Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6314

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
09/00736 en 09/00737
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vereiste aangifte is niet (tijdig) gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende heeft inkomsten uit twee oogsten uit de hennepkwekerij genoten. De aanslag berust op een redelijke schatting. Ambtshalve vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn geeft - anders dan de rechtbank heeft overwogen - geen aanleiding voor vergoeding van (proces)kosten en griffierecht. Verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de hoger beroepsfase niet onredelijk lang heeft geduurd. Beide partijen hebben hoger beroep ingediend en hierdoor zijn beduidend meer proceshandelingen verricht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/504
V-N 2012/23.25.2
FutD 2012-0537
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 09/00736 en 09/00737

9 februari 2012

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

en het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/5617 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 17 oktober 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.553. Tegelijk met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking een verzuimboete van € 113 opgelegd.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 2 juli 2008, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.900 en de verzuimboete gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 24 september 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar bevestigd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966, de Staat der Nederlanden aangewezen dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 november 2009, aangevuld bij brief van 22 december 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 november 2009, aangevuld bij brief van 27 november 2009. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Van de inspecteur is bij brief van 5 juli 2010 een reactie op het verweerschrift van belanghebbende ontvangen, waarop belanghebbende heeft gereageerd bij schrijven ingekomen bij het Hof op 2 augustus 2010.

1.6. Op 23 november 2011 is een nader stuk ontvangen van de inspecteur, waarvan een afschrift is verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld, waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Naar aanleiding van twee anonieme meldingen op 28 mei 2004 en 29 juli 2004 aan de politie district Utrecht-Noord en een anonieme melding in oktober 2004 aan de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van de politie Utrecht, hebben de politie Utrecht en Eneco een onderzoek ingesteld naar het gebruik van de bij de woning van eiser aan de [A-straat 1] te [Z] behorende schuur. Op 23 december 2004 is in de schuur een hennepkwekerij met 166 hennepplanten aangetroffen.

2.2. De dienst Maatschappelijke ontwikkeling, Sociale zaken en werkgelegenheid van de gemeente [Z] heeft van eiser bij brief van 1 juni 2005 een bedrag van € 11.146,40 bijstandsuitkering teruggevorderd wegens het genieten van inkomsten uit de kweek van hennepplanten gedurende de periode van 1 mei 2004 tot en met 23 december 2004.

2.3. Bij vonnis van de politierechter rechtbank Utrecht van 8 november 2005 is eiser veroordeeld voor - kort gezegd - het aanwezig hebben van hennepplanten en voor diefstal van energie, beide in de periode van 27 mei 2004 tot en met 23 december 2004. Van het in genoemde periode telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen of afleveren van hennep(planten) is eiser bij dat vonnis vrijgesproken.

2.4. Op of omstreeks 20 april 2006 heeft verweerder aan eiser een aangiftebiljet ib/pvv voor het jaar 2004 uitgereikt. Eiser diende dit biljet in te leveren vóór 1 juni 2006. Door eiser is hierop niet gereageerd.

2.5. Bij brief van 30 oktober 2006 heeft verweerder eiser aangemaand tot het doen van aangifte binnen tien werkdagen na dagtekening van de brief. Ook op deze brief is door eiser niet gereageerd.

2.6. Bij brief van 4 september 2007 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de aanslag wordt berekend op basis van een schatting van het belastbaar inkomen uit werk en woning op

€ 23.553, bestaande uit inkomsten uit vroegere arbeid (bijstandsuitkering van de gemeente [Z]) van € 8.653 en resultaat uit overige werkzaamheden (inkomsten uit de hennepkwekerij) van € 14.900. Tevens heeft verweerder medegedeeld dat hij een verzuimboete zal opleggen wegens het niet doen van aangifte.

2.7. Met dagtekening 17 oktober 2007 heeft verweerder aan eiser een ambtshalve aanslag ib/pvv 2004 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 23.553. Tevens heeft hij eiser bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd van € 113 wegens het niet (binnen de gestelde termijn) doen van aangifte.

2.8. Op 25 juni 2008 heeft eiser te zamen met zijn partner [B] een aangiftebiljet ib/pvv 2004 ingediend. Eiser heeft daarbij - kort gezegd - aangifte gedaan van de bijstandsuitkering.

2.9. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder alsnog een kostenaftrek op het resultaat uit overige werkzaamheden van € 6.653 in aanmerking genomen. Dientengevolge heeft hij het resultaat uit overige werkzaamheden verlaagd tot € 8.247 en de aanslag ib/pvv 2004 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.900. De beschikking verzuimboete heeft hij gehandhaafd.”

2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

2.3. Het Hof stelt verder de volgende feiten vast:

2.3.1. In een “aangifte” van diefstal van energie van Eneco Energie Services B.V. (verder Eneco), zijnde het bedrijf dat de elektriciteit leverde die in de in overweging 2.1 van de uitspraak van de rechtbank aangeduide schuur werd verbruikt, staat:

“Aanwijzingen eerdere oogsten

Hieronder volgt een opsomming van aanwijzingen waaruit blijkt dat er sprake is van eerdere oogsten en welke door mij gedurende de ontmanteling van de kwekerij zijn waargenomen.

De volgende zaken werden verder door mij opgemerkt:

Aanwijzingen eerdere oogsten Ja Nee Nvt Mate

Periode van bovengemiddeld hoog stroomverbruik X

Schimmelvorming op de vloer onder de planten X S

Planten (toppen) die te drogen hangen X

Restanten van hennepplanten X

Lege (gebruikte) stekbakken X

Aantreffen van plantenresten op onlogische plaatsen X

Vervuild(e) koolstoffilter(s) X ZS

Oude vervuilde koolstoffilters aangetroffen ** X

Lege Jerrycans van groeimiddelen X S

Kalkafzetting in plantenbakken X S

Kalkafzetting in irrigatiesysteem X

Kalkafzetting in waterton X M

Kalkafzetting op waterpomp(en) X

Uitgekristalliseerde plantenbakken X

Stof op de lampen X S

Gebruik van signaleringsvellen / vangstrips ongedierte X

Eén of meerdere ruimtes recentelijk opnieuw ingericht X

Gebruikte assimilatielampen aanwezig ** X

X

* Voor wat betreft de kolom “mate” wordt hier in aangegeven (indien van toepassing) in welke mate een bepaalde aanwijzing gedurende de ontmanteling door mij is waargenomen. Ik maak hierbij onderscheid tussen licht (L), matig (M), sterk (S) en zeer sterk (Z).

** Zowel koolstoffilters als assimilatielampen gaan circa 1 jaar mee, waarna zij vervangen dienen te worden.”

2.3.2. In een “Proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel” van 6 april 2005 van de politie Utrecht staat:

“5. Van belang zijnde onderdelen wederrechtelijk verkregen voordeel

Om het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen, zijn een aantal onderdelen van belang, te weten:

1. groeicyclus en aantal oogsten

2. aantal planten per oogst

3. opbrengst per plant in grammen

4. verkoopprijs per gram hennep

5. afschrijvingsperiode en -kosten van de kweekinstallatie

6. inkoopprijs per stekje

7. aarde, bestrijdings- en voedingsmiddelen

8. energiekosten

9. huurkosten (indien van toepassing)

5.1. Groeicyclus en aantal oogsten

Uit ingesteld onderzoek is vastgesteld dat er eerder hennep is geoogst. Dit blijkt onder andere uit:

? Politiële informatiebronnen (anonieme meldingen.)

? Sterk vervuilde koolstoffilters

? Schimmelvorming onder plantenbakken

? Sterk vervuilde koolstoffilters

? Gebruik groeimiddelen (lege jerrycans)

? Kalkafzetting in plantenbakken en/of vloeistofvaten”

2.3.3. In een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 september 2006, inzake een geschil tussen Eneco en belanghebbendes partner (aangeduid als [B]), zijnde degene aan wie de energie is geleverd die in voornoemde schuur werd verbruikt, staat:

“4.7. Ten aanzien van de stelling dat de door Eneco gehanteerde uitgangspunten bij het bepalen van het aantal kweken niet betrouwbaar zijn, heeft Eneco gewezen op de deskundigheid van haar medewerker [C], die sinds 1 maart 2002 fulltime voor Eneco bezig is met het vaststellen van de mate van diefstal van elektriciteit bij de ontmanteling van hennepkwekerijen. In december 2004 had [C] in zijn functie van assistent fraude coördinator minimaal 450 kwekerijen gezien. Op grond van de volgende aanwijzingen zijn er volgens Eneco eerder oogsten geweest: een sterke mate van schimmelvorming op de vloer onder de planten, zeer sterk vervuilde koolstoffilters, meerdere lege jerrycans van groeimiddelen, veel stof op de lampen, sterke kalkafzetting in bakken en matige kalkafzetting in de waterton.

4.8. [B] heeft gesteld dat zij de benodigde spullen voor het kweken van de hennep tweedehands heeft aangeschaft en dat dit het stof, de vervuiling van de filters en de kalkafzetting verklaart. Voorts heeft [B] gewezen op de mogelijkheid dat de kalkafzetting in de waterton en op de plantenbakken is veroorzaakt door ondeskundig gebruik van groeimiddelen en dat de stofafzetting is beïnvloed doordat op aarde en niet op kokoswol is gekweekt. [B] heeft evenwel niet aangegeven hoe en in welke mate deze twee factoren in het concrete geval van invloed zijn geweest op de aangetroffen hoeveelheid stof en kalk. Daarbij komt dat Eneco gemotiveerd heeft aangegeven dat [C] veel ervaring heeft op het gebied van het ontmantelen van hennepplantages. [C] heeft in reactie op hetgeen [B] heeft gesteld ter gelegenheid van de comparitie benadrukt dat er volgens hem minimaal twee eerdere oogsten moeten zijn geweest, gezien de mate van vervuiling en de overige omstandigheden. Op grond van het bovenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de lampen, de waterton en de filters niet alleen zijn gebruikt voor het kweken van de bij [B] aangetroffen 166 hennepplanten, maar ook al bij eerdere kweken zijn gebruikt. De benodigdheden zijn in de schuur, behorende bij de woning van [B] aangetroffen. Dit doet vermoeden dat de spullen daadwerkelijk daar zijn gebruikt. Het lag dan ook op de weg van [B] – die stelt dat zij de spullen tweedehands heeft gekocht en dat de vervuiling dus gedeeltelijk elders heeft plaatsgevonden – om concreet aan te geven, onderbouwd met controleerbare feiten en omstandigheden, waar de vervuiling van de benodigdheden dan wel plaats zou hebben gevonden. Dit heeft zij nagelaten. Bij deze stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat de bij [B] aangetroffen lampen, filters, waterton en plantenbakken door [B] bij meerdere kweken zijn gebruikt. De rechtbank ziet geen grond [B] tot bewijs van het tegendeel toe te laten. Hetgeen [B] heeft gesteld over de hoeveelheid jerrycans en de schimmelvorming maakt dit niet anders en kan dan ook verder buiten beschouwing blijven. De rechtbank zal voor het berekenen van de hoeveelheid illegaal afgetapte elektriciteit uitgaan van twee eerdere oogsten.

4.9. Aangezien het niet mogelijk is het verbruik precies te berekenen, zal de rechtbank de mate van illegale energieafname schatten. Ten aanzien van de hoeveelheid elektriciteit die door Eneco in rekening is gebracht, zal de rechtbank per onderdeel aangeven of zij [B] dan wel Eneco (in grote lijnen) volgt. Partijen zijn het erover eens dat de groeicyclus van hennepplanten minimaal 70 dagen bedraagt. [B] is in haar berekening uitgegaan van een groeiperiode van de aangetroffen planten van 60 dagen, waarschijnlijk gelet op het feit dat de planten nog niet geoogst waren, maar wel bijna oogstrijp waren. Eneco heeft dit niet specifiek betwist, zodat de rechtbank bij de aangetroffen planten ook zal uitgaan van 60 dagen elektriciteitsverbruik. Ten aanzien van de twee oogsten zal de rechtbank bij de berekening 2 x 70 dagen hanteren.

De lampen

Onweersproken waren 24 lampen van (inclusief voorschakelapparatuur) 630 Watt in de garage aanwezig. Eneco is ervan uitgegaan dat de lampen gemiddeld 12 uur per dag aan stonden. Volgens [B] worden bij het kweken van hennep de eerste dagen minder lampen aangezet aangezien de plantjes anders zouden verbranden, en wordt het aantal lampen geleidelijk opgebouwd. De eerste tien dagen van de kweek branden de lampen gemiddeld langer, namelijk 18 uur per dag. Dit is door Eneco niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de berekening van [B] op dit punt. Tijdens de 60 dagen dat de aangetroffen planten hebben gegroeid, is derhalve 7.832,1 kWh verbruikt en tijdens de eerdere kweken (140 dagen) 18.274,9 kWh. Het totaal komt daarmee op 26.107,0 kWh.

De waterpompen

Bij [B] zijn twee waterpompen aangetroffen. De grootste werd gebruikt om de planten één of meermalen per dag te voorzien van water, de kleine pomp werd voor circulatie in de waterton gebruikt. Eneco is er vanuit gegaan dat de grote waterpomp die bij [B] is aangetroffen 24 uur per dag aanstond. Uitgaande van de capaciteit van deze waterpomp, heeft [B] becijferd dat er in de lezing van Eneco per dag 388.800 liter water zou worden verplaatst. Dit acht de rechtbank niet waarschijnlijk. De rechtbank zal [B] volgen in haar berekening en uitgaan van de door [B] berekende hoeveelheid van 59,3 kWh (voor de kleine en de grote pomp) gedurende 60 dagen plus 138,4 kWh in de eerste 140 dagen, is 197,7 kWh.

De luchtfilters en tafelventilatoren

Eneco is er in haar berekening van uitgegaan dat de twee luchtfilters en de twee tafelventilatoren gedurende de hele kweek continu op vol vermogen hebben aangestaan. [B] heeft niet betwist dat de tafelventilatoren steeds hebben aangestaan. De tafelventilatoren hebben bij de ontdekte kweek 288 kWh verbruikt en in de andere 140 dagen 672 kWh. Dit is in totaal 960 kWh. [B] stelt dat de luchtfilters niet steeds op vol vermogen hebben gedraaid. Doorgaans draaiden ze op een kwart vermogen. Pas bij een hogere temperatuur en bijbehorende stankoverlast, met name in de tweede helft van de kweek, draaiden de luchtfilters vaker op vol vermogen. Volgens [B] resulteert dit in 5 uur op vol vermogen en 19 uur op een kwart vermogen. Eneco heeft dit weersproken door uitdrukkelijk te wijzen op het belang van bestrijding van stankoverlast om zo de kans op ontdekking te verkleinen. De rechtbank zal bij de berekening als uitgangspunt nemen dat de luchtfilters de helft van de tijd op vol vermogen hebben gedraaid en de helft van de tijd op een half vermogen. Voor de ontdekte planten betekent dit dat de rechtbank uitgaat van 1.080 kWh (12 uur vol vermogen) plus 540 kWh (12 uur half vermogen). Ten aanzien van de twee eerdere oogsten brengt dit 2.520 kWh plus 1.260 kWh mee. In totaal komt de rechtbank op 5.400 kWh. De luchtfilters en tafelventilatoren hebben gezamenlijk 6.360 kWh verbruikt.

De kachels

Volgens Eneco hebben de twee aanwezige kachels zes uur per dag op vol vermogen aangestaan. Het was belangrijk om de temperatuur in de schuur constant te houden en een gedeelte van de kweek was in de winter. [B] heeft gemotiveerd betwist dat de kachels zes uur per dag op vol vermogen aanstonden. [B] stelt dat de kachels waren voorzien van een thermostaat en dus alleen aansloegen wanneer de temperatuur onder een bepaald punt zakte. Ook dan brandden de kachels niet steeds op vol vermogen, zeker niet wanneer de lampen aan waren, aangezien de lampen veel warmte afgaven. Dit is door Eneco niet specifiek weersproken. Gelet hierop, en op het feit dat de eerste twee kweken in de maanden mei tot en met oktober zullen hebben plaatsgevonden, dus niet in de winter, zal de rechtbank [B] volgen bij het berekenen van de hoeveelheid energie die de twee kachels hebben verbruikt. De rechtbank komt dan op 1.080 kWh gedurende de laatste kweek en op 2.520 kWh voor de eerste twee kweken. In totaal is dat 3.600 kWh.

4.10. Wanneer de hiervoor genoemde aantallen worden opgeteld, komt de rechtbank tot de slotsom dat [B] (afgerond) 36.265 kWh illegaal heeft afgenomen van Eneco. Uitgaande van de door partijen in hun berekeningen gehanteerde kWh prijs, komt dit neer op een schadebedrag van EUR 4.678,32. Het meerdere dat door Eneco in rekening is gebracht, te weten (EUR 7.451,00 – EUR 4.678,32 =) EUR 2.772,68, zal Eneco aan [B] moeten terugbetalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2004.”

3. Geschil in hoger beroep

Beide procespartijen zijn in hoger beroep gekomen.

3.1. Betreffende het hoger beroep van belanghebbende is in geschil of de aanslag IB/PVV terecht is opgelegd. Dit geschilpunt spitst zich onder meer toe op:

1. Is de uitspraak van de rechtbank - inhoudende dat belanghebbende inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten terwijl hij vrijgesproken is van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen of afleveren van hennep(planten) - in strijd met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)?

2. Heeft de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat belanghebbende inkomsten uit twee oogsten uit de hennepkwekerij heeft genoten?

Daarnaast is in geschil of belanghebbende terecht een immateriële schadevergoeding claimt.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag en veroordeling van de inspecteur in zijn proceskosten betreffende de procedure bij de rechtbank en bij het Hof.

3.2. Betreffende het hoger beroep van de inspecteur is in geschil:

1. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden, nu sinds de aanvang van die termijn en de uitspraak van de rechtbank slechts twee jaren en twintig dagen waren verstreken?

2. Heeft de rechtbank de inspecteur terecht in belanghebbendes proceskosten veroordeeld?

4. Beoordeling van het geschil voor zover het betreft het hoger beroep van belanghebbende

4.1. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)).

4.2. Niet in geschil is dat belanghebbende op of omstreeks 20 april 2006 is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2004 vóór 1 juni 2006. Evenmin in geschil is dat belanghebbende bij brief van 30 oktober 2006 is aangemaand tot het doen van aangifte binnen tien werkdagen na dagtekening van die brief.

4.3. Met betrekking tot vraag of belanghebbende tijdig aangifte heeft gedaan heeft de rechtbank overwogen:

“4.4. Eiser voert aan dat hij op 10 april 2006, tezamen met zijn toenmalige partner, een aangifteformulier ib/pvv 2004 heeft ingediend. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt. Verder is die stelling in strijd met zijn verklaring tijdens de hoorzitting van 7 mei 2008, inhoudende dat hij geen aangifte heeft gedaan omdat er geen inkomen uit de hennepteelt is geweest en hij daarom vond dat hij geen aangifte hoefde te doen. Verweerder heeft verder gesteld, en de rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen, dat het programma Easytax, dat het elektronische berichtenverkeer tussen de Belastingdienst en belastingplichtigen regelt, geen ontvangst van een op 10 april 2006 ingezonden aangifteformulier van eiser heeft geregistreerd.

De stelling van eiser dat zijn toenmalige partner [B] op 10 april 2006 een aangifteformulier ib/pvv 2004 heeft ingediend en zijn inkomsten hierop zijn vermeld, zodat hiermee mede door hem aangifte is gedaan, volgt de rechtbank niet, reeds nu op dit aangifteformulier niet de persoonsgegevens van eiser als zijnde de partner van [B], zijn vermeld.

4.5. Niet in geschil is dat eiser wel op 25 juni 2008 een aangifteformulier ib/pvv 2004 heeft ingediend. Die aangifte is buiten de onder 4.2 vermelde termijn gedaan.

4.6. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan. (…)”

Voor zover belanghebbende het onder 4.6 gegeven oordeel van de rechtbank betwist is het Hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden een juist oordeel gegeven heeft.

4.4. Voor dit geding moet er derhalve van worden uitgegaan dat belanghebbende pas nadat de omstreden aanslag is vastgesteld een aangifteformulier heeft ingediend zodat hij hoewel daartoe uitgenodigd en aangemaand, niet heeft voldaan aan zijn verplichting aangifte te doen en de vereiste aangifte dan ook niet is gedaan.

4.5.1. Ook indien sprake is van toepassing van artikel 27e van de AWR mag een aanslag niet naar willekeur worden vastgesteld, maar moet hij berusten op een redelijke schatting. Voor wat betreft de schatting van de inkomsten in 2004 is het volgende van belang.

4.5.2. Vaststaat dat 23 december 2004 in de bij belanghebbendes woning behorende schuur een hennepkwekerij met 166 hennepplanten is aangetroffen. De inspecteur is er bij de schatting van de inkomsten uit de kwekerij van uitgegaan dat belanghebbende met de kwekerij niet later is begonnen dan op 28 mei 2004, zijnde de eerste datum waarop een anonieme melding bij de politie binnenkwam dat er zich in de eerdergenoemde schuur een hennepplantage bevond.

4.5.3. De inspecteur is er bij de schatting van de inkomsten uit de kwekerij voorts vanuit gegaan dat er in 2004 twee oogsten zijn geweest. Hij baseerde zich hierbij op:

- een “Proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel” van 6 april 2005 van de politie Utrecht (zie onder 2.3.2);

- een “aangifte” van diefstal van energie van Eneco (zie onder 2.3.1), zijnde het bedrijf dat de elektriciteit leverde die in voornoemde schuur werd verbruikt.

4.5.4. Uitgaande van twee oogsten in 2004 heeft de inspecteur de inkomsten uit de hennepkwekerij vervolgens vastgesteld op € 8.247. Dit bedrag is gebaseerd op:

- het eerdergenoemde proces-verbaal, waarin een aantal nadere uitgangspunten betreffende (1) het aantal planten per oogst, (2) de opbrengst per plant en (3) bepaalde - in onderstaande tabel beschreven - productiekosten per oogst geformuleerd staan;

- energiekosten zoals die blijken uit een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 september 2006, inzake een geschil tussen Eneco en belanghebbendes partner, zijnde degene aan wie de energie is geleverd die in voornoemde schuur werd verbruikt.

4.5.5. Een en ander resulteerde in de volgende berekening van de inspecteur:

Bruto opbrengst twee oogsten à € 7.450 € 14.900

Af: kosten

- Afschrijving € 450

- Aarde, bestrijdingsmiddelen e.d. € 528

- Inkoop stekjes € 996

- Energiekosten € 4.679

Totaal kosten € 6.653

Netto inkomsten uit hennepteelt € 8.247

4.5.6. Belanghebbende heeft hiertegen aangevoerd - zo begrijpt het Hof de gemachtigde - dat niet aannemelijk is dat belanghebbende twee maal geoogst heeft in 2004, dat de motivering van de rechtbank op dit punt niet ‘gedegen’ is en dat belanghebbendes bewijsmiddelen ‘duidelijk’ maken dat er nooit geoogst is.

4.5.7. Het Hof stelt voorop dat het bij het beoordelen van de vraag of de schatting van de inspecteur redelijk is, slechts toetst of de inspecteur bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot de onderhavige schatting, zoals hierboven is beschreven, heeft kunnen komen. Naar het oordeel van het Hof mag deze afweging ertoe leiden dat de inspecteur de aanslag aan de hoge kant vaststelt. Daar staat tegenover dat van een inspecteur verwacht mag worden dat hij voor de stappen die tot de schatting hebben geleid een niet onredelijke onderbouwing geeft.

4.5.8. Met betrekking tot de datum waarop belanghebbende de hennepkwekerij is gestart en het aantal malen in 2004 dat hij hennep heeft geoogst, acht het Hof met name het volgende van belang. De eerste anonieme tip (zie de uitspraak van de rechtbank onder 2.1) wijst op een startdatum welke niet later ligt dan 28 mei 2004. Voorts duidt de eerdergenoemde aangifte van Eneco op meerdere oogsten in 2004, nu in deze aangifte gemotiveerd staat vermeld dat en waarom de in de schuur aangetroffen lampen, waterton en filters niet alleen zijn gebruikt voor het kweken van de in de schuur aangetroffen 166 hennepplanten, maar ook bij eerdere kweken zijn gebruikt. Tot slot volgt uit eerdergenoemd rapport van 6 april 2005 van de politie Utrecht dat belanghebbende in 2004 twee maal geoogst heeft. Immers in dit rapport wordt op basis van openbare bronnen en/of jurisprudentie uitgegaan van een groeicyclus van de hennepplanten van maximaal 10 weken. Belanghebbende heeft deze uitgangspunten niet, althans onvoldoende betwist.

Het een en ander houdt in dat het standpunt van de inspecteur dat de groeicyclus 10 weken is en dat de kwekerij op 28 mei 2004 is gestart, zodat belanghebbende in 2004 twee maal heeft geoogst, niet onredelijk is.

4.5.9. De inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof voorts niet onredelijk gehandeld door de schatting van de verzwegen inkomsten uit de hennepkwekerij vervolgens ook cijfermatig op voornoemd proces-verbaal van de politie Utrecht, en - voor wat betreft de energiekosten - op de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 september 2006 te baseren. Van geen van de uitgangspunten in het proces-verbaal (zie onder 4.5.4) kan immers worden gezegd dat de inspecteur ze bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet als basis voor zijn berekening had mogen gebruiken. Hetzelfde heeft te gelden voor de uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarin de met de kweek van de twee oogsten verbandhoudende energiekosten niet onredelijk hoog op € 4.679 worden gesteld.

4.5.10. Belanghebbendes betwisting van de juistheid van de - in voornoemde aangifte van diefstal van energie opgenomen - bevindingen van de energieleverancier zijn, nu deze met geen enkel bewijsstuk worden ondersteund - van onvoldoende gewicht. Mogelijk ziet belanghebbende bij zijn stellingname over het hoofd dat niet vereist is dat de inspecteur (de hoogte van) de inkomsten uit de hennepkwekerij bewijst, in de zin dat hij ze aannemelijk moet maken. Voldoende is dat - nu in dezen de bewijssanctie van artikel 27e van de AWR van toepassing is - de inspecteur bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot zijn schatting heeft kunnen komen.

4.5.11. Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende in de tegen hem aangespannen strafzaak is vrijgesproken van telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen of afleveren van hennep(planten). Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de belastingrechter zelfstandig de feiten vaststelt en vrij is in de (keuze en) waardering van de bewijsmiddelen. Het oordeel van de strafrechter dat een bepaald feit niet bewezen is, bindt de belastingrechter niet.

Om dezelfde reden is ook van geen belang dat de strafrechter - naar belanghebbende stelt - een ontnemingsvordering heeft afgewezen.

4.6. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan verklaart de rechter, zoals onder 4.1 overwogen, het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (artikel 27e van de AWR).

4.7. Belanghebbende heeft geen expliciet verweer voor het geval het Hof tot het oordeel zou komen dat de inspecteur de aanslag terecht met toepassing van artikel 27e van de AWR en op basis van een redelijke schatting heeft vastgesteld. In ieder geval heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft ingebracht niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.8. Belanghebbende voert in hoger beroep tevens aan dat de uitspraak van de rechtbank en/of de aanslag is strijd is met de onschuldpresumptie uit artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

De beslissing omtrent de door belanghebbende verschuldigde (enkelvoudige) belasting is niet aan te merken als een vervolging als bedoeld in evenvermeld artikel uit het EVRM. Belanghebbendes grief getuigt reeds hierom van een onjuiste rechtsopvatting.

4.9. Dat de aanslag in strijd is met een of meer van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft belanghebbende wel gesteld, maar geenszins onderbouwd. Om die reden verwerpt het Hof deze stelling.

4.10. De slotsom is dat belanghebbendes grieven tegen de aanslag falen. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

4.11. Het Hof zal belanghebbendes - in zijn verweerschrift naar aanleiding van het beroepschrift in hoger beroep van de inspecteur ingediende - verzoek om een immateriële schadevergoeding toe te kennen onder 6 behandelen.

5. Beoordeling van het geschil voor zover het betreft het hoger beroep van de inspecteur

5.1. De inspecteur stelt zich met betrekking tot de verzuimboete op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.

Tevens meent hij dat - gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn (met slechts 20 dagen) - de rechtbank ten onrechte belanghebbendes beroep gegrond heeft verklaard en dat hij derhalve ten onrechte in de proceskosten van belanghebbende is veroordeeld.

5.2. Belanghebbende meent daarentegen dat de redelijke termijn wel overschreden is en dat om die reden de boete gematigd dient te worden.

Tevens meent hij dat de rechtbank de inspecteur terecht in zijn proceskosten heeft veroordeeld. Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) houdt zijns inziens in dat de rechtbank in principe verplicht is de inspecteur in die proceskosten te veroordelen en er is in casu geen reden om daarvan af te wijken.

5.3. Omtrent de verzuimboete en de proceskostenveroordeling heeft de rechtbank overwogen:

“4.11. Verweerder heeft aan eiser een verzuimboete van € 113 opgelegd wegens het niet tijdig doen van de vereiste aangifte. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de AWR wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. In het derde lid is bepaald dat de inspecteur de belastingplichtige daarna kan aanmanen binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen. Indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn (van aanmaning) heeft gedaan, vormt dit ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 1.134 kan opleggen.

4.12. Nu niet in geschil is dat eiser, na daartoe te zijn uitgenodigd en vervolgens te zijn aangemaand, niet tijdig de aangifte ib/pvv 2004 heeft ingediend, moet worden geconcludeerd dat de boete terecht is opgelegd. Gelet op de omstandigheid dat eiser voor de eerste maal in verzuim is tijdig aangifte te doen en dat de aanslag naar een positief bedrag is opgelegd, oordeelt de rechtbank dat een boete van € 113 passend en geboden is.

4.13. In het arrest van 22 april 2005, nr. 37.984, BNB 2005/337 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een boetezaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete. De termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is aangevangen met de kennisgeving op grond van artikel 67k van de AWR van 4 september 2007. De totale termijn beloopt derhalve meer dan twee jaar. De redelijke termijn is hierdoor overschreden. Gelet op de hoogte van de boete, kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden (Hoge Raad 19 december 2008, nr. 42.763, NTFR 2008/2495).

4.14. Gelet op de constatering dat de redelijke termijn is overschreden zal het beroep gegrond verklaard worden. (…)

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.”

5.4. Omdat aannemelijk is dat belanghebbende - ook na daartoe te zijn gemaand - niet tijdig aangifte heeft gedaan van zijn inkomen over 2004 (zie onder 4.3 en 4.4) is het Hof met de rechtbank van oordeel dat de boete terecht is opgelegd. Ook het oordeel van de rechtbank dat de redelijke termijn is overschreden en dat met die constatering kan worden volstaan, acht het Hof - inclusief de daaraan ten grondslagliggende overwegingen - juist.

5.5. Nu de rechtbank de door belanghebbende in beroep aangevoerde grieven ongegrond achtte en enkel ambtshalve constateerde dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het beroep, had de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond dienen te verklaren en had zij de inspecteur niet in belanghebbendes proceskosten mogen veroordelen en de inspecteur ook niet mogen gelasten het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden (vgl. HR 16 september 2011, nr. 10/03571, LJN PB8053). Het Hof zal alsnog doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

5.6. De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen.

6. Het verzoek een immateriële schadevergoeding toe te kennen

6.1. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn verzocht. Hij meent dat hij “onnodig lang belast [is] met een voor hem zeer stressrijke procedure” en claimt een schadevergoeding van € 1.500.

6.2. In zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/2639, LJN BO5046 heeft de Hoge Raad overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel er toe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. Aangezien, aldus de Hoge Raad, dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel. In het arrest wordt voorts overwogen dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de heffingsambtenaar tot vergoeding van die schade worden veroordeeld. De in aanmerking te nemen termijn - zo oordeelde de Hoge Raad - begint bij belastinggeschillen in beginsel te lopen op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.

6.3. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur binnengekomen op 19 oktober 2007. De uitspraak van de rechtbank is op 24 september 2009 zowel gedaan als aan belanghebbende toegezonden. Derhalve is tot en met de uitspraak van de rechtbank geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in rechtsoverweging 6.2.

6.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 november 2009. Tot aan de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan, zijn er derhalve twee jaren en ruim drie maanden verstreken. Aldus is er in beginsel sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase.

6.5. De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is - blijkens Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37.984, BNB 2005/337, LJN AO9006 - afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

“a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede verknochtheid van het beboetbare feit met andere belastbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n);

b. de invloed van de beboete en/of diens raadsman/gemachtigde op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen;

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.”

6.6. Met betrekking tot de onderhavige zaak acht het Hof met name van belang dat beide partijen hoger beroep hebben ingesteld. Hierdoor zijn er door partijen beduidend meer proceshandelingen verricht dan in geval slechts één van de procespartijen in hoger beroep gaat. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende er vanuit het verkrijgen van rechtszekerheid omtrent zijn rechtspositie belang bij dat zijn hoger beroep tegelijk met dat van de inspecteur werd behandeld en werd zijn rechtspositie derhalve hierdoor - afgezien van zijn mogelijke recht op het verkrijgen van een immateriële schadevergoeding - niet verzwakt.

Voornoemde omstandigheden brengen het Hof tot het oordeel dat de hoger beroepsfase weliswaar lang maar niet onredelijk lang heeft geduurd, zodat geen recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

7. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 9 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.