Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1282

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
23-003190-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling door parkeercontroleur. Noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003190-09

datum uitspraak: 18 januari 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-412416-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

adres: [adres], [woonplaats] Zuidoost.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 juni 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 februari 2010 en 4 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 juni 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [M.H. ] (met kracht) eenmaal of meermalen met een vuist en/of met een hand in en/of op en/of tegen het gezicht/gelaat, in elk geval op en/of tegen het lichaam van voornoemde [M.H. ] heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [M.H. ] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van letsel aan [M.H. ]. De verdachte heeft, reagerend op de onverhoedse vuistslag van [M.H. ] in zijn gezicht, een afwerende beweging gemaakt, waarbij hij kennelijk [M.H. ] heeft geraakt. Die gedraging ontbeert opzet op het toebrengen van letsel.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof volgt het betoog van de raadsman niet. Uit de stukken in het dossier, in het bijzonder de verklaring [M.O. ], door hem tegenover de politie afgelegd op 12 juni 2008 direct na het voorval, leidt het hof af dat geen sprake was van een afwerende verdediging, zoals door de raadsman gesteld, maar van een gerichte beweging met zijn handvuist naar [M.H. ], die daardoor in het gezicht is geraakt. Daaruit leidt het hof de opzet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 juni 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [M.H. ] met kracht eenmaal met een vuist tegen het gezicht heeft gestompt, waardoor voornoemde [M.H. ] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en zijn handelen voldeed aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Immers, de verdachte heeft zich verdedigd nadat hij door [M.H. ] was uitgescholden, geslagen en aan zijn capuchon was getrokken.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.

Een beroep op noodweer kan slechts slagen in een situatie waarin de verdediging van (in dit geval) zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding noodzakelijk en geboden is. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

In het onderhavige geval is het volgende gebleken.

[M.H. ] was met zijn vrienden in café-koffiehuis Oor aan de Lindengracht en had al enkele alcoholische consumpties genuttigd, toen de verdachte, parkeercontroleur van beroep, en zijn collega langs liepen. Daarop hebben een of meer leden van de groep waarvan [M.H. ] deel uit maakte zich provocerend jegens de parkeercontroleurs uitgelaten en heeft [M.H. ] zich daarbij aangesloten. De verdachte heeft [M.H. ] hierop aangesproken. In de daaropvolgende tussen hun ontstane discussie heeft [M.H. ] de verdachte onverhoeds met een vuist in het gezicht gestompt, waardoor de verdachte een bloedneus en verwondingen aan zijn neusrug en lip heeft opgelopen. Aldus acht het hof het aannemelijk dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door [M.H. ]. Het hof is evenwel van oordeel dat de verdachte daarbij een andere keuze had moeten maken dan hij heeft gedaan. Hij bevond zich op de openbare weg en had de reële mogelijkheid om zich aan de confrontatie te onttrekken, nu niet is gebleken dat [M.H. ] hem had vastgepakt en evenmin dat hij op dat moment nog door [M.H. ] of anderen werd bedreigd of belaagd. Voorts bevond hij zich in het gezelschap van zijn collega [M.O. ], en had in ieder geval [M.O. ] de beschikking over communicatie-apparatuur met een 'noodknop' waarmee assistentie kon worden opgeroepen. [M.O. ] heeft die 'noodknop' ook daadwerkelijk gebruikt. Terugslaan, zoals de verdachte heeft gedaan, acht het hof daarom in dit concrete geval geen redelijke oplossing.

Het beroep op noodweer faalt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft meer subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat indien het hof van oordeel is dat de verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dit een gevolg is van de door [M.H. ] veroorzaakte hevige gemoedstoestand.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.

Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden van het geval acht het hof het aannemelijk geworden dat de verdachte, na de onverhoedse aanval door [M.H. ], in een hevige gemoedsbeweging is geraakt die ertoe heeft geleid dat hij op dat moment de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, in die zin dat hij, hoewel de wederrechtelijke aanranding en derhalve de noodweersituatie was geëindigd, [M.H. ] heeft teruggeslagen. Dat sprake was van een hevige gemoedstoestand leidt het hof af uit de verklaringen van de betrokkenen, te weten [M.H. ] ("de verdachte was door het dolle"), [v.d. D.] ("[verdachte] was helemaal over de rooie") en [M.O. ] ("mijn collega was opgefokt doordat hij was geslagen").

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de disproportionele reactie van de verdachte het gevolg is geweest van een door de aanval van [M.H. ] veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, zodat deze reactie verontschuldigbaar is. Het beroep op noodweerexces slaagt. Het hof zal de verdachte op die grond ontslaan van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. A.E.M. Röttgering en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 januari 2012.

Mr. Wildenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.