Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
23-005628-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Uitgebreide bespreking niet-ontvankelijkheidsverweer. Geen misleiding of achterhouden informatie. 2. Vrijspraak van opzetheling. Geen bewijs wetenschap criminele herkomst. 3. Veroordeling medeplegen witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005628-08

datum uitspraak: 23 februari 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 10 oktober 2008 in de strafzaak onder parketnummer 14-900016-04 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [straatnaam] [huisnummer], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 25 september 2008 en 26 september 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1:

zij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 december 2001 te Alkmaar en/of Beverwijk, of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) één of meer goed(eren), te weten (onder meer) na te noemen geldbedrag(en), althans enig(e) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van die goed(eren) en/of geldbedragen wist(en) dat deze door de handel in verdovende middelen, in elk geval door enig misdrijf verkregen waren, te weten: - op of omstreeks 20 januari 1998 een geldbedrag van ongeveer 342.600 Duitse marken en/of 132.800 Amerikaanse dollars (omgerekend ten bedrage van Fl. 647.146,--), althans enig geldbedrag en/of - op of omstreeks 2 maart 1998 (een) geldbedrag(en) (met een totaal van) van Fl. 391.458,08, althans enig geldbedrag;

ten aanzien van feit 2

primair:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 16 oktober 2006 te Alkmaar, of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededaders (telkens) meermalen (een) voorwerp(en), te weten (een of meerdere) geldbedrag(en), tot een totaal van (ongeveer) euro 398.680,--, althans enig(e) geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovengenoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

subsidiair:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 16 oktober 2006, te Alkmaar, of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een (of meer) geldbedrag(en), tot een totaal van (ongeveer) euro 398.680,-- , althans enig(e) geldbedrag(en), heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich hiermee niet verenigt.

Getuigenverzoek / ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman – in aanvulling op zijn pleitnota – het hof primair verzocht een tussenarrest te wijzen teneinde officier van justitie mr. [officier van justitie], verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en een Duitse politiechef, slechts bekend als ‘[politiechef]’, als getuigen te horen. Subsidiair heeft de raadsman – overeenkomstig zijn pleitnota – betoogd dat het openbaar ministerie met toepassing van art. 359 a Sv niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.

Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat op 23 juni 2005 in Hamburg een uit Venezuela afkomstige container met meubelen bestemd voor de verdachte en zijn medeverdachten is gecontroleerd. Het is niet duidelijk of het initiatief voor de controle bij de Duitse of de Nederlandse autoriteiten lag. Bij de controle zijn geen verdovende middelen aangetroffen. Het negatieve resultaat van deze controle is dermate ontlastend dat dit gegeven, toen het bekend werd, op prominente wijze aan het dossier had moeten worden toegevoegd. Dit is ten onrechte nagelaten. Ook ontbreken de controledocumenten in het dossier. Om de feitelijke gang van zaken rondom de controle van de container en de wijze waarop de resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd vast te kunnen stellen, dienen voornoemde personen als getuigen te worden gehoord.

In het geval het getuigenverzoek wordt afgewezen - en daardoor geen opheldering wordt verkregen omtrent de feitelijke gang van zaken rondom de controle van de container - moet het er volgens de raadsman voor worden gehouden dat het openbaar ministerie de desbetreffende gegevens bewust heeft achter gehouden waardoor sprake is van misleiding van de rechter-commissaris, buitenlandse autoriteiten en de rechtbank ten gevolge waarvan voor de verdachte nadeel is veroorzaakt. Door de afwezigheid van bedoelde gegevens in het dossier:

- zullen de beslissingen van de rechter-commissaris omtrent de (voortduring van de) inzet van dwangmiddelen voor de verdachte in negatieve zin zijn beïnvloed.

- hebben de buitenlandse autoriteiten, tot wie de rechtshulpverzoeken zijn gericht, mogelijk ten onrechte hun medewerking aan de rechtshulpverzoeken verleend.

- zijn in het kader van de beslissing(en) tot (verlenging van het) voorarrest de rechter-commissaris en de rechtbank onjuist voorgelicht omtrent het bestaan van ernstige bezwaren ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Deze handelwijze van het openbaar ministerie levert een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte op en een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde en verdachtes recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM, aldus de raadsman.

Het hof zal het verzoek en het verweer gezamenlijk bespreken en overweegt als volgt.

Blijkens ambtshandeling 739 (AH 739) wordt op 23 juni 2005 in Hamburg door de Duitse douane een container uit Venezuela gecontroleerd op de aanwezigheid van verdovende middelen. De container blijkt meubelen te bevatten en er worden geen verdovende middelen aangetroffen, waarna de inhoud van de container op 13 juli 2005 aan de koper, het bedrijf ‘[bedrijf 1]’ [hierna: [bedrijf 1]], ter beschikking is gesteld.

Op 20 februari 2006 en 14 maart 2006 verzoekt de behandelend officier van justitie mr. [officier van justitie] de Duitse autoriteiten door middel van rechtshulpverzoeken (RHV7 en RHV 8) om onderzoek te verrichten en informatie te verschaffen betreffende onder meer het bedrijf [bedrijf 1].

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 september 2008 is verbalisant [verbalisant 1] als getuige over de controle van de container gehoord. Hij heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat door de politie in Duisburg (Duitsland) telefonisch contact is opgenomen met het onderzoeksteam van de FIOD/ECD omdat de Duitse autoriteiten beschikten over informatie dat er een zending bestemd voor [bedrijf 1] was gecontroleerd. Vervolgens zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 17 maart 2006 naar Duisburg afgereisd om ter plaatse de relevante bescheiden in te zien. De Duitse autoriteiten hebben documenten betreffende de controle aan de verbalisanten overhandigd en de verbalisanten hebben deze documenten meegenomen naar Nederland. [verbalisant 1] verklaart voorts dat het initiatief voor het uitvoeren van de controle bij de Duitse autoriteiten lag en dat het feit dat de controle had plaatsgevonden en wat de uitkomst daarvan was niet eerder dan op 17 maart 2006 bij het onderzoeksteam bekend was. Hij heeft de officier van justitie niet horen zeggen dat deze informatie niet in het dossier mocht, aldus verbalisant [verbalisant 1].

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 september 2008 heeft de officier van justitie (in reactie op de vragen van de verdediging aan [verbalisant 1]) bevestigd dat zij niet tegen de verbalisanten heeft gezegd dat bepaalde stukken uit het dossier gelaten dienden te worden. Voorts heeft zij verklaard dat zij de uitkomst van de controle van de container niet van belang acht voor de vraag of sprake is van verdenking van het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van de getuige [verbalisant 1] en de officier van justitie. Deze verklaringen vinden bovendien steun in RHV 7 en RHV 8. In het licht daarvan houdt het hof het ervoor dat het initiatief voor de controle van de container is uitgegaan van de Duitse autoriteiten en dat de resultaten daarvan eerst op 17 maart 2006 bij het onderzoeksteam bekend zijn geworden. Bij die stand van zaken - en gelet op hetgeen daartoe door de raadman is aangevoerd - is de noodzaak niet gebleken om [verbalisant 1], [verbalisant 2], [officier van justitie] en ‘[politiechef]’ als getuigen te horen, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Met betrekking tot het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer oordeelt het hof dat het enkele negatieve resultaat van de containercontrole op 23 juni 2005 niet heeft afgedaan aan de verdenking tegen verdachte van betrokkenheid bij de (voorbereiding van) invoer van cocaïne, zoals daarvan blijkt uit de zich in het dossier bevindende CIE-ambtsberichten, de in februari 2006 op Schiphol onder medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen bescheiden die duiden op een maandelijkse zending van meubelen vanuit Venezuela, de – op dat moment – onverklaarde grote contante uitgaven van verdachte en de medeverdachten en het versluierd taalgebruik over de telefoon en in diverse e-mailberichten. Bovendien constateert het hof met de rechtbank dat het opsporingsonderzoek veel breder was opgezet en niet uitsluitend was gericht op (de voorbereiding van de invoer van cocaïne door middel van) één enkele zending van meubelen vanuit Venezuela. Bij die stand van zaken dient aan de uitkomst van het onderzoek van de container op 23 juni 2005 hooguit een zeer beperkte ontlastende werking te worden toegekend. De officier van justitie was daarom niet gehouden die uitkomst in de rechtshulpverzoeken op te nemen of toe te voegen aan de processen-verbaal die aan de rechter-commissaris en de rechtbank zijn voorgelegd. Evenmin had die uitkomst afzonderlijk en/of prominenter geverbaliseerd moeten worden. Het hof stelt vast dat AH 739 op 20 februari 2006 is toegevoegd aan het dossier en daar sindsdien deel van uitmaakt. De verdediging heeft daar – toen zij het volledige dossier ontving – ook kennis van kunnen nemen. In zoverre is geen sprake van het achterhouden van informatie. Het voorgaande brengt mee dat geen sprake is van het bewust achterhouden van informatie dan wel misleiding van de rechter-commissaris, de rechtbank of de betrokken buitenlandse autoriteiten. Niet is gebleken dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van diens zaak tekort zou zijn gedaan, zodat het niet-ontvankelijkheidverweer dient te worden verworpen.

Vrijspraak opzetheling

Met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde (opzetheling).

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op 20 januari 1998 heeft de verdachte een geldbedrag van ongeveer 342.600,00 Duitse marken en 132.000,00 Amerikaanse dollars op haar rekening bij de [bank 1] gestort. De verdachte heeft verklaard dat de medeverdachte en voormalig echtgenoot [medeverdachte 1] haar had gezegd dat hij deze bedragen in een casino in Monaco had gewonnen. Een deel van het geld, te weten een bedrag van 391.458,08 gulden, is enkele dagen na de storting op de bankrekening van de verdachte door haar en [medeverdachte 1] aangewend om het huis aan de [adres] te [woonplaats] te kopen.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat het geld in een casino in Monaco zou zijn gewonnen door een persoon die hij aldaar had leren kennen. Hij zou deze man 5.000 gulden hebben gegeven om mee te spelen en dat heeft geleid tot de winst van genoemd bedrag. Uit de beantwoording van een rechtshulpverzoek aan de Monegaskische autoriteiten blijkt echter dat [medeverdachte 1] weliswaar aldaar in een casino is geweest in de door hem genoemde periode, maar niet dat hij aanzienlijke bedragen heeft gewonnen; indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou dat geadministreerd zijn. Daarbij komt dat het geld is gestort in Duitse marken en Amerikaanse dollars, terwijl in Monaco toentertijd de Franse franc het wettig betaalmiddel was.

In het licht daarvan oordeelt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het geld in een casino in Monaco is gewonnen. Daarmee is echter nog niet gegeven dat het bedoelde geld van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte hiervan wetenschap had. Het feit dat verdachte met [medeverdachte 1] was getrouwd en op de hoogte was van diens veroordeling in de Octopus-zaak maakt dat niet anders. Uit verklaringen van de verdachte is slechts af te leiden dat zij er nooit aan heeft getwijfeld dat voornoemde bedragen afkomstig waren uit een casino in Monaco. De mogelijkheid dat [medeverdachte 1] verdachte heeft verteld dat het geld in het casino is gewonnen, wordt ook overigens niet door enig bewijsmiddel uitgesloten.

Nu het bewijs voor de tenlastegelegde wetenschap ontbreekt, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Bespreking van een bewijsverweer

Opzet?

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van gewoontewitwassen. De verdachte en [medeverdachte 1] vormden geen economische entiteit. De verdachte had het druk met haar bedrijfsmatige activiteiten en probeerde haar hoofd boven water te houden. Ze kreeg soms wat geld van [medeverdachte 1], maar kreeg geen antwoord op haar vragen waar het geld vandaan kwam. Het vereiste opzet op de criminele herkomst van het geld ontbreekt, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op 16 oktober 2006 [map 20, V02-03] heeft de verdachte tegenover de FIOD-ECD verklaard dat zij wist dat haar toenmalige echtgenoot [medeverdachte 1] niet in legale zaken zat, dat zij vermoedens had dat hij betrokken was bij verdovende middelen, maar dat zij haar ‘kop in het zand’ heeft gestoken. Voorts heeft zij verklaard dat het weliswaar vreemd was dat ze zoveel geld kreeg zonder dat daar een normaal inkomen tegenover stond, maar dat zij het ‘wel goed’ vond, zolang zij maar geld had.

Uit de stukken in het dossier kan voorts worden afgeleid dat de verdachte regelmatig forse geldbedragen ontving van [medeverdachte 1] en daarmee aankopen deed voor zowel zichzelf als [medeverdachte 1]. Van een duidelijke scheiding van de financiën was dan ook geen sprake. Voorts volgt uit de verklaring van de verdachte dat zij zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat het geld een criminele herkomst had, maar dat zij de – naar het oordeel van het hof aanmerkelijke – kans daarop bewust heeft aanvaard, zodat het opzet in voorwaardelijke vorm aanwezig was en het verweer dient te worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 2 primair:

zij in de periode van 14 december 2001 tot en met 16 oktober 2006 te Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte, en haar mededader telkens geldbedragen voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij en haar mededader wisten dat bovengenoemde geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, alsmede een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met afrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vier jaren schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van aanzienlijke geldbedragen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie te brengen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Door haar handelwijze heeft de verdachte de illegale herkomst van deze gelden verbloemd en aan het zicht van Justitie onttrokken. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij het geld dat [medeverdachte 1] haar verschafte heeft aangenomen, terwijl zij wist dan wel vermoedde dat deze bedragen door [medeverdachte 1] uit misdrijf waren verkregen.

Ten voordele van de verdachte neemt het hof in aanmerking dat verdachte, blijkens een haar betreffend Uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 27 januari 2012, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ook heeft het hof acht geslagen op het Vroeghulp Interventierapport van 19 oktober 2006, opgemaakt door mw. [reclasseringswerker 1], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.

Voorts slaat het hof acht op de ter zitting door de verdediging aangedragen verdere persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten het feit dat de verdachte thans werkzaam is in de thuiszorg en een deeltijdopleiding volgt tot Verzorgende Individuele Gezondheidszorg. Het hof acht het een positieve ontwikkeling dat de verdachte inmiddels met legaal verkregen middelen in haar eigen onderhoud voorziet.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor de behandeling van deze strafzaak in hoger beroep is overschreden. Immers, de verdachte en het openbaar ministerie hebben op 24 oktober 2008 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst op 23 februari 2012 arrest wijst, hetgeen een overschrijding van een jaar en vier maanden oplevert. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met deze overschrijding in die zin dat in plaats van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, zal worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 108 uren, subsidiair 54 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het geheel overziend ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf te laten vervallen en te volstaan met een onvoorwaardelijke werkstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 108 (honderdenacht) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 54 (achtenvijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.S. Arnold en mr. R.H.J. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M. Rasterhoff, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2012.