Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1102

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2012
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
23-000886-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6018, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Toepassing abstracte methode van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij gebreke van concrete gegevens zodat voordeel wordt bepaald op tenminste het bedrag van de investeringen en kosten nu deze worden beschouwd als bestedingen uit eerder wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten. Verdediging heeft nagelaten concreet en onderbouwd inzicht te verschaffen in de onderliggende financiële constructies. Geen sprake van gepretendeerde dubbeltellingen nu de met de investeringen in relatie staande partijen drugs telkens in beslag zijn genomen. Bij de gehanteerde abstracte berekeningsmethode wordt uitgegaan van het feit dat de veroordeelde zelf de investeringen heeft gedaan en de partijen drugs heeft aangeschaft zodat betrokkenheid van derden daaraan niet afdoet. Dat zou anders kunnen zijn bij een financiële constructie met meerdere financiers, maar dat is gesteld noch gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/77
JOW 2012/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000886-09

datum uitspraak: 10 januari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2009 op de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13/125097-04 tegen de veroordeelde

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [datum],

[adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 3.805.764,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 18 augustus 2005 (parketnummer 13/125097-04) - kort en zakelijk weergegeven- veroordeeld ter zake van:

- als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- eendaadse samenloop van:

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- medeplegen van gewoontewitwassen.

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis d.d. 10 februari 2009 het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 2.872.048,00 en aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.834.368,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het openbaar ministerie en de veroordeelde hebben hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van

31 januari 2008, 22 mei 2008 en 27 januari 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van

13 december 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 3.800.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van de berekening als opgenomen in het proces-verbaal Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Ex artikel 36e

Wetboek van Strafrecht, met nummer 2004005179, op 12 juli 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar], dossierpagina’s 4-24 (hierna te noemen het proces-verbaal d.d. 12 juli 2007).

Door de verdediging zijn in hoger beroep ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel de navolgende verweren aangevoerd die telkens aansluitend door het hof worden besproken.

1. De abstracte methode

De raadsman heeft - kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat de abstracte methode, aan de hand waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel in het proces-verbaal d.d. 12 juli 2007 is berekend, geen recht doet aan de ratio van de ontnemingswetgeving. Het verweer komt er in de kern op neer dat in het geheel geen sprake is van enig wederrechtelijk voordeel. Nu er geen sprake is van enige concrete berekening, laat staan van concrete financiële gegevens, heeft de verdediging het hof primair verzocht

de ontnemingsvordering in zijn geheel af te wijzen.

Voorts heeft de verdediging in dit kader aangevoerd dat de veroordeelde in de strafzaak voor alle feiten als medepleger is veroordeeld. Dit medeplegen dient verdisconteerd te worden in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er zal derhalve sprake moeten zijn van een andere berekeningsmethode dan de gehanteerde abstracte methode, omdat bij laatstgenoemde methode geen enkele ruimte is voor medeplegen. Het hof dient derhalve bij de verdeling van het verkregen voordeel rekening te houden met het feit dat sprake is geweest van verschillende medeplegers in deze zaak.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor zover de raadsman beoogd heeft te betogen dat de (ratio van de) ontnemingswetgeving zich reeds in het algemeen verzet tegen toepassing van een abstracte berekeningsmethode kan dat verweer niet slagen. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de Hoge Raad een abstracte berekeningsmethode in bepaalde omstandigheden aanvaardbaar acht (HR 18 maart 2003 NJ 2003, 528).

Naar het oordeel van het hof kan ook in dit geval gezien de na te noemen omstandigheden een abstracte berekeningsmethode worden toegepast, dat wil zeggen dat, bij gebreke van concrete gegevens omtrent de hoeveelheid geld die de betrokkene voor zijn activiteiten ontving, voor de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel het bedrag van dat voordeel kan worden gesteld op het totaalbedrag dat ter zake van de desbetreffende activiteiten door de betrokkene werd geïnvesteerd en aan derden voor hun diensten werd betaald.

Het hof is van oordeel dat voorshands kan worden uitgegaan van de aannemelijkheid dat het wederrechtelijk verkregen voordeel tenminste op het bedrag van de investeringen en kosten kan worden bepaald, omdat deze bestedingen worden beschouwd als bestedingen van eerder uit andere strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen de achtergrond van het karakter van een procedure als de onderhavige - waaronder hetgeen de wetgever ten aanzien van de ‘bewijslastverdeling’ voor ogen heeft gestaan - en, gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, had het op de weg van de verdediging gelegen concreet en gemotiveerd aan te voeren waarom toepassing van deze methode in dit geval tot een onjuiste berekening leidt, onjuist is. Dit klemt te meer nu de veroordeelde om hem moverende redenen telkens geen concreet inzicht heeft willen verschaffen in de onderliggende financiële constructie(s). De enkele stelling van de veroordeelde, te weten dat er in het geheel geen wederrechtelijk behaald voordeel is, doet daar niet aan af.

Het hof stelt bij gebrek aan informatie van de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op het totaalbedrag aan door de veroordeelde ter zake gedane investeringen en kosten, van welk geld niet aannemelijk is geworden dat dit verkregen is uit legale activiteiten, zodat ervan wordt uitgegaan dat criminele activiteiten de bron/oorsprong van de investeringen vormen.

Het hof volgt de raadsman voorts niet in het verweer dat de abstracte berekeningsmethode in dit geval niet mag worden toegepast omdat sprake is van dubbeltellingen. Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake is, nu de met de investeringen in relatie staande partijen drugs telkens in beslag zijn genomen. Dat betekent dat het geld dat de veroordeelde heeft besteed aan de aankoop van deze partijen, niet meer in de vorm van een verkoopopbrengst aan hem ter beschikking is gekomen. Derhalve doet de mogelijkheid dat hetzelfde voordeel via herinvesteringen meerdere malen wordt ontnomen zich niet voor.

Evenmin volgt het hof de raadsman in zijn verweer dat bij de berekening van het verkregen voordeel rekening dient te worden gehouden met verschillende medeplegers in deze zaak. Aangezien het bij de in deze zaak gehanteerde abstracte berekeningsmethode gaat om de investeringen gedaan door de veroordeelde en er vanuit wordt gegaan dat de partijen verdovende middelen zijn aangeschaft door de veroordeelde, doet onder de gegeven omstandigheden de betrokkenheid van derden daar niet aan af. Alleen indien aannemelijk is dat er meerdere financiers van de partijen in beslag genomen verdovende middelen zijn geweest, dient het voordeel over de medeplegers te worden verdeeld. Het hof is echter van oordeel dat dat niet aannemelijk geworden is, omdat - zoals reeds hierboven is geoordeeld - de veroordeelde geen enkele helderheid heeft verschaft over eventuele onderliggende financiële constructie(s).

2. Prijzen

De raadsman heeft aangevoerd dat de gemiddelde inkoopprijs van € 1.000,00 per kilo waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend te hoog is. De hasj of wiet die werd ingekocht was van erg slechte kwaliteit. Dat betekent dat deze niet voor € 1.000,00 per kilo ingekocht kan zijn. Volgens de verdediging kan er, gelet op de getuigenverklaringen, hooguit een bedrag van € 200,00 per kilo gehanteerd worden.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uiterst behoedzaam dient te worden omgegaan met de afgelegde getuigenverklaringen van de medeveroordeelden/-verdachten. Het hof acht het niet aannemelijk dat de kwaliteit zo slecht was als de raadsman suggereert. In het proces-verbaal d.d. 12 juni 2007 is gebruik gemaakt van ervaringsregels inzake drugsprijzen. Bij de bepaling van de inkoopprijs van € 1.000,00 per kilo is reeds rekening gehouden met de slechte kwaliteit van (een deel) van de ingekochte partijen. Het verweer faalt.

3. Lening [medeverdachte A] en onkosten/salaris [medeverdachte A]

De verdediging heeft betoogd dat de lening aan [medeverdachte A] niet afkomstig is van de veroordeelde, maar van iemand anders.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het in het proces-verbaal d.d. 12 juni 2007 opgenomen bedrag aan onkosten/salaris van/voor [medeverdachte A] volledig uit de lucht is gegrepen. Met de verklaringen van [medeverdachte A] dient prudent te worden omgegaan, omdat hij in de ontnemingszaak niet is gehoord. Bovendien is volgens de raadsman niet aangetoond dat de veroordeelde het bedrag ad

€ 504.000,00 aan [medeverdachte A] heeft voldaan. Rekening dient gehouden te worden met de kwalificatie medeplegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[Medeverdachte A] heeft op 23 november 2004 tegenover de politie verklaard dat hij maandelijks tussen de € 7.000,00 en € 8.000,00 ontving om de rekeningen te voldoen. Het geld kreeg hij via anderen van de veroordeelde en later ook van de veroordeelde zelf (proces-verbaal d.d. 23 november 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar], dossierpagina’s 22 009 - 22 013). In de strafzaak van [medeverdachte A] is bewezen verklaard dat [medeverdachte A] als katvanger en deelnemer aan de criminele organisatie gedurende een reeks van jaren diverse kosten heeft voldaan en dat dit benodigde geld afkomstig is van de veroordeelde.

Voorts heeft [medeverdachte A] op 14 december 2004 tegenover de politie verklaard dat hij en [B] (het hof begrijpt: [medeverdachte B]) ongeveer zeven jaar geleden een huis in Spanje hebben gekocht voor een bedrag van ongeveer fl. 250.000,00. Tweederde van dit bedrag is volgens [medeverdachte A] geleend van de veroordeelde. Daarvan is niets terugbetaald aan de veroordeelde (proces-verbaal d.d. 14 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [namen opsporingsambtenaren], dossierpagina’s 22 033 - 22 038). Het bedrag ad fl. 250.000,00 komt neer op een, ten gunste van de veroordeelde naar beneden afgerond, bedrag van € 75.000,00.

Gelet op een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast die in ontnemingszaken geldt, is het aan de verdediging aannemelijk te maken waarom de verklaringen van [medeverdachte A] niet correct waren. Het feit dat [medeverdachte A] in de ontnemingszaak niet kon worden gehoord omdat hij inmiddels is overleden, laat dat onverlet. Het hof is van oordeel dat de verdediging deze stelling onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft onderbouwd. Het verweer wordt verworpen.

4. Witwassen

De gelden die [Betrokkene 1] naar de Verenigde Staten bracht, waren volgens de verdediging niet van enig misdrijf afkomstig. De veroordeelde is ten onrechte veroordeeld voor witwassen, waardoor het bedrag ad € 51.000,00 niet mag worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De veroordeelde is bij vonnis d.d. 18 augustus 2005 van de rechtbank Amsterdam onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van witwassen van geldbedragen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 23 november 2004 te [plaatsnamen]. De stelling van de veroordeelde dat dat ten onrechte is geweest doet daar niet aan af. Reeds daarom dient het verweer verworpen te worden. Nu de veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt waarom het bedrag ad € 51.000,00 als opgenomen in het proces-verbaal d.d. 12 juli 2007 niet correct is, zal het hof voornoemd bedrag bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken.

Berekening

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van

€ 3.805.764,00 heeft verkregen. Dat voordeel komt op de voet van artikel 36e van het

Wetboek van Strafrecht voor ontneming in aanmerking.

Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddelen zijn vervat en gaat uit van de volgende berekening:

Voordeelberekening zaak [1] € 37.291,00

Voordeelberekening zaak [2] € 494.450,00

Voordeelberekening zaak [3] € 1.120.380,00

Voordeelberekening zaak [4] € 1.279.080,00

Voordeelberekening hoofdzaak criminele organisatie

[straat A] € 4.000,00

[straat B] € 10.290,00

[straat C] € 229.643,00

Voordeelsberekening witwassen € 51.000,00

Overige kosten en/of investeringen € 504.000,00

Lening van [veroordeelde] aan [medeverdachte A] € 75.630,00

--------------------- +

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.805.764,00

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel met nummer 2004005179, op 12 juli 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar] (dossierpagina’s 4-24).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Betreft: Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Ik, verbalisant, verklaar een onderzoek te hebben ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van:

Naam [veroordeelde]

Geboortedatum [datum]

Geboorteplaats [geboorteplaats]

Van deze verdachte is bekend dat hij gebruik maakt van diverse aliassen.

§ 3 Opening strafrechtelijk financieel onderzoek

Door de rechter-commissaris is op vordering van de officier van justitie op 26 oktober 2004 een machtiging verleend voor het instellen van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering.

§ 4. Wederrechtelijk verkregen voordeel

§ 4.1 Uitgangspunten voordeelberekening

Bij de berekening van de hoogte van het door [veroordeelde] uit strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een abstracte methode. Middels de abstracte methode worden de tijdens het onderzoek bekend geworden investeringen bij elkaar opgeteld, er vanuit gaande dat bij het ontbreken van legale inkomsten deze investeringen uit de opbrengsten van eerder gepleegde strafbare feiten (eerder wederrechtelijk verkregen voordeel) zijn gefinancierd.

§ 4.2 Aftrek kosten

In deze methode vindt geen aftrek van kosten plaats, omdat het hele bedrag dat is geïnvesteerd

in transporten/partijen geacht wordt afkomstig te zijn uit de opbrengst van eerdere geslaagde

transporten/transacties.

Deze investeringen bestaan uit de betalingen voor de aankoop van partijen verdovende middelen, betalingen aan mededaders, huur van woningen, huur van opslagplaatsen en alle verdere kosten die noodzakelijk zijn bij de voorbereiding en afhandeling van de strafbare feiten.

De door de rechtbank in het uitgewerkte vonnis (het hof begrijpt: in de strafzaak) gebruikte bewijsmiddelen zijn gebruikt als uitgangspunt voor de berekening.

§ 4.5 Legale inkomsten [veroordeelde]

Uit het onderzoek is niet gebleken dat [veroordeelde] in [namen landen] legale inkomsten aan de belastingdiensten van de betreffende landen heeft opgegeven.

§ 4.6 Drugsprijzen

Uit het onderzoek is onvoldoende informatie gekomen welke uitgaven [veroordeelde] heeft gemaakt voor de investeringen in de aangetroffen partijen hash en wiet. Daarom wordt in deze voordeelsberekening gebruik gemaakt van ervaringgegevens inzake drugsprijzen.

Deze prijzen zijn afkomstig uit het rapport drugsprijzen 2005 van de dienst Nationale Recherche Informatie. Dit rapport is gebaseerd op gegevens van politieambtenaren uit het land. Uit eigen ervaringen van mij en uit soortgelijke onderzoeken blijkt dat deze prijzen nog steeds actueel zijn. Afhankelijk van het aanbod kunnen er prijsschommelingen zijn.

Neder(wiet) kost tussen de € 2.100,00 en € 3.100,00 per kilo.

Hash kost tussen de € 1.000,00 en € 1.500,00 per kilo.

In de voordeelsberekening zal voor zowel de (neder)wiet als hash in het voordeel van de verdachte (het hof begrijpt hier en hierna de veroordeelde) worden uitgegaan van een gemiddelde inkoopprijs van € 1.000,00 per kilo. Deze lage inkoopprijs is gebruikt omdat uit het onderzoek bleek dat (deels) bedorven partijen werden gemengd met een kwalitatief betere soort. Zeer aannemelijk is dat de “bedorven” partijen goedkoop werden ingekocht.

§ 4.8 Voordeelberekening zaak 1

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen (het hof begrijpt hier en hierna: de in het vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 18 augustus 2005 - parketnummer 13/125097-04 - bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen)

In de periode 1 juli 2004 tot en met 1 augustus 2004 aan [Betrokkene 2] 22,535 kilogram hashish en 14,756 hennep. Totaal gewicht: 37,291 kilogram.

Investering in in beslag genomen partij verdovende middelen

37,291 kilogram hash/weed x € 1.000,00 = € 37.291,00.

§ 4.9 Voordeelberekening zaak [2]

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen

In de periode 1 januari 2003 tot en met 13 september 2004 op een boot genaamd [naam boot], gelegen [adres en plaatsnaam] telkens een hoeveelheid van tenminste 420 kilogram hennep en/of hashish.

Investering in beslag genomen partij verdovende middelen

420 kilogram hash/weed x € 1.000,00 = € 420.000,00.

Betaling overige kosten

Kosten personeel

Uit het relaas is komen vast te staan dat voor het verwerken, verpakken en vervoeren van de verdovende middelen op de boot [naam boot] met regelmaat personeel werd ingehuurd. Dit personeel is aangehouden en gehoord. Uit verklaringen is komen vast te staan dat zij tegen betaling bovengenoemde werkzaamheden verrichtten. Voor ieder personeelslid is een voordeelsberekening gemaakt.

Kosten personeel

Verdachte Berekend voordeel in €

[naam] 3.000,00

[naam] 1.200,00

[naam] 13.500,00

[naam] 36.000,00

[naam] 5.000,00

[naam] 11.400,00

[naam] 600,00

[naam] 3.750,00

Totaal 74.450,00

Samenvatting investering zaak [2]:

Aanschaf verdovende middelen € 420.000,00

Loonkosten € 74.450,00

Totaal € 494.450,00

§ 4.10 Voordeelberekening zaak [3]

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen

In de periode 1 mei 2004 tot en met 16 september 2004 in een pand, gelegen aan [straat D en plaatsnaam] telkens een hoeveelheid van tenminste 1.083,88 kilogram hashish en/of hennep.

Investering in beslag genomen partij verdovende middelen

1.083,88 kilogram hash/weed x € 1.000,00 = € 1.083.880,00.

Betaling overige kosten

[veroordeelde] huurde de loods aan [straat D]. Uit afgelegde verklaringen bleek dat dit pand gebruikt is als stash/verwerkingsplaats en dat er regelmatig verdovende middelen naar dit pand werden gebracht, opgeslagen en/of verwerkt.

Investering huurkosten

[Naam eigenaar pand], eigenaar pand, verhuurde het pand vanaf juni 2004 voor € 2.000,00 per maand. De inval vond plaats op 16 september 2004. Het betreft een huurperiode van vier maanden.

4 maanden huur à € 2.000,00, inclusief drie maanden borg, 7 x € 2.000,00 = € 14.000,00.

Investering loonkosten

In dit onderzoek zijn vijf verdachten aangehouden: [verdachte 1], [verdachte 2],

[verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5]. Deze verdachten hadden de opdracht de verdovende middelen te verpakken en/of te sealen en ze klaar te maken voor levering.

[verdachte 3] en [verdachte 4] verklaarden tijdens verhoor, dat zij gemiddeld € 300,00 per week verdienden. [verdachte 4] verklaarde dat hij vanaf juni 2004 werkzaam was, maar dat de anderen al in mei 2004 waren begonnen. Hij werkte ongeveer ongeveer 3 tot 5 dagen per week, soms meer en soms minder, afhankelijk van de opdracht. Per dag verdiende hij € 100,00. Hij werd betaald door [verdachte 5]. De doorzoeking in perceel [straat D] vond plaats op 16 september 2004. Vanaf mei 2004 betreft dit een preiode van 20 weken. Op basis van deze gegevens is extrapolatie van de loonkosten mogelijk en aannemelijk. Bij de berekening is uitgegaan van een minimum van drie dagen werk per week.

Aannemelijk is dat de drie verdachten [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 5] reeds vanaf mei in de loods werkzaamheden verrichtten voor een gemiddeld bedrag van € 100,00 per dag en met gemiddelde van drie dagen per week.

3 x 20 wk x € 300,00- = € 18.000,00.

[verdachte 3] werkte vanaf juni 2004 tot en met 16 september 2004, een periode van 15 weken. Aannemelijk is dat aan hem is uitbetaald:

15 wk x € 300,00- = € 4.500,00.

Totaal € 18.000,00 + € 4.500,00 = € 22.500,00.

Samenvatting investering zaak [3]

Kosten verdovende middelen en huur perceel [straat D]

Totaal verdovende middelen € 1.083.880,00

Huurkosten € 14.000,00

Loonkosten € 22.500,00

------------------ +

€ 1.120.380,00

Naar aanleiding van de inval en de in beslagname van de verdovende middelen en de aanhouding van de betrokkenen in zaak [3] blijkt uit een afgeluisterd tapgesprek tussen [medeverdachte A] en [veroordeelde] (het hof begrijpt gelet op het onder 2 genoemde bewijsmiddel: [Betrokkene 3]) het volgende: er wordt gezegd, dat “het een moeilijke tijd is voor zijn firma, de hele ploeg zit vast, behalve [medeverdachte A] en [Betrokkene 4], bovendien betekent het gebeurde voor [veroordeelde] een strop van 2,5 miljoen euro. Deze informatie en het noemen van dit bedrag tijdens het gevoerde telefoongesprek draagt er toe bij dat bovenstaande berekening redelijk en aannemelijk is.

§ 4.11 Zaak [4]

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen

In de periode 1 januari 2004 tot en met 11 januari 2005 in een loods, gelegen aan [straat E en plaatsnaam] telkens een hoeveelheid van tenminste 1.257 kilogram hashish opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Investering in beslag genomen partij verdovende middelen

1.257 kilogram hash/weed x € 1.000,00 = € 1.257.000,00.

Overige kosten

Uit het onderzoek bleek dat [veroordeelde] de loods in [plaatsnaam] al gedurende zeer lange tijd onderhuurde.

Bronnen: verklaring [Betrokkene 5] (verhuurder loods): loods verhuurd sinds 1 april 1998 aan

ene [Betrokkene 6].

Huurprijsbron: huurovereenkomst.

Verhoor [Betrokkene 6]: huurde voor € 230,00 per maand en verhuurde het zelf onder aan [veroordeelde].

Verhoor [veroordeelde]: verklaart zelf al tussen de 8 en 10 jaar van [Betrokkene 6] de loods te huren.

Bij de berekening is uitgegaan van de gegevens uit het huurcontract en een huurperiode van 8 jaar. In het voordeel van de verdachte is verder geen rekening gehouden met huurverhogingen.

Totaal kosten huur loods:

8 jr x 12 mnd x € 230,00 = € 22.080,00

Samenvatting investering zaak [4]

Aanschaf verdovende middelen € 1.257.000,00

Huurkosten € 22.080,00

Totale investering € 1.279.080,00

§ 4.12 Hoofdzaak Criminele Organisatie

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen

In een pand gelegen aan de [straat A en plaatsnaam] 2,380 (het hof begrijpt: 2.380) gram hennep en 1,620 (het hof begrijpt: 1.620) gram hash voorhanden heeft gehad.

Investering in beslag genomen partij verdovende middelen

Totaal gewicht 4.000 gram = 4 kg x € 1.000,00 = € 4.000,00

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen

In een pand gelegen aan de [straat B en plaatsnaam] 2,650 (het hof begrijpt: 2.650) gram hennep en 7,640 (het hof begrijpt: 7.640) gram hashish.

Investering in beslag genomen partij verdovende middelen

Totaal 10,290 (het hof begrijpt: 10.290) gram = 10,290 kg x € 1.000,00 = € 10.290,00

Bewezen hoeveelheid geleverde en/of in beslag genomen verdovende middelen

In een pand gelegen aan de [straat C] 30,672 kilogram hennep en 198,971 kg hashish.

Investering in beslag genomen partij verdovende middelen

Totaal 229,64 kg x € 1.000,00 = € 229.643,00.

§ 4.13 Witwassen opbrengsten uit handel verdovende middelen

In opdracht van [veroordeelde] is door [Betrokkene 1] en zijn vriendin, uit misdrijf afkomstig geld gewisseld en overgebracht naar de Verenigde Staten van Amerika. Uit de verklaringen blijkt dat [Betrokkene 1] ongeveer zes keer heeft gewisseld en dat de bedragen tussen de € 7.500,00 en € 9.500,00 lagen. Gemiddeld is dat een bedrag van € 8.500,00. Dit bedrag is lager dan genoemd in de melding ongebruikelijke transacties. In het voordeel van de verdachte is uitgegaan van het gemiddelde van € 8.500,00.

Op basis van deze gegevens is het zeer aannemelijk dat [Betrokkene 1] het geld voor en in opdracht van [veroordeelde] heeft gewisseld en overgebracht naar Amerika.

Het betreft 6 x € 8.500,00 = € 51.000,00.

§ 4.14 Overige kosten en/of investeringen

Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat [medeverdachte A] als katvanger fungeerde voor de organisatie van [veroordeelde]. Hij betaalde rekeningen voor de huur van panden, water en elektriciteit.

Duidelijk uit dit onderzoek naar door [medeverdachte A] gedane betalingen werd dat [medeverdachte A] deze betalingen nooit uit zijn legale inkomen had kunnen betalen. Door maandelijks contante kasstortingen van bedragen tussen € 2.000,00 en € 6.000,00 op zijn rekening te doen, was hij in staat om alle betalingen te verrichten.

Uit het persoonsdossier blijkt dat [medeverdachte A] verklaart dat hij maandelijks tussen de 7 à 8.000,00 kreeg om de rekeningen te voldoen. Een deel van dat geld was bestemd voor het salaris van [medeverdachte A]. Het geld kreeg hij via anderen van [veroordeelde] en later ook van [veroordeelde] zelf. Er vanuit gaande dat [medeverdachte A] zoals hij zelf heeft verklaard al 6 à 7 jaar panden op zijn naam heeft staan en dat maandelijks tussen de 7000,00 en 8000,00 euro kreeg, is het redelijk en aannemelijk het totaalbedrag aan investeringen in kosten en het salaris van [medeverdachte A] op de navolgende wijze te berekenen:

6 jr à 12 mnd à € 7.000,00 = € 504.000,00.

Lening [veroordeelde] aan [medeverdachte A] en [medeverdachte B] aankoop woning in Spanje

In zijn verklaring geeft [medeverdachte A] aan dat hij 7 jaar geleden voor de aankoop van onroerend goed in Spanje geld heeft geleend van [veroordeelde]. Uit de verklaring blijkt dat voor de aankoop van het onroerend goed ongeveer fl. 250.000,00 is betaald. 2/3 van dit bedrag is geleend van [veroordeelde]. Omgerekend van fl. 250.000,00 : 2.20371 = € 113.445,05 x 2/3 = € 75.630,00.

Aannemelijk is dat dit bedrag als vorm van beloning door [veroordeelde] aan [medeverdachte A] is uitbetaald.

2. Een geschrift, zijnde een tapverslag d.d. 28 september 2004 tussen [A] en [Betrokkene 3] (dossierpagina’s 01 322 – 01 324).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als gesprek tussen [A] en [Betrokkene 3]:

[A] (het hof begrijpt: [medeverdachte A]) belt met [Betrokkene 3].

[A]: Het is op het moment een beetje in een moeilijke tijd hebben we he daar op de firma, moilijke tijd.

[Betrokkene 3]: Ja zitten ze er erg bovenop.

[A]: Nou ja ze hebben vijf man gepakt dus eeh….. .ze zitten er nog ze hebben weer veertien dagen d’r bij gekregen.

[Betrokkene 3]: Joh?

[A]: De hele ploeg zit er….. op twee man na. Ik en [Betrokkene 7]. De rest zit allemaal vast.

[Betrokkene 3]: Maar heb je dan niet eeh.

[A]: Stom ook weer eigen stommiteit. Ja, een strop van meer as eeh zwart 2 en een half miljoen

euro.

[Betrokkene 3]: Zo….

[A]: Voor [veroordeelde] dan 2 en een half miljoen euro.

Draagkracht

De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd dat de veroordeelde thans en naar redelijkerwijze te verwachten valt in de toekomst onvoldoende inkomsten zal kunnen verwerven en daarom geen draagkracht zal hebben om een te betalen bedrag van enige omvang te voldoen.

Het is hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde thans, noch – naar redelijke verwachting – in de toekomst in staat is aan de betalingsverplichting te voldoen. Het hof ziet derhalve geen aanleiding wegens ontoereikende draagkracht tot een lagere vaststelling van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag te besluiten.

Redelijke termijn

De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd dat de behandeling van de ontnemingsvordering dermate lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in de onderhavige zaak is overschreden, hetgeen tot gevolg dient te hebben dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, wordt verminderd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 24 november 2004 is de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde betekend. Deze uitreiking wordt door het hof aangemerkt als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Nadat in de strafzaak op 18 augustus 2005 uitspraak is gedaan, is de ontnemingsvordering voor de zitting van

25 oktober 2007 aanhangig gemaakt. De rechtbank heeft op 10 februari 2009 in de ontnemingszaak uitspraak gedaan. Door de veroordeelde is op 16 februari 2009 tegen de ontnemingsuitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het openbaar ministerie heeft dat op 24 februari 2009 gedaan.

Het dossier is op 26 februari 2010 ter griffie van dit gerechtshof binnengekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft op 2 augustus 2011 en 13 december 2011 plaatsgevonden.

Het hof wijst heden arrest in de ontnemingszaak.

Gelet op voormelde gang van zaken stelt het hof vast dat de behandeling van deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep dermate lang heeft geduurd, dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op deze overschrijdingen zal het hof het bedrag, dat de veroordeelde wordt verplicht aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in redelijkheid matigen.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.805.764,00. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn en de daarmee samenhangende vermindering van het ontnemingsbedrag, stelt het hof de verplichting van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 3.800.000,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.805.764,00 (driemiljoen achthonderdvijfduizend zevenhonderdvierenzestig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.800.000,00 (driemiljoen achthonderdduizend euro).

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. J.D.L. Nuis en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2012.