Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6313

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
11/00400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Taxatiekosten: Aan toekenning van een vergoeding van taxatiekosten in de bezwaarfase staat niet in de weg dat die kosten (geheel of gedeeltelijk) voor rekening van een gemachtige komen indien het bezwaar ongegrond is of de door de heffingsambtenaar of de (belasting)rechter toegekende kostenvergoeding lager is. Het aantal uren van 3,5 dat gemoeid is met het opstellen van het taxatierapport en het uurtarief van € 78,50 (excl. omzetbelasting) acht het Hof redelijk. Wegingsfactor: In de fase van het geding waarin partijen nog twisten over de juistheid van de voor de woning vastgestelde waarde is het gewicht van de onderhavige zaak 'gemiddeld'. Ziet het geschil slechts op de omvang van de (proces)kostenvergoeding dan is het gewicht van de onderhavige zaak 'licht'.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/533
Belastingblad 2012/254 met annotatie van W.G. van den Ban
V-N 2012/23.25.11
FutD 2012-0549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 11/00400

9 februari 2012

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/4709 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 januari 2010 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak bekend als [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2009 voor het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 vastgesteld op € 1.007.000 (hierna: de WOZ-beschikking).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 23 augustus 2010, de WOZ-waarde van de woning verminderd tot € 870.000 en de kosten voor de bezwaarfase vergoed tot een bedrag van € 380,44.

1.3. Bij uitspraak van 22 maart 2011, verzonden op 28 maart 2011, heeft de rechtbank het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 10 mei 2011 en aangevuld bij brief van 6 juni 2011.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Het Hof vindt aanleiding om de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1. Belanghebbende is in bezwaar, beroep en hoger beroep vertegenwoordigd door [Y] (hierna: de gemachtigde).

2.2. In de bezwaarfase is [Makelaardij BV] opdracht gegeven de woning te taxeren en een taxatierapport op te stellen. In het op 23 februari 2010 gedagtekende taxatierapport van [Makelaardij BV] wordt geconcludeerd tot een waarde in het economische verkeer van de woning per 1 januari 2009 van € 870.000.

2.3. [Makelaardij BV] heeft de gemachtigde ter zake van het verrichten van de taxatie en het opstellen van het taxatierapport € 275 exclusief omzetbelasting (€ 327,25 inclusief omzetbelasting) in rekening gebracht. Dit bedrag is door de gemachtigde verschuldigd ongeacht de uitkomst van de procedure inzake de WOZ-beschikking in bezwaar en/of bij de belastingrechter.

2.4. In het bezwaarschrift wordt verzocht de vastgestelde waarde van de woning te verminderen tot € 870.000. Voorts vermeldt het bezwaarschrift:

“In verband met de kosten van het bezwaarschrift, verzoeken wij u aan onze cliënt een proceskostenvergoeding van één punt toe te kennen ingevolge art 7 15 Awb jo Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast verzoeken wij u de kosten van het deskundigenrapport te vergoeden conform lid 2 van art 7 15 Awb. Deze kosten bedragen € 327,25 (incl. BTW).”

2.5. De gemachtigde heeft belanghebbende een op 22 juli 2010 gedagtekende factuur gezonden tot een bedrag van € 458,19 exclusief omzetbelasting (€ 545,25 inclusief omzetbelasting). De factuur bevat de volgende omschrijving:

“Juridische werkzaamheden WOZ-bezwaarschrift […] 183,19

Kosten deskundigenrapport taxatie [A-straat 1] 275,00”

(de laatst vermelde kosten worden hierna ook als “de taxatiekosten” aangeduid).

De factuur vermeldt voorts: “Betaling dient te geschieden na ontvangst van de proceskostenvergoeding van de gemeente.”

2.6. In een brief d.d. 27 juli 2010 aan de heffingsambtenaar schrijft de gemachtigde dat de taxateur 3,5 uur heeft besteed aan het deskundigenrapport. In de motivering van het hoger beroep schrijft de gemachtigde:

“De taxateur heeft:

- Het dossier moeten doornemen;

- Contact gezocht met belanghebbende;

- Vergelijkingsobjecten moeten zoeken;

- Het taxatierapport moeten opstellen.

De taxateur is drie en een half uur bezig geweest met dit dossier.”

en:

“De taxatienota is opgebouwd uit 3,5 uren maal € 78,50 (afgerond € 275 excl. btw).”

2.7. In de uitspraak op bezwaar d.d. 23 augustus 2010 wordt geconcludeerd dat de woning op een te hoog niveau is gewaardeerd en wordt de vastgestelde waarde verminderd tot € 870.000. Voorts wordt een kostenvergoeding toegekend van € 380,44, welk bedrag als volgt is gespecificeerd:

“rechtskundige bijstand 1 punt x € 218 x wegingsfactor 1 = € 218.

taxatietechnische kosten 4 uur a € 40,61 (p/uur) € 162,44”

Het bedrag van € 380,44 is inmiddels door de heffingsambtenaar aan belanghebbende overgemaakt en door deze doorbetaald aan zijn gemachtigde.

2.8. In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar het standpunt ingenomen:

“dat de proceskosten in bezwaarfase naar huidig inzicht (...) als volgt hadden moeten worden berekend:

Rechtskundige bijstand: 1 punt x € 218,= x wegingsfactor 1 (...) = € 218,=.

Taxatietechnische kosten: 2 uur a € 50,= inclusief BTW = € 100,= (...).

Totale kostenvergoeding bezwaarfase: € 318,=.”

2.9. Indien de - door de heffingsambtenaar of de rechter toegekende - vergoeding voor de kosten en proceskosten lager is dan het op de onder 2.5 gemelde factuur in rekening gebrachte bedrag ontvangt belanghebbende voor het verschil een creditfactuur.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Uitsluitend belanghebbende is in hoger beroep gekomen. De heffingsambtenaar heeft evenmin incidenteel hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep is in geschil of en zo ja tot welk bedrag belanghebbende recht heeft op vergoeding voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

3.2. Belanghebbende verdedigt naar het Hof verstaat een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar van € 545,25; zijnde € 327,25 aan taxatiekosten en € 218 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.3. De heffingsambtenaar neemt - deels voor het eerst in hoger beroep - het standpunt in dat, naar het Hof begrijpt, geen grond bestaat voor het toekennen van een vergoeding voor taxatie- en rechtsbijstandskosten omdat de kosten niet op belanghebbende drukken.

Indien de kosten wel op belanghebbende drukken neemt de heffingsambtenaar - conform de opvatting van de rechtbank - het standpunt in dat de vergoeding voor de taxatiekosten berekend moet worden op € 100 (2 uren x € 50).

Voorts betoogt de heffingsambtenaar - in afwijking van zijn in zijn uitspraak op bezwaar ingenomen standpunt - dat bij de (eventuele) bepaling van een aan belanghebbende toe te kennen kostenvergoeding dient te worden uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Wettelijk kader voor zover hier van belang

4.1. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):

“De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (...).”

4.2. Artikel 7:15, vierde lid, van de Awb:

“Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.”

4.3. Artikel 1, aanhef en onderdelen a en b, Besluit proceskosten bestuursrecht:

“Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.”

4.4. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, Besluit proceskosten bestuursrecht:

“Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

b. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b: op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verschuldigd indien de kosten zijn gemaakt in bezwaar of administratief beroep wordt deze vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken;”

4.5. Artikel 1, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken:

“Op de voet van het bij en krachtens deze wet bepaalde worden vergoedingen toegekend voor werkzaamheden, (…).”

4.6. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet tarieven in strafzaken:

“Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur de tarieven vast voor vergoedingen voor:

a. werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste (...) lid.”

4.7. Artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003:

“Voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, geldt, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur (...).”

4.8. Artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003:

“De bedragen, genoemd in dit besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd.”

De kosten in de bezwaarfase

‘No cure no pay’

4.9. De gemachtigde verricht de werkzaamheden voor belanghebbende op basis van ‘no cure no pay’, hetgeen inhoudt dat belanghebbende voor die werkzaamheden verschuldigd is het bedrag dat uiteindelijk wordt vergoed aan kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en aan proceskosten in verband met de procedure voor de belastingrechter.

In zijn arrest van 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN BT6841, heeft de Hoge Raad overwogen:

“dat - zoals het Hof terecht heeft overwogen - aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van "no cure no pay".”

Ter zitting heeft de gemachtigde onbetwist verklaard dat de taxatiekosten aan hem in rekening zijn gebracht en dat hij de desbetreffende factuur ongeacht de uitkomst van de onderhavige procedure moet voldoen.

Het Hof ziet geen aanleiding ten aanzien van de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht doch die (geheel of gedeeltelijk) voor rekening van een gemachtigde komen indien het bewaar ongegrond is of de door de heffingsambtenaar of de rechter toegekende kostenvergoeding lager is, anders te oordelen dan de Hoge Raad in bovenstaand arrest gedaan heeft met betrekking tot de rechtsbijstandskosten.

4.10. De heffingsambtenaar heeft niet betoogd dat zich in dezen niet een geval voordoet waarin het bestreden besluit (de WOZ-beschikking) is herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid. Evenmin is aangevoerd dat de bijstand door de gemachtigde niet kwalificeert als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht of dat het door [Makelaardij BV] uitgebrachte taxatierapport geen verslag vormt als bedoeld in onderdeel b van dat Besluit proceskosten bestuursrecht.

Het Hof ziet geen grond ten aanzien van een van deze punten anders te oordelen.

De kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase

4.11. Belanghebbendes gemachtigde heeft in bezwaar één voor het toekennen van de kostenvergoeding relevante handeling verricht: het schrijven en indienen van een bezwaarschrift. Het is niet gesteld dat het redelijkerwijs niet nodig was een bezwaarschrift in te dienen of daartoe gebruik te maken van beroepsmatig verleende bijstand.

Blijkens het van het verhandelde ter zitting van de rechtbank opgemaakte proces-verbaal heeft de heffingsambtenaar daar wel de vraag opgeroepen “of het redelijk is om een kantoor in het zuiden van het land als gemachtigde te vragen”. Voor de forfaitair bepaalde kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt echter uitsluitend aangesloten bij het aantal en de aard van de verrichte (proces)handelingen. De vestigingsplaats van de gemachtigde (Zevenbergen) is voor de omvang van de vergoeding van deze kosten derhalve niet van belang.

4.12. Het Hof acht geen termen aanwezig het gewicht van de zaak tot de uitspraak op bezwaar, derhalve in de fase van het geding waarin partijen nog twisten over de juistheid van de voor de woning vastgestelde waarde, anders te kwalificeren dan als ‘gemiddeld’. Aard, belang, ingewikkeldheid en omvang van de zaak alsmede de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden geven noch op zichzelf, noch in onderling verband beschouwd, aanleiding tot een ander oordeel ook niet in het licht van de omstandigheid dat het bezwaar voornamelijk gebaseerd is op het taxatierapport van de ingeschakelde deskundige.

4.13. De kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase bepaalt het Hof - conform de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank - derhalve op 1 punt (bezwaarschrift) x € 218 (bedrag per punt) x 1 (gewicht van de zaak) = € 218.

De kosten van het taxatierapport

4.14. De heffingsambtenaar heeft niet betoogd dat het redelijkerwijs niet nodig was een taxatierapport op te laten maken. Voorts is niet betwist dat voor het taxatierapport een bedrag van € 275 exclusief omzetbelasting in rekening is gebracht. De heffingsambtenaar heeft weliswaar aangevoerd “dat het aantal uren veelal op maximaal 2 gesteld kan worden in zaken als de onderhavige” (verweerschrift in hoger beroep), maar heeft niet concreet betwist dat - gelijk van de zijde van belanghebbende wordt gesteld - in het onderhavige geval 3,5 uur is besteed aan het taxatierapport. Voor het geval in het betoog van de heffingsambtenaar wel moet worden gelezen dat hij het aantal uren betwist, overweegt het Hof dat het geen reden ziet te twijfelen aan belanghebbendes bewering dat hiermee 3,5 uur gemoeid is geweest zoals gespecificeerd in de motivering van het hoger beroep (weergegeven onder 2.6). Het Hof acht een tijdsbesteding van 3,5 uur voor het opstellen van een taxatierapport als het onderhavige ook niet onredelijk.

4.15. Voor zover de heffingsambtenaar met zijn opmerking ter zitting van de rechtbank “of het redelijk is om een kantoor in het zuiden van het land als gemachtigde te vragen” (ook) doelt op de kosten van de taxateur overweegt het Hof dat het een belanghebbende op zichzelf vrijstaat gebruik te maken van de diensten van een niet in of nabij de plaats van het te taxeren object gevestigde deskundige. Indien dit ertoe zou leiden dat de kosten van de deskundige daardoor (onredelijk) hoog oplopen kan dit aanleiding geven de toe te kennen vergoeding te matigen door een deel van de in rekening gebrachte uren niet te vergoeden. Hiertoe bestaat echter in het onderhavige geval waar 3,5 uur in rekening is gebracht en waar niet gesteld is en ook overigens niet op voorhand aannemelijk is dat (bijvoorbeeld) een in Amsterdam gevestigde deskundige een geringer bedrag in rekening zou hebben gebracht, geen reden.

Het Hof merkt overigens nog op dat het - anders dan de rechtbank - geen reden ziet reistijd die een taxateur heeft moeten maken in beginsel buiten aanmerking te laten bij het bepalen van het aantal uren waarvoor een vergoeding kan worden toegekend.

4.16. Het Hof ziet geen reden een uurtarief van € 78,50 (exclusief omzetbelasting) zoals in dezen in rekening is gebracht niet redelijk te achten. Nu dit uurtarief het in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken opgenomen maximum niet overtreft ziet het Hof voorts geen goede reden een lager bedrag per uur toe te kennen. In het bijzonder de zinsnede in bedoeld artikel 6 “naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn” dwingt daartoe niet. Nu voorts de aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt, dient - gelet op artikel 15 van het hiervoor gemelde Besluit - ook de in rekening gebrachte omzetbelasting te worden vergoed.

4.17. De te vergoeden kosten van het deskundigenverslag (taxatierapport) belopen derhalve € 327,25.

Conclusie

4.18. Belanghebbende maakt terecht aanspraak op vergoeding van € 545,25 aan kosten in verband met de behandeling van het bezwaar (€ 218 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 327,25 aan kosten van een deskundigenverslag).

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal het Hof € 545,25 aan kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toekennen.

5. Proceskosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb in zowel het hoger beroep als het beroep.

De heffingsambtenaar betoogt dat bij de eventuele bepaling van een aan belanghebbende toe te kennen kostenvergoeding voor de behandeling van de zaak in de beroeps- en hoger beroepsfase dient te worden uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25.

Aangezien in de procedure voor de belastingrechter de juistheid van de WOZ-beschikking niet meer aan de orde is en het geschil uitsluitend ziet op de omvang van de door de heffingsambtenaar voor rechtsbijstand en voor het deskundigenverslag toegekende kostenvergoeding en de hoogte van de proceskostenveroordeling in beroep en hoger beroep (voor zover het betreft de wegingsfactor), acht het Hof de zwaarte van de zaak minder dan ‘gemiddeld’ en kent het Hof aan de zaak in beroep en hoger beroep de factor ‘licht’ toe met een wegingsfactor van 0,5.

De proceskosten stelt het Hof derhalve op 4 (punten voor beroepschrift, zitting rechtbank, hoger beroepschrift, zitting Hof) x € 437 (bedrag per punt) x 0,5 (wegingsfactor) = € 874.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover het de beslissing omtrent de kostenvergoeding voor de bezwaarfase betreft;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 545,25;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 874;

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 112 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 143 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. F.J.P.M. Haas, voorzitter, P.F. Goes en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 9 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.