen tot het bedrag waarvoor belanghebbende een onderbouwing heeft gegeven, welk bedrag voor het jaar 2003 € 849 beliep.

2.3. In zijn brief van 10 juli 2009 heeft de inspecteur belanghebbende bericht dat hij het voornemen heeft van de ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2006 af te wijken.

Hij schrijft in deze brief onder meer:

In de aangifte heeft u bij inkomsten uit overige werkzaamheden € 1.572 afgetrokken voor de gemaakte kosten. In uw schrijven verwijst u naar het feit dat de onkostenvergoeding in 2004 en 2005 als aftrek is geaccepteerd.

Ik heb voor het jaar 2005 de kosten toen gelijkgesteld met de ontvangen kostenvergoedingen. Dit heb ik gedaan omdat de termijn voor het opleggen van de aanslag 2005 dreigde te verlopen.

Dit had niet mogen gebeuren omdat met ingang van 2005 de aftrek sterk gewijzigd was.

3. Geschil in hoger beroep.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de inspecteur bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat een kostenaftrek in aanmerking mag worden genomen ter grootte van de ontvangen kostenvergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vertrouwensbeginsel

4.1.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd van de door haar in aftrek gebrachte kosten. Het Hof acht dit oordeel juist en belanghebbende heeft ook in hoger beroep geen bewijs aangevoerd. Belanghebbende beroept zich in dit verband op het vertrouwensbeginsel en heeft daartoe aangevoerd dat de aftrek in het verleden altijd is verleend.

4.1.2. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift in de procedure voor het jaar 2003 over de aanslag IB/PVV op het standpunt gesteld dat kosten uitsluitend in aftrek kunnen komen indien belanghebbende deze kosten aannemelijk maakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende na de ontvangst van dat verweerschrift wist dat de inspecteur zich niet langer op het standpunt stelde dat de aftrek zou worden verleend. Het Hof acht dit oordeel juist. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot het oordeel kunnen leiden dat de inspecteur jegens haar enige uitlating heeft gedaan of handeling heeft verricht op grond waarvan zij mocht menen dat hij van deze opzegging is teruggekomen. Het nadien volgen van een aangifte is niet als een zodanige omstandigheid aan te merken. Aan een eventueel na juni 2006 verleende aftrek kan mitsdien geen in rechte te beschermen vertrouwen worden verleend dat deze aftrek ook voor andere jaren zou worden verleend.

4.2. Verzuimboete

4.2.1. Omtrent de aan belanghebbende opgelegde boete heeft de rechtbank onder meer overwogen:

4.4.1. Verweerder heeft aan eiseres een verzuimboete opgelegd wegens het te laat doen van aangifte. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. In het derde lid is bepaald dat de inspecteur de belastingplichtige daarna kan aanmanen binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen. Indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn (van aanmaning) heeft gedaan, vormt dit ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 1.134 kan opleggen. Op grond van paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 - zoals dat gold in 2006 - bedraagt de boete in geval van een eerste verzuim € 113.

4.4.2. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van een handelen waarvoor een boete kan worden opgelegd. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat aan eiseres op 28 februari 2007 een aangiftebiljet is uitgereikt en dat op 8 december 2008 een aanmaning is verzonden waarin zij in de gelegenheid werd gesteld uiterlijk 5 januari 2009 de aangifte in te dienen. Door eiseres wordt niet betwist dat zij bovengenoemde stukken heeft ontvangen. Voorts is niet in geschil dat het aangiftebiljet eerst op 12 januari 2009 bij de Belastingdienst is binnengekomen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een verzuimboete wegens het te laat doen van aangifte heeft opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde boete passend en geboden.

4.2.2. In hoger beroep heeft belanghebbende geen grieven met betrekking tot de verzuimboete aangevoerd. Het Hof houdt het er om die reden voor dat de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor weergegeven, juist zijn, in welk geval terecht is geoordeeld dat de inspecteur een verzuimboete mocht opleggen. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat een boete van € 113 passend en geboden is.

4.3. Overige grieven

4.3.1. Belanghebbende stelt dat door haar ingezonden stukken door de belastingdienst zijn kwijt gemaakt. De inspecteur betwist deze stelling. Het Hof overweegt dat het verzenden van stukken het risico meebrengt dat stukken verloren kunnen gaan. Het is om die reden aan de verzender om ofwel alleen kopieën in te zenden ofwel van de originelen kopieën te behouden.

Nu belanghebbende dit kennelijk niet heeft gedaan, dienen de gevolgen daarvan voor haar rekening te blijven. Aan de tussen partijen in geschil zijnde vraag of ingezonden stukken zijn zoek geraakt en zo ja, welke stukken dat dan zouden zijn gaat het Hof om die reden voorbij.

4.3.2. Belanghebbende heeft voorts nog grieven aangevoerd tegen het team van de Belastingdienst dat haar aangifte heeft behandeld. Het Hof gaat ook aan deze grieven voorbij nu zij er niet toe kunnen leiden dat de aanslag IB/PVV te hoog is vastgesteld.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan evenmin tot een zodanig oordeel leiden, zodat het Hof ook daaraan voorbijgaat.

4.4. Slotsom

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.F. Slijpen, voorzitter van de belastingkamer, A.D.R.M. Boumans en D. Hund, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 8 maart 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.