Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1375

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
23-000111-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Zestal veroordeelden inzake deelnemen aan criminele organisatie met als doel exploitatie van diverse hennepkwekerijen op verschillende locaties en medeplegen opiumdelicten. Het hof gaat uit van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel en kijkt alvorens het wederrechtelijk verkregen voordeel van de te onderscheiden veroordeelden vast te stellen / te schatten eerst naar hun afzonderlijke betrokkenheid bij de verschillende locaties, in welke periode en welke rol / welk aandeel hij daarbij/-in heeft vervuld. De uitkomsten worden vervolgens in onderling verband en samenhang beschouwd, daar uiteindelijk het totaal van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk moet zijn aan de som van het door elk der veroordeelden wederrechtelijk genoten voordeel. Het hof neemt als uitgangspunt de financiële rapporten en de daarin neergelegde ervaringsregels voor zover de veroordeelden onvoldoende duidelijk en gemotiveerd (met argumenten geschraagd) zich daartegen hebben verweerd. Bij het vaststellen van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met het tijdsverloop (overschrijding). Nu niet aanstonds duidelijk is het ontbreken van draagkracht thans en in de toekomst wordt daarmee geen rekening gehouden evenals met niet nader onderbouwde persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2012/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000111-09

datum uitspraak: 17 januari 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 december 2008 op de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15/035499-04 tegen de veroordeelde

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

1. Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde [veroordeelde] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 246.029,16.

De veroordeelde [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2005 -kort gezegd en voor zover thans van belang - veroordeeld ter zake van:

1. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of verwerken en verkopen van hennep;

2. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid en onder B,

van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Dit vonnis is onherroepelijk.

Voorts heeft de rechtbank Haarlem bij uitspraak van 18 december 2008 de veroordeelde [veroordeelde] de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 50.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het openbaar ministerie en de veroordeelde [veroordeelde] hebben hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

20 november 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 augustus 2011 en 20 december 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

3. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

3.1. Allereerst wordt opgemerkt dat de tegen de veroordeelde [veroordeelde] ingestelde vordering zich - tegen de achtergrond van het feit dat er bij de andere veroordeelden [ten aanzien van wie hierna het een en ander zal worden overwogen] sprake is van verschillende periodes van deelnemen aan de criminele organisatie c.q. medeplegen (van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod) - naar het oordeel van het hof er niet voor leent om tot toepassing van een hoofdelijke veroordeling over te gaan, mede gezien hetgeen overigens in dit arrest nog wordt overwogen. Een en ander (staat) los van de vraag of de in juli 2011 nieuw ingevoerde wettelijke regeling op oudere zaken kan worden toegepast.

3.2. Het hof stelt daarnaast - aangezien de tegen veroordeelde [veroordeelde] ingestelde vordering niet los kan worden gezien van de door het openbaar ministerie tegen de veroordeelden [medeveroordeelde 1], [medeveroordeelde 2], [medeveroordeelde 3], [medeveroordeelde 4], [medeveroordeelde 5] en [medeveroordeelde 6] ingestelde vorderingen - het navolgende voorop.

3.3. De door het openbaar ministerie tegen de veroordeelden ingestelde vorderingen zijn gestoeld op een uitvoerige onderbouwing in de diverse rapporten betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Die rapporten (en derhalve ook het rapport betreffende de omvang wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde [veroordeelde]) zijn enerzijds gebaseerd op concrete feiten (onder andere: aangetroffen kwekerijen, aantallen hennepplanten, voorwerpen ten behoeve van het kweken) en anderzijds - bij gebreke van concrete feiten - gegrond op in (onder meer het BOOM rapport van april 2005) neergelegde ervaringsregels. Dit laatste was noodzakelijk omdat de veroordeelden - onder wie ook de veroordeelde [veroordeelde] - (destijds) niet, dan wel onvoldoende duidelijk en met argumenten geschraagd hebben verklaard over het door hen in concreto verkregen bedrag aan wederrechtelijk voordeel.

3.4. Gelet op de door het openbaar ministerie gepresenteerde gegevens en berekeningen alsmede de door de rechtbank op de berekening van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel toegebrachte correctie, acht het hof voorshands voldoende aannemelijk dat het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 1.110.831,72 bedraagt, te weten het bedrag waarvan de rechtbank is uitgegaan (€ 1.041.374,07) alsmede een hierbij op te tellen bedrag van € 69.457,65 (het ten aanzien van [adres 1] over de periode van 15 januari 2004 tot en met 23 november 2004 berekende wederrechtelijk verkregen voordeel) welk bedrag -naar het oordeel van het hof- ten onrechte niet is opgenomen in de in de rapporten opgenomen totaaltelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en ook niet in de beslissing(en) van de rechtbank.

3.5. De rechtbank heeft - na te hebben vastgesteld dat [medeveroordeelde 1] een leidende rol heeft gehad in de criminele organisatie - vervolgens bij de andere deelnemers, (mede) gezien hun rol, het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar beneden bijgesteld, in die zin dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op de navolgende bedragen heeft geschat:

bij [medeveroordeelde 3] op € 25.000,-- (i.p.v. op € 85.164,12)

bij [veroordeelde] op € 50.000,-- (i.p.v. op €243.634,10)

bij [medeveroordeelde 4] op € 150.000,-- (i.p.v. op €243.634,10)

bij [medeveroordeelde 6] op € 30.000,-- (i.p.v. op € 32.340,80)

bij [medeveroordeelde 5] op € 100.000,-- (i.p.v. op € 107.802,68)

bij [medeveroordeelde 2] op € 40.000,-- (i.p.v. op € 85.164,12).

3.6. De rechtbank heeft daaruit evenwel niet de noodzakelijke consequentie/conclusie getrokken dat de in mindering gebrachte bedragen dan (wel) bij een ander c.q. anderen moeten worden opgeteld. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel wordt immers niet minder, doordat - volgens de rechtbank - voornoemde veroordeelden dit voordeel niet hebben genoten. De advocaat-generaal heeft dit punt terecht naar voren gebracht.

3.7. Voorts is door het openbaar ministerie in appel gesteld dat de veroordeelden in hun ontnemingszaak niet, dan wel nauwelijks een inhoudelijke verklaring over de verdeling van de opbrengsten van de kwekerijen hebben afgelegd, alsmede dat van de veroordeelden mag worden verwacht dat zij duidelijk en gemotiveerd alsmede deugdelijk onderbouwd stukken en/of getuigenverklaringen aangeven hoe de verdeling dan wel precies is geweest. Dit leidt ertoe dat de advocaat-generaal in de zaak tegen de veroordeelde [veroordeelde] concludeert dat het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 243.634,10 en dat – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in appel – een betalingsverplichting wordt opgelegd van € 219.270,69.

3.8. De raadsvrouw van de veroordeelde [veroordeelde] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2011 - zakelijk weergegeven - in dit kader gewezen op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en naar voren gebracht dat - gelet op de inkomsten en uitgaven van de veroordeelde [veroordeelde] en de door haar geciteerde overwegingen van de rechtbank uit de diverse strafvonnissen - de conclusie kan worden getrokken dat hij geen substantiële bedragen heeft verdiend aan zijn deelname aan de criminele organisatie. Hij deelde niet mee in de opbrengsten maar werd slechts voor zijn werkzaamheden betaald.

3.9. Het hof zal - nu voor het antwoord op de vraag op welk bedrag het door ieder van de veroordeelden genoten wederrechtelijk voordeel zal moeten worden geschat tevens van belang is c.q. kan zijn het antwoord op de vraag op welk bedrag het door de anderen genoten wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat - alvorens op het requisitoir en het verweer in de onderhavige zaak in te gaan eerst ten aanzien van de overige veroordeelden die van de ontnemingsbeslissingen in appel zijn gegaan aangeven wat naar het oordeel van het hof hun aandeel/rol is geweest in het geheel, vervolgens ingaan op hetgeen hiervoor onder 3.7 en 3.8 is opgenomen en daarna - nadat nog is ingegaan op de positie van de veroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] - dit alles in een algemeen kader plaatsen.

3.10. Met betrekking tot de veroordeelde [medeveroordeelde 4]

De veroordeelde [medeveroordeelde 4] heeft in de appelprocedure ter terechtzitting van 20 december 2011, voor zover van belang en kort samengevat, verklaard dat hij van januari 2003 tot november 2004 elke week € 750,-- van zijn vader ([medeveroordeelde 1]) heeft ontvangen, dat hij geen bemoeienis heeft gehad met in- en verkoop van de hennep(planten), dat de hennepplanten van zijn vader waren en dat hij zijn vader had beloofd bij ontmanteling van de kwekerij aan [adres 1] de schuld op zich te nemen. Voorts heeft hij verklaard dat hij met zijn zwager had afgesproken dat die vervolgens de schuld op zich zou nemen en dat hij daarvoor een bedrag van € 5.000,-- aan die zwager heeft betaald.

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde [medeveroordeelde 4] - gezien de door het openbaar ministerie aan de vordering ten grondslag gelegde onderbouwing - voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Weliswaar komt de veroordeelde [medeveroordeelde 4] duidelijk in beeld bij de hennepkwekerij aan [adres 1], zijn woonadres, maar overigens lijkt zijn rol van minder betekenis. Zijn naam wordt, in tegenstelling tot de namen van zijn broers [medeveroordeelde 5] en [medeveroordeelde 6], bijvoorbeeld niet genoemd door [getuige 1]. Bovendien lijkt er geen discrepantie te bestaan (of: bestaat er geen discrepantie) tussen de - uit het rapport blijkende - uitgaven en de door [medeveroordeelde 4] genoemde inkomsten van € 750,-- per week, nu ook rekening dient te worden gehouden met het inkomen van zijn vriendin [betrokkene 1], de door hen ontvangen kinderbijslag en de, naar uit de stukken blijkende, relatief lage maandelijkse lasten. Daarnaast zijn er onder de veroordeelde [medeveroordeelde 4] geen waardevolle spullen in beslag genomen. Een en ander brengt mee dat het door de veroordeelde [medeveroordeelde 4] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 74.500,00 (gezien de hiervoor genoemde periode en het genoemde bedrag: 99 weken x € 750,00) en dat ten aanzien van hem geen ponds/ponds gewijze verdeling zal worden toegepast/wordt toegepast. Het door de verdediging genoemde bedrag van € 5.000,00 wordt - bij gebreke van nadere onderbouwing - niet in mindering gebracht.

3.11. Met betrekking tot de veroordeelde [medeveroordeelde 6]

Namens de veroordeelde [medeveroordeelde 6] is gewezen op het feit dat het hof in het verkorte arrest van 12 december 2005 - waarbij het strafvonnis van de rechtbank is vernietigd - niet slechts een beperkte periode bewezen heeft verklaard, te weten van 1 juli 2004 tot en met 23 november 2004, maar ook slechts het oog heeft gehad op twee kwekerijen, een kwekerij te [adres 2] waarvan inmiddels in rechte vaststaat dat daar nog geen opbrengst was geweest en een kwekerij bij zijn woonadres, waar - aldus de raadsman - geen in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Van wederrechtelijk verkregen voordeel is dus geen sprake.

Naar het oordeel van het hof is terecht naar voren gebracht dat ten aanzien van de adressen waar het hof in het arrest van 12 december 2005 op doelde geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit kader wordt overwogen dat het, gezien de in het arrest opgenomen aanduiding “bij zijn woonadres” niet aannemelijk lijkt dat het hof daarmee dacht aan [adres 1]. Voorts ligt - tegen de achtergrond van de processtukken in deze strafzaak - in de in het arrest opgenomen strafmotivering besloten dat de veroordeelde [medeveroordeelde 6] is vrijgesproken voor betrokkenheid bij andere kwekerijen in [plaats]. Een en ander brengt mee dat de tegen [medeveroordeelde 6] ingestelde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen, nu enerzijds van voordeel verkregen uit de feiten waarvoor [medeveroordeelde 6] is veroordeeld geen sprake is en anderzijds

[medeveroordeelde 6] is vrijgesproken met betrekking tot andere kwekerijen, hetgeen meebrengt dat de vordering evenmin op soortgelijke feiten kan worden gegrond. De veroordeelde [medeveroordeelde 6] kan/zal derhalve niet in een ponds/ponds gewijze verdeling worden betrokken/meegenomen.

3.12. Met betrekking tot de veroordeelde [medeveroordeelde 3]

Het hof is van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw dat de veroordeelde [medeveroordeelde 3] geen vergoeding voor werkzaamheden heeft gekregen in het licht van de eisen die daaraan - gelet op hetgeen hiervoor in de algemene inleiding is overwogen – mogen/moeten worden gesteld onvoldoende concreet is. Van de veroordeelde [medeveroordeelde 3] had minst genomen mogen worden verwacht dat hij concreet had aangegeven welke werkzaamheden hij waar heeft verricht, in opdracht van wie hij die werkzaamheden heeft verricht en welke (contante) betalingen hij daarvoor heeft ontvangen. De veroordeelde [medeveroordeelde 3] kan er niet mee volstaan te verwijzen naar zich in het dossier bevindende bankafschriften.

Het hof sluit zich aan bij het - in het onherroepelijk geworden - strafvonnis neergelegde oordeel dat de veroordeelde [medeveroordeelde 3] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de hennepkwekerij gelegen aan het [adres 3] te [plaats]. De rechtbank heeft hierover in haar strafvonnis van 21 maart 2005 overwogen dat hij een belangrijke rol heeft gehad bij het ten behoeve van de organisatie opzetten van de kwekerij. De veroordeelde [medeveroordeelde 3] is onder andere betrokken geweest bij het zoeken naar een geschikt pand en heeft uitvoerende taken verricht om het pand geschikt te maken voor hennepteelt.

Het hof is echter daarnaast van oordeel dat het rapport van 15 december 2005 van de politie Kennemerland, divisie regionale recherche, groep recherche expertise, ten aanzien van de rol van de veroordeelde [medeveroordeelde 3] met betrekking tot de overige kwekerijen onvoldoende aanwijzingen bevat om ten aanzien daarvan voorshands aan te nemen dat de veroordeelde [medeveroordeelde 3] in de opbrengst daarvan daadwerkelijk heeft gedeeld. Een en ander brengt mee dat bij de schatting van het door de veroordeelde [medeveroordeelde 3] verkregen voordeel - bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting op grond waarvan het mogelijk zou zijn geweest concreet invulling te geven aan de (daadwerkelijke) rol van de veroordeelde [medeveroordeelde 3] - ervan zal worden uitgegaan dat de veroordeelde [medeveroordeelde 3] ponds/ponds gewijze heeft gedeeld in de opbrengst van [adres 3]. Elke andere wijze van verdeling zou gestoeld zijn op gissingen. Het had - om dit te voorkomen - op de weg van de veroordeelde [medeveroordeelde 3] gelegen openheid van zaken te geven. Het risico van de door hem gekozen proceshouding komt voor zijn rekening.

3.13. Met betrekking tot de veroordeelde [medeveroordeelde 5]

Ook de veroordeelde [medeveroordeelde 3] heeft in appel ter terechtzitting van 20 december 2011 een verklaring afgelegd. Zijn verklaring houdt – kort samengevat en voor zover van belang – in dat hij werkzaam was in Duitsland, dat zijn vader hem eind 2003 vroeg op [adres 4] te gaan werken, dat dit werk inhield dat hij onder meer weed inpakte, perste, dat hij daar maandelijks € 3.000,-- voor kreeg en dat hij die werkzaamheden voor dit inkomen gedurende een klein jaar heeft verricht.

De raadsman van de veroordeelde [medeveroordeelde 5] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van

20 december 2011- zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - aangevoerd dat:

a. de veroordeelde [medeveroordeelde 5] eind 2003 door zijn vader werd gevraagd naar Nederland te komen om te helpen bij de hennepteelt: [medeveroordeelde 5] moest diverse ondersteunende werkzaamheden gaan verrichten, met name het inpakken van hennep en daarvoor kreeg hij zo’n € 3.000,- per maand, dat heeft hij in totaal een jaar gedaan, zodat hij in totaal zo’n € 36.000,- heeft verdiend;

b. er geen aanwijzingen zijn dat de veroordeelde [medeveroordeelde 5] zich heeft bemoeid met de verkoop van hennep, noch dat hij zou hebben gedeeld in de opbrengsten van de verkoop;

c . indien de verklaring van de veroordeelde [medeveroordeelde 5] niet aannemelijk wordt geacht het hof wordt verzocht de vader van veroordeelde [medeveroordeelde 5] als getuige te horen.

Geoordeeld wordt dat voornoemde verklaring er niet toe leidt dat de veroordeelde [medeveroordeelde 5] de inhoud van het rapport voldoende duidelijk en gemotiveerd heeft betwist. Daartoe wordt het navolgende overwogen. De veroordeelde [medeveroordeelde 5] zou gezien zijn verklaring een netto jaarinkomen hebben genoten van ongeveer € 33.000,- à € 36.000,-. Over het voordien door hem genoten inkomen heeft hij geen informatie verstrekt. Nu uit het rapport betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde van 15 december 2005 opgemaakt door de politie Kennemerland, divisie regionale recherche, groep recherche expertise, blijkt dat de veroordeelde

[medeveroordeelde 5] in verband met de aanschaf van een BMW X5 een (contante) betaling van € 18.000,- heeft verricht en daarnaast onder hem een geldbedrag van € 24.805,- in beslag is genomen, wordt geoordeeld dat de op 20 december 2011 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring ontoereikend is om op basis daarvan hetgeen met betrekking tot de vermogenspositie van de veroordeelde [medeveroordeelde 5] in het voornoemde rapport van 15 december 2005 is opgenomen als voldoende gemotiveerd betwist terzijde te stellen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat gezien de door de Duitse autoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek verstrekte informatie aangenomen kan worden dat de veroordeelde [medeveroordeelde 5] - anders dan door hem verklaard - slechts was ingeschreven in Duitsland, maar daar niet feitelijk verbleef. Dit laatste vindt bevestiging in de door de vriendin van de veroordeelde [medeveroordeelde 5] afgelegde verklaring: zij heeft ruim drie jaar een relatie met de veroordeelde [medeveroordeelde 5] maar zij is nog nooit bij hem in Duitsland geweest, hetgeen zij – daarmee geconfronteerd – toch wel raar vindt. Een en ander brengt mee dat het hof van oordeel is dat met betrekking tot de veroordeelde [medeveroordeelde 5] een ponds/ponds gewijze verdeling op zijn plaats is.

Voor de wijze waarop dat zal gebeuren wordt verwezen naar hetgeen hierna onder 3.16 wordt overwogen.

3.14. Met betrekking tot de veroordeelde [veroordeelde]

Het hof is van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw (waarvoor wordt verwezen naar hetgeen hetgeen hiervoor onder 3.8 is vermeld) dat de veroordeelde [veroordeelde] slechts geld heeft ontvangen voor de door hem verrichte werkzaamheden in het licht van de eisen die daaraan - gelet op hetgeen daarover in de algemene inleiding van deze overweging is opgemerkt - mogen worden gesteld onvoldoende concreet is. Van de veroordeelde [veroordeelde] had minst genomen mogen worden verwacht dat hij concreet had aangegeven welke werkzaamheden hij waar heeft verricht, in opdracht van wie hij die werkzaamheden heeft verricht en welke (contante) betalingen hij daarvoor heeft ontvangen. De veroordeelde [veroordeelde] kan er niet mee volstaan te verwijzen naar zich in het dossier bevindende notities, waaruit volgens hem dient te (of: kan) worden afgeleid dat hij geld kreeg indien hij werkzaamheden voor de opdrachtgevers verrichtte. Overigens wordt in dit verband nog meer in het bijzonder van belang geacht dat uit het rapport van 15 december 2005 naar voren komt dat op 15 januari 2004 en op 23 november 2004 op [adres 5] - het woonadres van de veroordeelde [veroordeelde] en zijn vriendin [betrokkene 2] - een hennepkwekerij is aangetroffen, dat [getuige 1] heeft verklaard in de schuur van [betrokkene 2 (het hof begrijpt: [betrokkene 2], de vriendin van [veroordeelde]) - voor [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 5] - diverse malen henneptoppen te hebben geknipt en dat in het onherroepelijk geworden strafvonnis waarbij [veroordeelde] is veroordeeld is overwogen dat de rechtbank bewezen acht dat hij een belangrijke rol heeft gehad bij het opzetten van met name de kwekerij aan het [adres 3], waar bijna 8.000 hennepplanten zijn aangetroffen. Hij - aldus de rechtbank in haar strafvonnis - voorzag de organisatie van verschillende voor de hennepteelt noodzakelijke spullen en hield overzicht van de noodzakelijke en gedane investeringen. Ook ten aanzien van de veroordeelde [veroordeelde] zal derhalve worden uitgegaan van een ponds/ponds gewijze verdeling. Elke andere wijze van verdeling zou gestoeld zijn op gissingen. Het had - om dit te voorkomen - op de weg van de veroordeelde [veroordeelde] gelegen openheid van zaken te geven. Het risico van de door hem gekozen proceshouding komt voor zijn rekening.

3.15. Met betrekking tot de veroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2]

Nu voor beide veroordeelden geldt dat zij niet in appel zijn gekomen van de door de rechtbank in hun straf- en ontnemingszaken gegeven uitspraken en uit de thans in hoger beroep behandelde ontnemingszaken van de gebroeders [naam] en de gebroeders [naam] niet is gebleken dat aan

[medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] in relatie tot de veroordeelde [veroordeelde] een andere rol dan wel een andere periode van betrokkenheid moet worden toebedeeld dan de rechtbank heeft gedaan zal het hof uitgaan van hetgeen door de rechtbank is vastgesteld. Dit brengt mee dat zowel de veroordeelde [medeveroordeelde 1] als de veroordeelde [medeveroordeelde 2] ten volle in de berekening van de ponds/ponds gewijze verdeling worden betrokken.

3.16. De algemene wijze van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Hetgeen hiervoor met betrekking tot de verschillende veroordeelden is overwogen leidt ertoe dat het hof tot een andere ponds/ponds gewijze verdeling komt dat de rechtbank, aangezien de veroordeelden

[medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 4] niet worden aangemerkt als veroordeelden die hebben meegedeeld in de winst/het wederrechtelijk verkregen voordeel en ten aanzien van de veroordeelde

[medeveroordeelde 3] wordt aangenomen dat hij slechts heeft gedeeld in de winst/het wederrechtelijk verkregen voordeel van [adres 3]. Het vorenstaande leidt ertoe dat de ponds/ponds gewijze verdeling op de hierna geschetste wijze zal plaatsvinden.

Voor het uit [adres 3] wederrechtelijk verkregen voordeel geldt dat dit zal worden toegerekend aan

[medeveroordeelde 1], [medeveroordeelde 5], [medeveroordeelde 2], [veroordeelde] en [medeveroordeelde 3], hetgeen voor ieder van hen uitkomt op een bedrag van € 68.186,13 (€ 340.930,66: 5).

Na deze verdeling resteert het navolgende wederrechtelijk verkregen voordeel:

[adres 5]:

• in de periode tot 15 januari 2004 € 79.454,75

[adres 1]

• in de periode tot 15 januari 2004 € 360.708,30

• in de periode van 15 januari 2004 tot en met 23 november 2004 € 69.457,65

[adres 6]

• in de periode tot 15 januari 2004 € 260.280,36.

Naar uit het onherroepelijk geworden strafvonnis in de zaak tegen [medeveroordeelde 2] blijkt heeft

de veroordeling ter zake van deelname aan de criminele organisatie betrekking op de periode van

1 januari 2004 tot en met 23 november 2004, ten laste was gelegd de periode van 1 september 2003

tot en met 23 november 2004. Ten aanzien van [medeveroordeelde 5] is in het op hem betrekking hebbende strafvonnis, dat onherroepelijk is, bewezenverklaard dat hij vanaf 1 oktober 2003 tot en met

23 november 2003 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, ten laste was gelegd de periode

van 1 juli 2002 tot en met 23 november 2004. Dit betekent/brengt mee dat het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 15 januari 2004 tot en met 23 november 2004, ad € 69.457,65 ([adres 1]) over vier personen ([medeveroordeelde 1], [medeveroordeelde 5], [veroordeelde] en [medeveroordeelde 2]) dient te worden verdeeld. Voor elk van hen komt op een bedrag van € 17.364,41.

Met betrekking tot het dan nog resterende wederrechtelijk verkregen voordeel verworven in de periode vóór 15 januari 2004 wordt het navolgende overwogen. Nu uit de onherroepelijk geworden strafvonnissen in de zaken tegen [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 5] blijkt dat zij gedeeltelijk zijn vrijgesproken van wel ten laste gelegde periodes (bij [medeveroordeelde 2]de periode vóór 1 januari 2004 en bij [veroordeelde 5] vóór 1 oktober 2003) kan over de periode voorafgaand

aan de bewezen verklaarde periode geen wederrechtelijk verkregen voordeel worden berekend.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode vóór 15 januari 2004:

€ 79.454,75 + € 360.708,30 + € 260.280,36 van totaal € 700.443,41 zal worden toegerekend

aan [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde]. Voor elk van hen komt dat op een bedrag van € 350.221,70.

3.17. Berekening van het aan elk van de deelnemers aan de criminele organisatie toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van de hiervoor opgenomen overwegingen is de slotconclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op de navolgende bedragen wordt geschat/berekend/begroot:

voor [medeveroordeelde 1] € 350.221,70 + € 17.364,41 + € 68.186,13 = € 435.772,24

voor [veroordeelde] € 350.221,70 + € 17.364,41 + € 68.186,13 = € 435.772,24

voor [medeveroordeelde 2] € 17.364,41 + € 68.186,13 = € 85.550,54

voor [medeveroordeelde 5] € 17.364,41 + € 68.186,13 = € 85.550,54

voor [medeveroordeelde 3] € 68.186,13

totaal €1.110.831,69

Het feit dat de rechtbank het door [medeveroordeelde 1]. genoten wederrechtelijk verkregen voordeel

op een lager bedrag heeft vastgesteld en deze vaststelling inmiddels onherroepelijk is, maakt niet dat voornoemde berekeningen gecorrigeerd dienen te worden. De omstandigheid dat die zaak niet in appel ter toetsing voorligt staat immers los van de wijze van vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tot slot wordt nog overwogen dat er geen aanleiding bestaat (om) het door de veroordeelde [medeveroordeelde 4] wederrechtelijk genoten voordeel als kosten op voornoemd bedrag in mindering te brengen, aangezien deze kosten - naar [medeveroordeelde 4] verklaarde - zijn betaald door de veroordeelde [medeveroordeelde 1] en het door laatstgenoemde genoten voordeel niet ter toetsing in appel voorligt.

3.18. Het door de veroordeelde [veroordeelde] verkregen wederrechtelijk voordeel

Het hof is - gezien het vorenstaande - van oordeel dat de veroordeelde [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 350.221,70 + € 17.364,41 + € 68.186,13 = - afgerond - € 435.772,00, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij vonnis van 21 maart 2005 is veroordeeld.

4. Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde [veroordeelde] dient in beginsel, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter hoogte van dat voordeel, zijnde € 435.772,-.

Redelijke termijn en draagkracht

Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg op 24 november 2004 - te weten de dag waarop de vordering en machtiging SFO aan [veroordeelde] is betekend - een aanvang heeft genomen.

De rechtbank heeft in de ontnemingszaak uitspraak gedaan op 18 december 2008. Weliswaar is sprake van een termijnoverschrijding, maar nu deze mede verklaarbaar is doordat de onderhavige zaak samenhangt met andere zaken waarin wel nader onderzoek alsmede een schriftelijke voorbereiding wenselijk werd geacht is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

De veroordeelde [veroordeelde] heeft op 19 december 2008 appel ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 18 december 2008. Nu het hof niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel arrest wijst, is er, gelijk de advocaat-generaal in zijn vordering heeft betrokken, sprake van een overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep.

Het hof is gelet op het bovenstaande en mede in aanmerking genomen de omstandigheden die hebben bijgedragen aan de overschrijding van de redelijke termijn van oordeel dat een matiging van tien procent van het te ontnemen bedrag passend is ter compensatie.

De door en namens de veroordeelde [veroordeelde] aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn door de verdediging niet voldoende onderbouwd met stukken, of anderszins aannemelijk gemaakt. Geoordeeld wordt dat onvoldoende aannemelijk is geworden om op voorhand aan te nemen dat de veroordeelde

[veroordeelde] thans en in de toekomst een zodanig geringe draagkracht heeft of zal gaan hebben, dat hiermee reeds bij de onderhavige vaststelling van de betalingsverplichting rekening dient te worden gehouden. Het hof zal de betalingsverplichting daarom vaststellen overeenkomstig het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, met inachtneming van de voornoemde matiging in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Aan de veroordeelde [veroordeelde] dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van -afgerond- € 392.194,-.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 435.772,00 (vierhonderdvijfendertigduizend zevenhonderdtweeënzeventig euro).

Legt de veroordeelde [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 392.194,00 (driehonderdtweeënnegentigduizend honderdvierennegentig euro).

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel en mr. S. Clement, in tegenwoordigheid van mr. R. Cozijnsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 januari 2012.

Mr. Paridaens-van der Stoel is buiten staat dit (verkort) arrest mede te ondertekenen.