Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6930

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
23-005412-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6083, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof acht het OM ontvankelijk i.t.t. de meervoudige economische kamer van de rechtbank die - nadat de economische politie een wijziging van de tenlastelegging had toegestaan om het woord ''opzettelijk'' aan het tlg feit toe te voegen - het OM niet ontvankelijk heeft verklaard wegens verjaring van het ten laste gelegde zoals dat luidde voordat de wijziging werd toegelaten. Dit stond de meervoudige kamer van de rechtbank niet vrij omdat de wijziging in eerder stadium reeds terecht was toegelaten gelet op HR 24 april 2007 NJ 2008, 357 (volgt bewezenverklaring van opzettelijk gepleegde overtredingen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005412-09

datum uitspraak: 17 februari 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-500100-02 tegen

[verdachte],

gevestigd te [adres verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

1 oktober 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

zij, in of omstreeks de periode van 20 juni 2002 tot en met 27 juni 2002, te Badhoevedorp, althans in het arrondissement Haarlem en/of (elders) in Nederland, als afzender, opzettelijk een zending gevaarlijke stoffen, te weten:

a) een hoeveelheid (zogenaamd) evenementen vuurwerk met UN-kenmerk UN 0333 en/of 0334 en/of 0335 en/of 0336 en/of 0337 en/of

b) een hoeveelheid (zogenaamd) indoor vuurwerk of theater vuurwerk met UN-kenmerk UN 0431 en/of 0432

ten vervoer (over land in een vervoermiddel) heeft aangeboden,

I) terwijl die onder a) en/of b) genoemde soorten vuurwerk, in strijd met het bepaalde in referentie 4.1.10 jo 4.1.10.4, MP24, van het ADR samen waren verpakt, en/of

II) terwijl (een gedeelte van dat onder a) genoemd vuurwerk, in strijd met het bepaalde in referentie 4.1.10 jo referentie 4.1.10.4, MP23, van het ADR was verpakt met niet ontplofbare voorwerpen (zoals plakband en/of een plakbandhouder en/of lijm en/of spijkers);

feit 2:

zij, in of omstreeks de periode van 20 juni 2002 tot en met 27 juni 2002, te Badhoevedorp, althans in het arrondissement Haarlem, en/of (elders) in Nederland, als afzender, opzettelijk een zending gevaarlijke stoffen, te weten 42, althans een of meer doos/dozen met in totaal (ongeveer) 900 kilogram, althans een hoeveelheid (professioneel) vuurwerk/ontplofbare stoffen, bestaande uit (onder meer):

- een of meer kleureffectbom(men), en/of

- een of meer cilinderbom(men), en/of

- een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), en/of

- een of meer (zogenaamde) mijn(en), en/of

- een of meer cakebox(en), en/of

- een of meer kaars(en), en/of

- een of meer fontein(en), en/of

- een of meer gerb(s), en/of

- een of meer flame projector(s), en/of

- een of meer (zogenaamde) Waterfall Stick(s)

en/of diversen, zijnde:

- een of meer elektrische ontsteker(s), en/of

- een of meer kaars(en),

ten verfvoer (over land in een vervoermiddel) heeft aangeboden, terwijl die zending niet voldeed aan de voorschriften van het ADR, aangezien:

I) zij, verdachte, in strijd met het bepaalde in referentie 1.4.2.1.1 van het ADR onder a zich niet ervan heeft vergewist, dat voren omschreven gevaarlijke goederen overeenkomstig het ADR waren ingedeeld en/of ten vervoer waren toegelaten, en/of

II) zij, verdachte, in strijd met het bepaalde in referentie 1.4.2.1.1 onder c van het ADR niet heeft zorg gedragen dat een of meer verpakkingen, waarin voren omschreven gevaarlijke stoffen/goederen zich bevonden, van de in het ADR voorgeschreven kenmerken waren/was voorzien en

III) zij, verdachte, niet de voorschriften voor de wijze van verzending en/of de beperking van verzending, in acht heeft genomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van de economische politierechter te Haarlem d.d. 24 september 2004 is de tenlastelegging op vordering van het openbaar ministerie gewijzigd, in die zin dat in het onder 1 en 2 tenlastegelegde feit het woord ‘opzettelijk’ is toegevoegd. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de meervoudige economische kamer te Haarlem - ambsthalve - met voorbijgaan aan deze wijziging, die de rechtbank blijkens het vonnis kennelijk in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde heeft geacht, het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verjaring van het tenlastegelegde zoals dat luidde voordat de wijziging werd toegelaten.

Nog daargelaten dat het de rechtbank niet vrijstond zich een oordeel aan te meten over een reeds eerder toegelaten wijziging van de tenlastelegging was, gelet op hetgeen de Hoge Raad bij arrest van 24 april 2007 heeft bepaald de vordering tot wijziging van de tenlastelegging door de politierechter terecht toegestaan. De tenlastegelegde feiten waren dan ook ten tijde van de berechting in eerste aanleg niet aan te merken als zijnde verjaard. Het hof acht het openbaar ministerie mitsdien ontvankelijk in de vervolging.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de behandeling van de strafzaak dermate lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de onderhavige zaak is overschreden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop in deze zaak - 9 jaar - tot gevolg dient te hebben dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging wordt verklaard nu het openbaar ministerie geen gegronde reden heeft kunnen geven voor deze vertraging.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden, zonder dat dit door de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde of de ingewikkeldheid van de zaak gerechtvaardigd wordt. Naar vaste rechtspraak leidt overschrijding van de redelijke termijn, evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in een geval als het onderhavige. Het verweer wordt derhalve verworpen. Het hof zal met de termijnoverschrijding rekening houden bij een eventuele strafoplegging.