Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8208

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
200.081.130-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BP0176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van 8 november 2011. Vordering van advocaat wegens werkzaamheden. Beroep op dwaling door cliënte. Cliënte kwam voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking. Zij krijgt bewijsopdracht dat advocaat haar heeft meegedeeld dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking kwam voor gefincancierde rechtshulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.081.130/01

17 januari 2012 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

woonplaats kiezend te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. S. Tang te Almere,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft in deze zaak op 8 november 2011 een tussenarrest gewezen (verder ook: het tussenarrest). Voor het eerdere verloop van het geding in hoger beroep wordt naar dat arrest verwezen.

Vervolgens heeft [appellant] een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het kader van de vraag of [geïntimeerde] (in september 2009) vanwege de hoogte van haar inkomen aanspraak kon maken op gefinancierde rechtshulp is [appellant] bij het tussenarrest in de gelegenheid gesteld te reageren op wat [geïntimeerde] daarover bij memorie van antwoord (sub 17 tot en met 22) met een beroep op bij die gelegenheid overgelegde producties heeft aangevoerd. [appellant] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het hof beantwoordt de desbetreffende vraag als volgt.

2.2. Terecht staat niet ter discussie i) dat in september 2009, behoudens een peiljaarverlegging naar 2009 op verzoek van [geïntimeerde], 2007 het peiljaar was ten aanzien van de vraag of [geïntimeerde] voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam en ii) dat te dezen het fiscaal jaarinkomen van [geïntimeerde] in 2007 maatge-vend was. Kennelijk gaan beide partijen er van uit dat [geïntimeerde] in september 2009 alleenstaand was. Uit de haar over 2007 opgelegde en door [appellant] niet weersproken aanslag inkomstenbelasting van 16 oktober 2009 (onderdeel van productie 1 bij memorie van antwoord) blijkt dat [geïntimeerde], zoals zij heeft gesteld, in 2007 een fiscaal inkomen had van € 22.649,=. Dit bedrag ligt onder de in 2009 voor het verlenen van een toevoeging geldende grens voor alleenstaanden van € 23.800,=. Het moge zo zijn dat de desbetreffende aanslag pas na september 2009 is opgelegd, zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een eventuele toevoegingaanvraag in september 2009 (op basis van het peiljaar 2007) vrijwel zeker tot een afwijzing daarvan door de Raad voor Rechtsbijstand zou hebben geleid, zoals [appellant] bij zijn akte na tussenarrest, sub 5 in verband met sub 3, heeft gesteld. Het hof gaat er daarom van uit dat [geïntimeerde] in september 2009 voor een toevoeging in aanmerking zou zijn gekomen, indien toen van het peiljaar 2007 was uitgegaan.

2.3. Bovendien heeft [appellant] in zijn akte na tussenarrest weliswaar betwist dat het fiscale jaarinkomen van [geïntimeerde] in 2009 € 15.932,= bedroeg, hij heeft (onvoldoende gemotiveerd) bestreden de stellingen van [geïntimeerde] (memorie van antwoord, sub 21) dat haar toenmalige werkgever in 2009 consequent in gebreke was gebleven haar het haar toekomende loon te betalen, dat zij (dus) al maanden geen loon had ontvangen toen zij zich (in september 2009) tot [appellant] wendde en dat (daardoor) haar inkomen over 2009 aanmerkelijk lager zou zijn dan in het peiljaar. Het hof gaat er daarom van uit dat [geïntimeerde] in september 2009 (ook) voor een toevoeging in aanmerking zou zijn gekomen, indien zij toen om een peiljaarverlegging naar 2009 zou hebben verzocht.

2.4. De conclusie is derhalve dat [geïntimeerde] in september 2009 vanwege de hoogte van haar inkomen aanspraak kon maken op gefinancierde rechtshulp. Het door [appellant] in zijn akte na tussenarrest, sub 3, gedane bewijsaanbod, dat betrekking heeft op een aan [geïntimeerde] in 2010 verleende toevoeging, wordt als niet ter zake dienend van de hand gewezen.

2.5. Gelet op overweging 3.5.8 van het tussenarrest zal het hof [geïntimeerde] thans toelaten tot het bewijs van haar stelling dat [appellant] haar (bij het intakegesprek in september 2009) heeft meegedeeld dat zij niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. De betwisting door [appellant] in zijn akte na tussenarrest dat de door [geïntimeerde] als mogelijke getuige genoemde [K.A.], haar ex-echt-genoot, bij het intakegesprek aanwezig is geweest noopt niet tot een ander oordeel. Vanzelfsprekend zal dit thema echter aan de orde komen, indien [A.] daadwerkelijk als getuige wordt gehoord.

2.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

Het hof:

draagt [geïntimeerde] op, desgewenst door het doen horen van getuigen te bewijzen dat [appellant] haar (in september 2009) heeft meegedeeld dat zij vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtshulp;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] zulks wenst, getuigen zullen worden gehoord en wel door mr. R.J.M. Smit, bij dezen tot raadsheercommissaris benoemd, die daartoe op donderdag 15 maart 2012 te 9.00 uur zitting zal houden in een der lokalen van het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam;

bepaalt dat (de advocaten van) partijen, indien zij op voormeld tijdstip verhinderd zijn, daarvan binnen twee weken na heden bericht geven aan de griffie, zulks onder mededeling van de eigen verhinderdata en die van de wederpartij over de maanden maart, april en mei 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en C. Uriot, en is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2012 door de rolraadsheer.