Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7740

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
200.085.437/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wie is opdrachtgever? Onderscheid feitelijke en juridische opdrachtgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. A.P. Kranenburg te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

zaakdoend te [woonplaats]([land]),

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. R. Zwanenberg te Eindhoven.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 25 februari 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 30 november 2010, in deze zaak onder rolnum¬mer CV 10-22926 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

[appellant] heeft bij memorie drie grieven geformuleerd en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en, voorts, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van een bedrag van € 4.780,56 en een bedrag van € 425,52, beide met wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft bij memorie geantwoord en bewijs aangeboden, met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het te wijzen arrest - indien die kosten op die datum niet zijn voldaan – tot de dag van algehele voldoening.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Beoordeling

2.1 Het gaat, gelet op de niet of onvoldoende bestreden inhoud van de gedingstukken, in deze zaak om het volgende.

(i) [appellant] is bestuurder geweest van de vennootschap naar Nederlands recht Kaleidoscope Consumer Marketing N.V. (verder: Kaleidoscope). Deze vennootschap is inmiddels ontbonden.

(ii) In verband met door Kaleidoscope in Duitsland verrichte handelsactiviteiten heeft het Finanzamt te Kleef (de Duitse belastingdienst) Kaleidoscope aansprakelijk gesteld voor een schuld met betrekking tot niet afgedragen BTW. Daarnaast heeft dit Finanzamt ook [appellant], die gedurende een deel van de periode waarop deze schuld betrekking heeft bestuurder van Kaleidoscope was, persoonlijk aansprakelijk gesteld voor deze schuld. In het daarop betrekking hebbende (officiële) "Haftungsbescheid" jegens [appellant] van 10 januari 2006 wordt een totale schuld van € 27.147,50 genoemd.

(iii) De tekst van een al eerder, te weten op 22 juli 2005, door [appellant] aan [geïntimeerde] gegeven volmacht luidt als volgt:

"VOLLMACHT

Herrn Rechtsanwalt

[GEÏNTIMEERDE]

Fachanwalt für Steuerrecht

(...)

wird hiermit von

[appellant]

[adres], [land] [postcode] [plaats],

in der Angelegenheit

[appellant] // Finanzamt Kleve

Haftung für USt-Schulden der Kaleidoscope N.V.

Vollmacht zur Vertretung erteilt. Die Vollmacht ermächtigt zu allen Massnahmen im In- und Ausland. Sie ermächtigt weiter dazu, Unterbevollmächtigte zu bestellen und abzuberufen, Vergleiche zu schliessen, Korrespondenz, Verwaltungsakte und andere Entscheidungen sowie Gelder, Wertsachen und sonstige Gegenstände in Empfang zu nehmen. Sie erlischt nicht mit dem Tode des Vollmachtgebers."

Naar aanleiding van een brief van (kennelijk) het Finanzamt te Kleef van 16 september 2005 heeft [geïntimeerde] deze volmacht bij brief van 12 oktober 2005 aan het Finanzamt doen toekomen met de mededeling dat hij [appellant] vertegenwoordigde. Bij brief van 7 december 2006 heeft het Finanzamt te Kleef [geïntimeerde] bericht dat het voornoemde "Haftungsbescheid" van 10 januari 2006 werd ingetrokken.

(iv) Nadat [geïntimeerde] zijn werkzaamheden ten behoeve van [appellant] had verricht, heeft hij hiervoor een factuur gezonden naar een zekere [P.], die hem, in elk geval feitelijk, de opdracht tot die werkzaamheden had gegeven. [P.] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

(v) Op 10 juli 2009 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een factuur gestuurd voor deze werkzaamheden voor een bedrag van in totaal € 3.631,88.

2.2 De omstandigheid dat beide partijen in hun processtukken verwijzen naar Nederlands recht begrijpt het hof als een rechtskeuze van partijen voor toepassing in het onderhavige geval van dit recht.

2.3 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling aan hem van een bedrag van € 3.631,88 met rente en buitengerechtelijke kosten. [geïntimeerde] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat hij in opdracht van [appellant] als advocaat is opgetreden in het geschil dat [appellant] had met het Finanzamt te Kleef in verband met niet afgedragen BTW door Kaleidoscope.

2.4 De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep overwogen, kort samengevat, dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, slechts kan worden vastgesteld dat [P.] namens [appellant] de opdracht moet hebben verstrekt om de aanslag in de omzetbelasting van de financiële autoriteiten te Kleef aan te vechten en [geïntimeerde] gelet op het bepaalde in artikel 3:61 BW onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat door [appellant] een toereikende volmacht was verleend aan [P.] om hem de betreffende opdracht te geven.

2.5 Tegen deze overwegingen van de kantonrechter is de derde grief gericht, die het hof als eerste zal bespreken. De grief stelt, naar de kern genomen, de vraag aan de orde of, zoals [geïntimeerde] stelt, [appellant] aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven om als advocaat op te treden in het geschil dat [appellant] had met het Finanzamt te Kleef in verband met niet afgedragen BTW door Kaleidoscope dan wel, zoals [appellant] stelt, uitsluitend [P.] opdrachtgever van [geïntimeerde] is geweest. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

2.6 Vaststaat dat [geïntimeerde], voor wat betreft de gefactureerde werkzaamheden, uitsluitend werkzaamheden ten behoeve van [appellant] heeft verricht. Het "Haftungsbescheid" van 10 januari 2006 had uitsluitend op [appellant] betrekking en alleen [appellant] werd daarin – naast eerder al Kaleidoscope – aansprakelijk gesteld voor betaling van niet afgedragen BTW, zodat ook het besluit van het Finanzamt tot intrekking van dit "Haftungsbescheid" uitsluitend [appellant] ten goede kwam. Voor zover [appellant] (met zijn tweede grief) heeft gesteld dat [P.] wel degelijk (ook) belang had bij de uitkomst van de werkzaamheden van [geïntimeerde] omdat [P.] financieel was betrokken bij Kaleidoscope, verwerpt het hof dit betoog, omdat [appellant] deze door [geïntimeerde] betwiste stelling op geen enkele wijze concreet heeft onderbouwd. Dit betekent ook dat moet worden aangenomen dat uitsluitend [appellant] belang had bij de uitkomst van de werkzaamheden van [geïntimeerde].

2.7 Voorts staat vast dat [appellant] (naar het hof uit de stukken begrijpt: kennelijk via [P.]) een rechtstreeks aan [geïntimeerde] gerichte volmacht heeft verstrekt om hem in het geschil dat hij had met het Finanzamt te Kleef betreffende de onderhavige kwestie te vertegenwoordigen en dat [appellant] aldus, en in zoverre, ook rechtstreeks contact heeft gehad met [geïntimeerde].

2.8 Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden [geïntimeerde] de gedragingen van [appellant] (en [P.]) redelijkerwijs heeft mogen begrijpen als een opdrachtverlening door [appellant] aan hem om als advocaat op te treden in het geschil dat [appellant] had met het Finanzamt te Kleef. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] niet heeft gesteld - wat op zijn weg had gelegen - dat hij zelf (of [P.]) in zijn contacten met [geïntimeerde] aan deze uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij – [appellant] - niet als opdrachtgever mocht worden beschouwd. Tevens tekent het hof hierbij aan dat [appellant] evenmin heeft gesteld – wat eveneens op zijn weg had gelegen – dat hij bij gelegenheid van de volmachtverlening dan wel op een ander moment, al dan niet via [P.], aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat niet hij maar (uitsluitend) [P.] de op de werkzaamheden betrekking hebbende factuur zou betalen. De omstandigheid dat [geïntimeerde] zijn factuur aanvankelijk aan [P.] heeft gericht en dat deze (tevoren) had toegezegd de kosten van [geïntimeerde] te zullen betalen, maakt dit alles niet anders.

2.9 Voor zover [appellant] een beroep heeft gedaan op de inhoud van het e-mailbericht van [geïntimeerde] aan [N.] van 12 juli 2009, kan dit aan het voorgaande niet afdoen. Dit bericht luidt, voor zover thans relevant, als volgt:

"Selbstverständlich war Herr [P.] Auftraggeber, vor dem Finanzamt Kleve vertreten habe ich aber Herrn [appellant]. Herr [appellant] hat mir schriftliche Vollmacht erteilt; ohne Vollmacht von Herrn [appellant] hätte ich nicht tätig werden können. Er schuldet mir daher neben Herrn [P.] mein Honorar."

Dit e-mailbericht kan niet aldus worden begrepen dat [geïntimeerde] hierin erkent dat [appellant] geen opdrachtgever was. Voor zover uit dit e-mailbericht al niet moet worden afgeleid dat [geïntimeerde] [P.] slechts als feitelijk opdrachtgever beschouwde - en [appellant] als juridisch opdrachtgever – volgt hieruit ten minste dat [geïntimeerde] [appellant] mede als opdrachtgever aanmerkte.

2.10 Het voorgaande brengt mee dat grief II en grief III falen en dat - gelet op met name het onder 2.1 sub (i) en (ii) alsmede het onder 2.6 overwogene - grief I buiten bespreking kan blijven.

2.11 [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

3. Slotsom en kosten

Het hoger beroep faalt, zodat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 284,- aan verschotten en € 632,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2012 - indien die kosten op die datum niet zijn voldaan – tot de dag van algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, R.J.M. Smit en C. Uriot en op 21 februari 2012 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.