Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6948

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2012
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
23-003105-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaine in koffer op Schiphol vanuit Suriname.

Bewijsoverweging: het hof acht opzet aanwezig. De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over achtereenvolgens de feitelijke gang van zaken inzake het inpakken van haar koffer, de reden van het laten inpakken van haar koffer door anderen en over de combinatie van voor- en achternamen van de personen die de koffer zouden hebben ingepakt. Relaas van de verdachte over de gang van zaken rondom het inpakken van haar koffer is in het geheel niet door of namens haar nader geadstureerd. De verklaring van verdachte omtrent het door haar, daags voor het vertrek, vooruitbetaalde overgewicht acht het hof niet geloofwaardig. Nu ook overigens geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die op het tegendeel wijzen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte bekend was met de aanwezigheid van de cocaïne in haar koffer.

Gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, waarvan 22 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003105-10

datum uitspraak: 20 januari 2012

VERSTEK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 8 juli 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-800270-10 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1947],

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 25 februari 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt, nu het tot andere beslissingen ten aanzien van het bewijs, de kwalificatie en de strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het ten laste gelegde opzet op de invoer van cocaïne en de overtredingsvariant van artikel 2 onder A juncto artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bewezen verklaard, gekwalificeerd en aan de verdachte een hechtenisstraf opgelegd. Het openbaar ministerie heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat hij de verklaringen die door de verdachte zijn afgelegd, te weten dat haar koffer door enkele neven in Suriname is ingepakt en dat dezen de drugs er zonder haar medeweten hebben ingedaan, ongeloofwaardig acht.

Het hof leidt uit de stukken in het strafdossier af dat de verdachte op 25 februari 2010 met het vliegtuig vanuit Suriname is aangekomen op de luchthaven Schiphol, in het bezit van een koffer waarin ongeveer 8 kilo cocaïne was geborgen. Dat zij de cocaïne heeft ingevoerd in Nederland staat daarmee naar het oordeel van het hof derhalve vast.

De vraag die ter beantwoording voorligt is in het bijzonder of aan de verdachte het verwijt treft dat zij de cocaïne opzettelijk heeft ingevoerd. Het hof stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat wanneer men in verband met een intercontinentale vliegreis een koffer vervoert, men geacht wordt bekend te zijn met de inhoud daarvan, behoudens bijzondere omstandigheden.

Als bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin heeft de verdachte, zo begrijpt het hof uit haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg, aangevoerd dat haar neefjes haar koffer voor haar hebben ingepakt en deze hebben afgesloten toen en terwijl zij zelf aan het douchen was, omdat zij moe was van een op die dag ondergane nierdialyse. De koffer heeft de verdachte daarna niet meer geopend of anderszins de inhoud daarvan gecontroleerd. Het zijn ook deze neefjes geweest die de verdachte in Suriname naar het vliegveld hebben gebracht en eenmaal aangekomen op de luchthaven is de koffer door hen voor haar op de weegschaal gezet. Zij heeft deze niet meer zelf getild, aldus de verdachte.

Voor het vaststaande feit dat er vijf dagen voorafgaand aan de dag van haar vertrek naar Nederland voor overgewicht van 10 kilogram is vooruitbetaald, heeft de verdachte toen als verklaring gegeven dat zij met dit overgewicht rekening hield, in verband met de door haar voor familieleden in Nederland gekochte cadeaus en dat het goedkoper was om voorafgaand aan vertrek voor overgewicht vooruit te betalen dan op de luchthaven op de dag van vertrek.

Het hof acht met de advocaat-generaal de door de verdachte gestelde gang van zaken onaannemelijk en is van oordeel dat ook overigens geen sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen (dossierparagraaf 1.1) heeft de verdachte bij gelegenheid van de controle van haar bagage op de luchthaven Schiphol eerst aan de verbalisanten verklaard dat zij haar koffer zelf heeft ingepakt, en nadat het resultaat van de uitgevoerde controle sterk wees op de aanwezigheid van cocaïne in die koffer, heeft zij verklaard dat zij deze koffer samen met haar familie had ingepakt. Tijdens het verhoor, afgenomen door opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, op 27 februari 2010 heeft de verdachte verklaard dat zij haar koffer niet zelf heeft ingepakt, maar dat het haar drie neefjes zijn geweest die dat voor haar hebben gedaan en dat zij denkt dat misschien één of twee van die neefjes de cocaïne in haar koffer hebben gestopt. Als de verdachte tijdens dit verhoor door de Koninklijke Marechaussee nader wordt gevraagd naar de reden van het niet zelf inpakken van haar koffer, heeft zij eerst verklaard dat zij daarvoor niet genoeg tijd had, omdat zij de vertrektijd om 20:00 uur 's avonds pas laat van het reisbureau had vernomen. Geconfronteerd met de omstandigheid dat de vertrektijd van de terugvlucht al op het ticket was aangegeven en dat dit al in december 2009 was gekocht, heeft de verdachte verklaard dat zij nog naar de stad moest om kleren te kopen en daarom geen tijd had om de koffer zelf in te pakken (dossierparagraaf 1.3).

Ten overstaan van de rechter-commissaris op 26 februari 2010, heeft de verdachte verklaard dat de drie neefjes die haar koffer hebben ingepakt en van wie zij vermoedde dat dezen de drugs in haar koffer hadden gestopt zijn genaamd [neef 1 achternaam A], [neef 2 achternaam A] en [neef 3 achternaam B]. Bij haar verhoor door de Koninklijke Marechaussee op 27 februari 2010 (paragraaf 1.3 van het dossier) heeft de verdachte verklaard dat haar neefjes genaamd zijn [neef 1 achternaam A], [neef 3 achternaam A] en [neef 2 achternaam B]

Uit het voorgaande volgt, dat de verdachte naar de inhoud daarvan wisselende verklaringen heeft afgelegd over achtereenvolgens de feitelijke gang van zaken inzake het inpakken van haar koffer, de reden van het laten inpakken van haar koffer door anderen en voorts over de combinatie van voor- en achternamen van haar neefjes. Daarbij komt dat het relaas van de verdachte over de gang van zaken rondom dat inpakken in het geheel niet door of namens haar nader is geadstrueerd, ook niet nadat er tegen haar strafvervolging werd ingesteld.

Met betrekking tot de verklaring van de verdachte dat zij daags voor haar terugreis vooruit heeft betaald voor overgewicht van haar bagage , overweegt het hof als volgt. Uit hetgeen is verhandeld ter terechtzitting in eerste aanleg volgt, dat de verdachte toentertijd kampte met een grote financiële problematiek. Zo is de verdachte bekend bij de schuldhulpverlening, volgde zij een cursus budgetbeheer, genoot zij een uitkering van € 966,- per maand en hield zij per week € 50,- over om van te leven. Voorts heeft zij bij gelegenheid van haar verhoor bij de Koninklijke Marechaussee op 27 februari 2010 verklaard dat haar ticket door haar kinderen is betaald. Het hof acht het, gezien de bovengenoemde financiële situatie van de verdachte, niet geloofwaardig dat de verdachte op haar vakantie wel in staat is om een aantal dagen voorafgaand aan haar vertrek te betalen voor -op basis van haar schatting- 10 kilo extra bagage in de vorm van een bedrag van ruim € 50,- en bovendien cadeautjes zoals kleding, chips en groenten voor haar familieleden kan betalen. Het hof stelt voorts vast dat er in haar bagage geen zodanige cadeautjes in de koffer van de verdachte zijn aangetroffen.

Het hof merkt ten slotte op dat in het algemeen niet valt in te zien hoe 8 kilo cocaïne met een zeer aanzienlijke handelswaarde veiliggesteld zou kunnen worden ingeval van een werkwijze, waarbij de verdachte met haar bagage de luchthaven zou verlaten zonder enige afspraak over overdracht van de koffer. Het hof acht het niet aannemelijk dat een organisatie een dergelijk risico zou nemen.

Nu ook overigens geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die op het tegendeel wijzen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte bekend was met de aanwezigheid van de cocaïne in haar koffer.

Aldus acht het hof bewezen dat de verdachte willens en wetens de cocaïne binnen Nederland heeft gebracht en derhalve opzet heeft gehad op het invoeren van de cocaïne in Nederland.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 25 februari 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het geschrift vermeld in de hiernavolgende rubriek onder 3, wordt slechts gebezigd in verband met de overige bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aanhouding en bevindingen met nummer 20100190 van 25 februari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierparagraaf 1.1.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):

Op 25 februari 2010 werd door de Douane, Unit Fysiek Toezicht Passagiers, op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht [vluchtnummer] vanuit Paramaribo. Na het doorlopen van de scancontrole heb ik, verbalisant [verbalisant 2] de bagage gecontroleerd van een passagier, welke later bleek te zijn genaamd [verdachte]. Tijdens de visitatie zag ik, verbalisant [verbalisant 2], naast normale reizigersbagage een pakket verwikkeld in een bruine linnen doek met ruitmotief. Ik heb het pakket uit de koffer gehaald en op de band van een nabij gelegen scanapparaat geplaatst. Op de monitor van het scanapparaat zag ik in het pakket, brok-vormige objecten. Vervolgens heb ik de linnen doek van het pakket verwijderd en zag ik dat het pakket omwikkeld was met een transparante folie. Onder de folie zag ik een bruine substantie. Vervolgens heb ik de folie gescheurd en zag ik onder de folie een transparante plastic zak met daarin witte brokken. Vervolgens heb ik in de zak een opening gemaakt en rook ik een chemische lucht.

Desgevraagd deelde [verdachte] mij, verbalisant [verbalisant 1], mede dat de koffer haar eigendom is, zij de koffer samen met haar familie heeft ingepakt en de inhoud van de koffer van haar is. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], de visitatie hervat waarbij ik het volgende zag: een blauwe hardschalige koffer met daaraan bevestigd een bagagelabel met nummer [nummer]. Dit nummer komt overeen met het claimtagnummer van voornoemde persoon. Vervolgens heb ik de koffer geopend en zag ik naast de normale reizigersbagage drie plastic tassen. Vervolgens heb ik de tassen geopend en zag ik in elke tas een pakket verwikkeld in een linnen doek. Vervolgens heb ik de plastic zak gepakt welke reeds door verbalisant [verbalisant 2] was geopend en zag in de plastic zak witte brokken. Vervolgens heb ik met mijn fretboortje in één van de witte brokken geboord. Bij het terugtrekken zag ik dat er een witte stof aan mijn boortje bleef kleven welke qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne.

Ik heb de volgende goederen in beslag genomen: een hardschalige koffer van het merk Delsey, kleur: blauw, bagagelabelnummer: [nummer], gewicht: 32800 gram, inhoud: normale reizigersbagage en vier pakketten met in minstens één pakket een hoeveelheid van vermoedelijk cocaïne. Ik heb aan de koffer een fouilleringszak gedaan met nummer [nummer].

2. Een proces-verbaal 26 februari 2010, opgemaakt door mr. R.M. Flohil, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem (ongenummerde pagina's),

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 februari 2010 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik op 25 februari 2010 in de ochtend uit Paramaribo aankwam op Schiphol. Ik had een blauwe hardschalige koffer bij mij met drie plastic tassen met de opdruk Jumbo daarin.

3. Een proces-verbaal met nummer PL27RR/10-015720 van 26 februari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren[verbalisant 3] en [verbalisant 4] dossierparagraaf 1.1.4.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):

Wij verbalisanten zagen een blauwkleurige rolkoffer van het merk Delsey, met daaraan een douane fouilleringszak met nummer [nummer]. Wij zagen dat aan genoemde koffer een bagagelabel was bevestigd die ten name was gesteld van [verdachte] met nummer [nummer]. Wij, verbalisanten, hebben genoemde koffer op de weegschaal gezet en wij zagen dat deze weegschaal een gewicht aangaf van 32,80 kilogram. Genoemde bagage hebben wij, verbalisanten gecontroleerd op de aanwezigheid van vermoedelijke cocaïne. In de koffer troffen wij dameskleding, flessen en vier pastic tassen aan. In de plastictassen zat een zwarte plastictas met daarin een lap textiel dat over een wit pakket was gewikkeld. Wij troffen vier pakketten aan die gewikkeld waren in transparante folie met daaronder één of andere bruinkleurige substantie, die een sterke geur had. Na het verwijderen van deze folie met substantie, zagen wij dat deze vier pakketten uit meerdere pakketten bestonden. In totaal troffen wij, verbalisanten, zeventien pakketten aan. Wij, verbalisanten, hebben de zeventien pakketten gemerkt met de letters A1 tot en met D4. Vervolgens hebben wij, verbalisanten, de pakketten nader onderzocht. Hierbij zagen wij dat de verpakkingswijze van de zeventien pakketten van buiten naar binnen bestond uit nog twee verpakkingslagen van transparante sealbags. Na verwijdering van de laatste verpakkingslaag werd er door ons, verbalisanten, een witkleurige stof aangetroffen, welke qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne. Bij weging bleek het nettogewicht van de aangetroffen stof afkomstig uit de zeventien pakketten te zijn: 8152,9 gram, Vervolgens namen wij, verbalisanten, van alle 17 pakketten representatieve monsters om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam. De voornoemde monsters zijn vastgelegd door middel van de volgende Sporen Identificatie Nummers (SIN):

Monster uit pakket A1: AAAJ5755NL

Monster uit pakket A2: AAAJ5756NL

Monster uit pakket A3: AAAJ5757NL

Monster uit pakker A4: AAAJ5758NL

Monster uit pakket B1: AAAJ5759NL

Monster uit pakket B2: AAAJ5760NL

Monster uit pakket B3: AAAJ5768NL

Monster uit pakket B4: AAAJ5770NL

Monster uit pakket B5: AAAJ5606NL

Monster uit pakket C1: AAAJ5761NL

Monster uit pakket C2: AAAJ5762NL

Monster uit pakket C3: AAAJ5763NL

Monster uit pakket C4: AAAJ5764NL

Monster uit pakket D1: AAAJ5765NL

Monster uit pakket D2: AAAJ5766NL

Monster uit pakket D3: AAAJ5767NL

Monster uit pakket D4: AAAJ5769NL

4. Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam met kenmerk PL27RR/10-015720 van 3 maart 2010. opgemaakt door scheikundige ing. [deskundige].

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van bovengenoemde deskundige:

Op 1 maart 2010 ontving ik, ing. [deskundige], scheikundige bij het Douane Laboratorium van de Belastingsdienst te Amsterdam van het district Koninklijke marechaussee Luchtvaart Schiphol, in de zaak contra [verdachte], 1 witte envelop met daarin 17 verzegelde plastic zakjes met wit, korrelig materiaal. Deze zakjes waren voorzien van de volgende SIN-nummers:

AAAJ5755NL AAAJ5756NL

AAAJ5757NL AAAJ5758NL

AAAJ5759NL AAAJ5760NL

AAAJ5768NL AAAJ5770NL

AAAJ5606NL AAAJ5761NL

AAAJ5762NL AAAJ5763NL

AAAJ5764NL AAAJ5765NL

AAAJ5766NL AAAJ5767NL

AAAJ5769NL

Conclusie: Het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers bevat cocaïne.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het de overtredingsvariant van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden

Tegen voormeld vonnis is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de opzetvariant zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, waarvan 22 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van een groothandelshoeveelheid van ruim 8 kilo cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en (groot)handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Het bewezen verklaarde feit is een ernstig misdrijf waarvoor, mede gelet op de uitgangspunten zoals deze voor zaken als de onderhavige zijn vastgesteld door het Strafbureau van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS), een gevangenisstraf van 44 maanden passend en geboden is.

Door de verdachte zijn in eerste aanleg medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar gezondheidssituatie problematisch is. Zij is nierpatiënt en gebruikt veel verschillende medicijnen.

Het hof heeft onder ogen gezien dat deze informatie in beginsel een strafmatigende invloed kan hebben. De eis van de advocaat-generaal komt hieraan ook al in aanzienlijke mate tegemoet door te vorderen dat de helft van de voor de ingevoerde hoeveelheid passende straf in voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd. Nu de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, en haar raadsvrouw niet gemachtigd was om de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep te verdedigen, kan de informatie niet op haar actualiteitswaarde worden beoordeeld. Dit brengt met zich dat hof geen ruimte aanwezig acht om met bovengenoemde factoren bij de strafoplegging in verdergaande mate rekening te houden dan de advocaat-generaal in zijn vordering reeds heeft gedaan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 december 2011 is de verdachte eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 (vierenveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 22 (tweeëntwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. L.A.J. Dun en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van

mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

20 januari 2012.