Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6095

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
16-02-2012
Zaaknummer
200.072.216-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 februari 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

ARREST

in de zaak van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. I.W. van Osch, te Alphen aan den Rijn,

t e g e n

1. […],

gevestigd te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam,

2. […],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J. Bouter, te Amsterdam.

De partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk [R], [G] en [M].

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 4 augustus 2010 is [R] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 6 juni 2007, 12 maart 2008, 1 april 2009 en 2 juni 2010 van de rechtbank Amsterdam, onder zaak-/rolnummer 360911 / HA ZA 07-171 gewezen tussen [M] als eiser, [G] en [M] als gedaagden.

Bij memorie heeft [R] veertien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, zijn eis gewijzigd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en – gelet op de appeldagvaarding: voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – [G] zal veroordelen tot betaling van de in eerste aanleg gevorderde bedragen, althans om op de pensioenuitkeringen aan [M] een bedrag van € 285.374,- (met rente) in mindering te brengen en aan [R] zijn volledige ouderdomspensioen uit te keren, met veroordeling van [G] in de proceskosten.

Bij memorie heeft [G] geantwoord en harerzijds in voorwaardelijk incidenteel appel één grief tegen het vonnis van 12 maart 2008 aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [R] in de proceskosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

[M] heeft eveneens bij memorie geantwoord en zij heeft in voorwaardelijk incidenteel appel drie grieven tegen de vonnissen van 12 maart 2008 en 2 juni 2010 aangevoerd. [M] heeft producties in het geding gebracht en geconcludeerd – kort weergegeven - dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [R] in de proceskosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens heeft [R] bij memorie in het incidenteel appel geantwoord, producties in het geding gebracht, en geconcludeerd dat het hof het incidenteel appel van zowel [G] als [M] zal verwerpen, met veroordeling van deze partijen in de proceskosten van het incidenteel appel. Voorts heeft [R] zijn eis wederom gewijzigd.

Daarna heeft [G] een akte genomen en [M] een akte met een productie. [R] heeft bij antwoordakte gereageerd.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. Ontvankelijkheid / wijziging van eis

2.1 [R] heeft geen grieven aangevoerd tegen het vonnis van 6 juni 2007. Hij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen dat vonnis.

2.2 [R] kan in hoger beroep zijn eis in beginsel slechts wijzigen bij memorie van grieven. Voor een uitzondering op deze regel bestaat hier geen aanleiding. De eiswijziging in de memorie van antwoord in het incidenteel appel is dan ook te laat en niet toelaatbaar.

3. De feiten

De rechtbank heeft in het vonnis van 12 maart 2008 onder 3.1 tot en met 3.12 een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. De beoordeling in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende:

(i) [R] en [M] zijn in 1960 in België in het huwelijk getreden. Bij vonnis van 14 november 2000 heeft de rechtbank in eerste aanleg te Brussel de echtscheiding uitgesproken. Deze echtscheidingsbeslissing is op 14 februari 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorafgaand aan de echtscheiding hebben partijen reeds vele jaren gescheiden van elkaar gewoond.

(ii) [R] heeft een pensioenaanspraak ter hoogte van € 68.258,53 per jaar opgebouwd bij [G]. Daarvan is een bedrag van € 67.974,12 per jaar opgebouwd tijdens het huwelijk met [M]. [R] heeft met ingang van 1 april 2000 recht op een ouderdomspensioen.

(iii) [M] heeft op 31 januari 2003 door middel van een formulier “Mededeling van scheiding in verband met verdeling ouderdomspensioen” verzocht het tijdens het huwelijk door [R] bij [G] opgebouwde pensioen te verevenen, zodanig dat zij recht heeft op de helft van dat pensioen. Op 18 februari 2003 heeft [G] aan [M] laten weten aan dat verzoek te zullen voldoen. Ook [R] is hiervan op de hoogte gesteld. [G] heeft vanaf het eerste kwartaal van 2003 aan [M] de helft van het door [R] tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen uitbetaald. [R] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

4.2 [R] vorderde in eerste aanleg betaling van [G] van een bedrag van € 135.948,24, te vermeerderen met een bedrag van € 8.496,78 per kwartaal (naast het bedrag dat hij reeds nu ontvangt) met ingang van 1 januari 2007, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [R] heeft hij het aandeel van [M] in de ouderdomspensioenrechten afkocht, zoals tussen hem en [M] was afgesproken. [M] is daarom niet gerechtigd tot verevening van die pensioenrechten. Hij heeft dit aan [G] laten weten, zodat [G] het verzoek van [M] om verevening had moeten afwijzen.

4.3 [R] voert aan dat de desbetreffende afspraken tussen hem en [M] zijn vastgelegd in de zogenoemde “onderhouds-verbintenis” die zij op 4 december 1990 met elkaar zijn overeengekomen. Deze overeenkomst bepaalt het volgende:

“(...) duurzaam gescheiden levend sinds 04 dec. 1982;

IS PER 04 DEC. 1990 OVEREENGEKOMEN

gelet op de blijvende arbeidsongeschiktheid c.q. invaliditeit van onderhoudsplichtige [[R], hof] sedert 03 feb. 1986.

WAT VOLGT:

1. De onderhoudsgelden verstrekt aan onderhoudsgerechtigde tevens ‘verzorgende’ ouder [[M], hof], worden GEREDUCEERD tot maximaal per jaar 27.102 gulden; zijnde het bedrag dat M. [M] – ook qua pensioen – zou ontvangen volgens de pensioenverzekeraar conform diens schrijven van 08 mei 1990.

(...)

2. Na een feitelijke toestand gedurende (8) jaren zullen ‘passiva en activa’ van het pand (...) te Berg (...) per heden behoren tot het EIGEN VERMOGEN van M. [M], die aanvaardt. (...)

3. Ter COMPENSERING – wegens reductie ad 1) en overname der passiva ad 2) – wordt aan M. [M] een som van 86.856 gulden in (3) maandtermijnen uitbetaald – zijnde een bedrag overeenstemmend met het verschil (na aftrek der niet geamortiseerde rentestandskorting) tussen 50% der per 01 juli jl. totale gekapitaliseerde pensioenwaarden enerzijds en de gekapitaliseerde waarde van het weduwepensioen anderzijds – som waarvoor M. [R] met deze kwijting wordt verleend.

(...)

4.4 [G] en [M] hebben de vordering van [R] weersproken.

4.5 In navolging van de rechtbank stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wet VP) krijgt de ene echtgenoot in geval van echtscheiding jegens de rechtspersoon die tot uitbetaling van een ouderdomspensioen aan de andere echtgenoot is gehouden een recht op uitbetaling van een deel van elke pensioentermijn. Het recht op pensioenverevening strekt zich uit over de pensioenaanspraken voorzover die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd. De toepasselijkheid van de Wet VP is onafhankelijk van het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van echtgenoten. De wet VP is van toepassing op echtscheidingen van ná 1 mei 1995.

4.6 Tussen partijen staat vast dat op de pensioenaanspraak van [R] jegens [G] de Wet VP toepasselijk is. In beginsel heeft [M] derhalve recht op op pensioenverevening. [M] dient binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding aan [G] mededeling te doen van haar recht op verevening (artikel 2 lid 2 Wet VP). Onder het tijdstip van scheiding wordt verstaan: de datum van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1 lid 1 sub b Wet VP). Aan deze voorwaarde heeft [M] voldaan door inzending van het ingevolge de Wet VP voorgeschreven formulier aan [G] op 31 januari 2003; de echtscheidingsbeschikking is immers ingeschreven op 14 februari 2001. De omstandigheid dat – naar [R] stelt – ingevolge het Belgische recht de echtscheiding al op 20 januari 2001 in kracht van gewijsde is gegaan en inschrijving geen vereiste is, maakt dat hier niet anders. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat – naar [R] stelt – naar Belgisch recht de echtscheiding “terugwerkt” tot de dag van de inleidende dagvaarding (i.c. 29 augustus 2000).

4.7 Artikel 2 lid 1 Wet VP bepaalt dat geen recht op verevening bestaat indien de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of “bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding”. Vaststaat dat partijen de toepasselijkheid van de Wet VP niet bij huwelijkse voorwaarden hebben uitgesloten. In geschil is of zij dat hebben gedaan door middel van een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding. [R] stelt dat de onderhoudsverbintenis van 4 december 1990 (al dan niet gelezen in samenhang met een tussen hem en [M] gesloten overeenkomst van 1 augustus 1992) kan worden aangemerkt als een zodanige overeenkomst. [G] en [M] bestrijden dit.

4.8 Hierover overweegt het hof als volgt. [R] en [M] hebben jarenlang feitelijk gescheiden van elkaar geleefd, al verschillen zij van mening over hoe lang dat het geval is geweest. Volgens [R] woonden zij al sinds 1982 niet meer bij elkaar, volgens [M] was dat pas later het geval. Het tijdstip waarop [R] en [M] feitelijk gescheiden zijn gaan leven is in verband met de toepassing van de Wet VP echter niet van belang. Onder scheiding wordt namelijk verstaan: echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing (artikel 1 lid 1 sub a Wet VP). Tussen [R] en [M] is pas 10 jaar nadat zij de onderhoudsverbintenis van 4 december 1990 zijn overeengekomen, de echtscheiding uitgesproken; gedurende die periode is bovendien de pensioenopbouw van [R] bij [G] doorgegaan. De onderhoudsverbintenis kan dan ook niet worden aangemerkt als een “bij een geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding” als bedoeld in de Wet VP, ook niet indien met [R] zou worden aangenomen dat deze overeenkomst wordt bevestigd en gepreciseerd in de overeenkomst van 1 augustus 1992.

4.9 [R] heeft nog aangevoerd dat naar Belgisch recht voor [M] geen recht op pensioenverevening bestaat, in ieder geval niet op het ouderdomspensioen dat [R] na 10 december 1982 (de datum van feitelijke scheiding) heeft opgebouwd; [M] dreigt nu méér te krijgen dan waarop zij naar het (toepasselijke) Belgische huwelijksvermogensrecht aanspraak kan maken. Hij wenst dat het hof hiermee op enigerlei wijze rekening houdt.

4.10 Zoals hiervoor onder 4.5 reeds overwogen, is de toepasselijkheid van de Wet VP onafhankelijk van de vraag welk recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is. De aanspraken die [M] op grond van de Wet VP jegens [G] heeft, worden dus niet beïnvloed door het Belgische huwelijksvermogensrecht. Voorts vormt de vraag in hoeverre [R] als gevolg van de pensioenverevening nog iets van [M] te vorderen heeft, geen onderwerp van de onderhavige procedure.

4.11 Voorts stelt [R] zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [M] op grond van de Wet VP de helft van het ouderdomspensioen van [R] krijgt. Hij verwijst in dat verband wederom naar de tussen partijen gemaakte afspraken en naar hetgeen volgens hem naar Belgisch recht heeft te gelden. Ook deze stelling faalt. Hetgeen [R] in dit verband in de nrs. 17 tot en met 34 van zijn memorie van grieven aanvoert, brengt niet mee dat het onaanvaardbaar is dat het pensioen van [R] wordt verevend op de wijze die is voorzien in de Wet VP.

4.12 De conclusie is dat het hoger beroep van [R] ongegrond is; de grieven behoeven geen afzonderlijke bespreking meer. Ten aanzien van de vermeerdering van eis, die is opgenomen in de memorie van grieven, geldt het volgende. Voorzover de nieuwe eis al begrijpelijk is, komt deze niet voor toewijzing in aanmerking op dezelfde gronden als hiervoor reeds besproken. Het voorwaardelijk incidenteel appel van zowel [G] als van [M] behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking meer.

4.13 De conclusie is dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. [R] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

verklaart [R] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 6 juni 2007;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 12 maart 2008, 1 april 2009 en 2 juni 2010;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [R] in de kosten van het appel en begroot die kosten, voorzover tot op heden aan de zijde van [G] gevallen op € 4.080,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris voor de advocaat, en aan de zijde van [M] op € 1.188,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, C.A. Joustra en A.R. Sturhoofd en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2012 door de rolraadsheer.