Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6177

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
23-002676-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling kinderen en ex-echtgenote. Verklaringen van aangevers worden niet voor bewijs gebezigd omdat zij, gelet op de mogelijkheid van 'collaborative storytelling', niet als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Verankering van de aangiftes in overige bewijsmiddelen ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2012, afl. 3, p. 142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002676-09

datum uitspraak: 16 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 8 mei 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15/700188-08 tegen

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 april 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 april 2011, 5 januari 2012 en 2 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart 1997 tot en met 1 december 2004 te Overveen, gemeente Bloemendaal, en/of in (een) andere plaats(en) in Nederland en/of Frankrijk

- (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [aangever 1],

- (meermalen) met (een tot vuist gebalde) hand(en) en/of met de vlakke hand op en/of tegen het hoofd en/of de benen en/of het lichaam van die [aangever 1] heeft geslagen en/of gestompt (terwijl verdachte die [aangever 1] opgetild had) en/of

- (meermalen) tegen het lichaam van die [aangever 1] heeft getrapt en/of geschopt en/of,

- die [aangever 1] hardhandig van de trap af heeft getrokken en/of (met dan wel zonder kleren) onder de koude douche heeft gezet,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden

en/of

- (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [aangever 2],

- (meermalen) met (een tot vuist gebalde) hand(en) en/of met de vlakke hand op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever 2] heeft geslagen en/of gestompt (terwijl verdachte die [aangever 2] opgetild had) en/of

- (meermalen) tegen de buik en/of het/de be(e)n(en), althans tegen het lichaam, van die [aangever 2] heeft getrapt en/of geschopt en/of -(meermalen) heeft geknepen en/of

- bij/in de keel heeft vast/beetgepakt en/of geknepen (waardoor die [aangever 2] de adem werd ontnomen) en/of,

- die [aangever 2] de trap op werd geslagen/gesleurd en/of (met dan wel zonder kleren) onder de koude douche werd gezet,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

- (telkens) opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [aangever 3],

- bij haar keel heeft beet-/vastgepakt en/of

- meermalen met (een tot vuist gebalde) hand en/of met de vlakke hand op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,

- (meermalen) (tegen een muur en/of een keukenkast) heeft geduwd,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof, mede gelet op het verhandelde in hoger beroep en de in hoger beroep ingebrachte stukken, tot een andere beslissing komt ten aanzien van het ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

In haar vonnis van 8 mei 2009 heeft de rechtbank het openbaar ministerie gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het ten laste gelegde feit, voor zover dat betrekking heeft op de periode vóór 7 maart 2002.

In hoger beroep heeft de advocaat generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep bevestigd zal worden. Het hof volgt de advocaat-generaal met betrekking tot de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid en zal het openbaar ministerie - aangezien de verjaring (eerst) is gestuit met de vordering inbewaringstelling op 7 maart 2008 - voor zover het de periode voorafgaand aan 7 maart 2002 betreft dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het ten laste gelegde feit.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Vrijspraak

Op 9 januari 2008 heeft de dochter van de verdachte, [aangever 2] (voorheen: [naam]), aangifte gedaan ter zake van incest, verkrachting en mishandeling gepleegd door haar vader in de periode van juni 1987 tot oktober 2007. In navolging hiervan heeft op 16 januari 2008 haar broer, [aangever 1] (voorheen: [naam]), aangifte gedaan ter zake van mishandeling gepleegd in de periode van april 1989 tot de zomer van 2004. Ten slotte heeft ook [aangever 3] op 24 januari 2008 aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd in de periode tussen juni 1987 en december 2004.

In de zaak van [aangever 2] is, voor zover het incest en verkrachting betreft, geen strafvervolging ingesteld door de officier van justitie te Alkmaar. Het hiertegen ingestelde beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering is bij beschikking van 23 april 2012 door de beklagkamer van dit gerechtshof afgewezen.

Hoewel deze beschuldiging thans niet meer ter beoordeling aan het hof voorligt, is zij, omdat de aangifte van [aangever 2] zowel op de incest en verkrachting als op de mishandelingen ziet, evenwel zo nauw met het ten laste gelegde verweven, dat de aangifte van [aangever 2] van de mishandelingen, op het punt van de betrouwbaarheid daarvan, niet los kan worden gezien van haar aangifte van verkrachting en incest.

De vraag die door het hof dient te worden beantwoord is of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde mishandelingen, voor zover thans nog aan de orde. Die vraag beantwoordt het hof in het licht van het navolgende ontkennend.

In voornoemde beklagprocedure is bij tussenbeschikking van 13 oktober 2009 het dossier voorgelegd aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (hierna: LEBZ). De LEBZ heeft voor haar rapport van 7 januari 2010 de zaak in zijn totaliteit bekeken en beoordeeld, zodat de inhoud daarvan betrekking heeft op zowel de aangiften van incest en verkrachting als van mishandeling. Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2012 heeft één van de leden van de LEBZ, drs. C. Brandt , als deskundige het voornoemde rapport toegelicht. Voor de beoordeling van onderhavige zaak acht het hof de volgende punten uit het rapport van de LEBZ, zoals toegelicht door de deskundige, van belang.

Het LEBZ was van oordeel dat het opsporingsonderzoek naar zowel de vermeende mishandelingen als naar het seksuele misbruik onvoldoende is geweest. Alle aangevers zijn, voorafgaand aan de aangiften, in behandeling geweest bij de alternatieve therapeute [betrokkene 1]. Gedurende deze alternatieve therapie is ook sprake geweest van gezamenlijke sessies met aangevers en van zogenoemde familieanalyses. Onder meer hierdoor is volgens de LEBZ het vermoeden gerechtvaardigd dat mogelijk sprake is van ‘collaborative story telling’.

Het hof is van oordeel dat de gezamenlijke therapie de verklaringen van de aangevers niet op voorhand onbetrouwbaar maakt, maar dat de omstandigheid dat hiervan sprake is geweest het wel noodzakelijk maakt de afgelegde verklaringen extra kritisch op hun betrouwbaarheid en verankering in eventuele andere bewijsmiddelen te beoordelen. Het hof heeft hiertoe ter terechtzitting in hoger beroep van 5 januari 2012 alle aangevers als getuige gehoord, evenals de jongste broer van [aangever 2] en [aangever 1], [getuige 1] (voorheen [naam]), die geen aangifte heeft gedaan en niet eerder gehoord was. Bij die gelegenheid hebben deze getuigen verklaringen afgelegd die deels niet geheel overeenkomen, dan wel in strijd zijn met hun eerdere verklaringen en op belangrijke punten geen steun vinden in de verklaringen van hetzij de andere aangevers, hetzij van buiten de aangevers en [getuige 1], staande getuigen.

Dit overwegende en mede in aanmerking genomen de emotionele complexiteit van het nog immer voortslepende familiedrama, is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangevers als onvoldoende betrouwbaar zijn aan te merken om elk voor zich of in onderling verband bezien mee te kunnen werken aan het bewijs van het ten laste gelegde, ook mede gelet op de periode waar het nu nog om gaat.

Daarnaast is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende ander objectief bewijs bevat waarin de aangiftes verankering vinden. Gezien de verklaringen die aangevers hebben afgelegd over de aard, frequentie en hevigheid van het fysieke geweld, ligt het in de rede dat anderen iets van het geweld of de lichamelijke sporen daarvan hadden moeten merken. Niet alle getuigen, buiten de kring van aangevers, zijn door de politie gehoord, terwijl dit wel in de rede had gelegen. De getuigen die wel zijn gehoord, verklaren niets over mishandeling of waargenomen letsel, laat staan in de thans nog voorliggende periode. Met name is opvallend dat [getuige 1] (ter zitting van het hof van 5 januari 2012) heeft verklaard dat hij nooit heeft gezien dat zijn moeder, broer of zus werden mishandeld en dat [aangever 3] ter zitting als getuige geen overtuigend antwoord kon geven op de vraag van het hof waarom zij in haar brief aan verdachte van december 2003 en overige correspondentie vóór de aangifte niet rept over enige mishandeling door verdachte.

Het hof sluit zich verder aan bij de conclusie van de deskundige Brandt (ter zitting van het hof van 2 februari 2012) “dat nader onderzoek thans geen zin meer heeft, omdat het onmogelijk is geworden nu nog de waarheid boven tafel te krijgen”.

Nu er geen onafhankelijke getuigen zijn die de aangiften ondersteunen, noch ander materiaal voorhanden is waarin de aangiften kunnen worden verankerd, is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is voor de ten laste gelegde feiten. De verdachte dient om die reden te worden vrijgesproken. Om die reden komt het hof niet toe aan een beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de raadsman van de verdachte tot het doen horen van een tweetal getuigen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de tenlastegelegde feiten, voor zover die betrekking hebben op de periode van 8 maart 1996 tot 7 maart 2002.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

Verklaart de benadeelde partij, [aangever 3], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Verklaart de benadeelde partij, [aangever 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Verklaart de benadeelde partij, [aangever 2], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. R. Cozijnsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2012.