Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1026

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
200.070.039/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO3908, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wcam. Hof verklaart de schikkingsovereenkomsten in de zaak Converium verbindend voor de niet-Amerikaanse aandeelhouders. De schikking betreft een vergoeding voor de waardedaling van Converium-aandelen in de periode januari 2002-september 2004, na mededelingen van Converium met betrekking tot de (verwachte) financiële resultaten van haar Amerikaanse onderneming en de daarvoor te treffen voorzieningen. Verschil in vergoeding tussen Amerikaanse en niet-Amerikaanse aandeelhouders niet onredelijk in verband met verschil in juridische positie. Vergoeding voor honorarium en kosten voor Amerikaanse advocaten niet onredelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 907
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/51 met annotatie van mr. drs. B.J. de Jong
Ondernemingsrecht 2012/34
RO 2012/24
RF 2012/24
JONDR 2012/365
NJ 2012/355
JOR 2012/51 met annotatie van mr. drs. B.J. de Jong

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ZESTIENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

Verzoekers:

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SCOR HOLDING (SWITZERLAND) AG,

voorheen CONVERIUM HOLDING AG,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer, te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

ZURICH FINANCIAL SERVICES LTD,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

advocaat: mr. R.W. Polak, te Amsterdam,

3. de stichting

STICHTING CONVERIUM SECURITIES COMPENSATION FOUNDATION,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. J.H. Lemstra, te Den Haag,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VEB NCVB,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. P.W.J. Coenen, te Den Haag,

hierna ook aan te duiden als: SCOR (althans Converium), ZFS, de Stichting en VEB.

Verweerders:

de rechtspersonen naar buitenlands recht:

1. LIECHTENSTEINISCHE LANDESBANK AG,

gevestigd te Vaduz (Liechtenstein),

2. HELABA INVEST KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

3. METZLER INVESTMENT GMBH,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

4. WESTLB MELLON ASSET MANAGEMENT

KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),

5. SWISS LIFE ASSET MANAGEMENT AG,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

6. INTERNATIONALE KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),

7. DEKA INVESTMENT GMBH,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

8. HANSAINVEST HANSEATISCHE INVESTMENT GMBH,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),

9. PENSIONKASSE DER UBS (PENSION FUND OF UBS),

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

10. BNY MELLON SERVICE KAPITALANLAGE-GESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

advocaat: mr. J.H.B. Crucq, te Amsterdam.

1. Procesverloop

Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 12 november 2010 (LJN BO3908).

Bij brief van 9 februari 2011 hebben verzoekers een vertaling van diverse stukken ingediend.

Op 22 augustus 2011 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 september 2011 hebben verzoekers aanvullende producties (nummers 31A-D, 32 en 33) ingediend.

Bij brief van 26 september 2011 hebben verzoekers onder meer meegedeeld dat

mr. E.H. Swaab, advocaat te Amsterdam, zal fungeren als Dispute Resolution Body.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2011.

Van de mondelinge behandeling hebben verzoekers met toestemming van het hof een geluidopname gemaakt. Bij brief van 27 oktober 2011 hebben verzoekers een transcriptie van de opname overgelegd. De transcriptie maakt deel uit van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

Beschikking is bepaald op heden.

2. Verzoek

Het hof verwijst naar de tussenbeschikking onder 2.1 tot en met 2.3.

3. Bevoegdheid

Bij de tussenbeschikking (onder 2.7 tot en met 2.13) heeft het hof een voorlopig oordeel gegeven over zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het verzoek. De bevoegdheid van het hof is in dit geding niet bestreden. Het hof ziet ook geen aanleiding om ambtshalve terug te komen van het voorlopig oordeel.

4. Formele vereisten

4.1 Het (gewijzigde) verzoekschrift voldoet aan de eisen van artikel 1013 lid 1 en 2 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv).

4.2.1 Bij de mondelinge behandeling van 24 augustus 2010 heeft het hof de wijze van oproeping van de belanghebbenden bepaald.

4.2.2 Bij de stukken bevindt zich een verklaring (met bijlagen) van kandidaat-gerechtsdeurwaarder G.J.M. Wouters te Den Haag van 19 september 2011, waarin verslag wordt gedaan van de wijze waarop de belanghebbenden zijn opgeroepen.

Uit de verklaring blijkt dat:

- 2.454 in het buitenland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen bij exploot, in de taal van het desbetreffende land, overeenkomstig de toepasselijke regels van de EU-Betekeningsverordening,

- 8.859 in het buitenland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen bij exploot, in de taal van het desbetreffende land, overeenkomstig de toepasselijke regels van het Haags Betekeningsverdrag van 1965,

- 24 op Aruba, Bonaire of Curaçao wonende bekende belanghebbenden per exploot zijn opgeroepen, overeenkomstig artikel 54 Rv,

- 365 in het buitenland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen per aangetekende brief zonder bewijs van ontvangst, in het Engels en ten aanzien van Japan in het Japans, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag van 1965,

- 127 in het buitenland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen per aangetekende brief, zonder bewijs van ontvangst, in het Engels, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Nederlands-Brits Rechtsvorderingsverdrag van 1933,

- 204 in Nederland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen per gewone brief,

- 181 in het buitenland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen per gewone brief, in het Arabisch, Duits, Engels, Frans, Nederlands, Portugees en Spaans, bij gebreke van een toepasselijk verdrag of een toepasselijke andere internationale regeling,

- 4 in het buitenland wonende bekende belanghebbenden zijn opgeroepen per aangetekende brief zonder bewijs van ontvangst, in het Arabisch, overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag van 1954.

4.2.3 Verder blijkt uit de stukken dat de mondelinge behandeling is aangekondigd in

19 (bekende) nieuwsbladen uit Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitersland, alsmede in The Wall Street Journal Europe en de Europese editie van The Economist en via 2 newswires (PR Newswire en Bloomberg LP).

4.2.4 Bovendien is de aankondiging (met relevante stukken) geplaatst op de websites www.converiumsettlement.com, www.blbglaw.com, www.srkw-law.com, www.cohenmilstein.com en www.veb.net.

4.2.5 Naar het oordeel van het hof kan uit de stukken worden opgemaakt dat de oproeping en aankondiging naar behoren heeft plaatsgevonden.

5. De overeenkomsten

5.1.1 De overeenkomsten zijn op 2 juli 2010 gesloten tussen SCOR, de Stichting en VEB (de eerste overeenkomst) en tussen ZFS, de Stichting en VEB (de tweede overeenkomst).

5.1.2 De overeenkomsten strekken tot vergoeding van schade die is veroorzaakt, kort gezegd, door daling van de waarde van aandelen in Converium na mededelingen van Converium in de periode 2002-2004 met betrekking tot haar (verwachte) financiële resultaten en de daarvoor te treffen voorzieningen. Het hof verwijst naar het gewijzigde verzoekschrift onder 3.2 en naar de tussenbeschikking onder 2.1 en 2.2. De personen aan wie de schade is veroorzaakt, zijn kort gezegd de niet-Amerikaanse aandeelhouders. Zij worden onder 5.2.1 nader aangeduid.

5.1.3 De Stichting behartigt ingevolge haar statuten de belangen van deze niet-Amerikaanse aandeelhouders. VEB behartigt ingevolge haar statuten de belangen van Nederlandse aandeelhouders.

5.1.4 De overeenkomsten voldoen hiermee aan de eis van artikel 7:907 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2.1 De personen ten behoeve van wie de overeenkomsten zijn gesloten, zijn omschreven in artikelen II.A.3, XIII.A.51, XIII.A.55 en bijlage C van de eerste overeenkomst en in de artikelen II.A.3, XIII.A.54, XIII.A.60 en bijlage C van de tweede overeenkomst.

Het gaat kort gezegd om (rechts)personen, met woonplaats buiten de Verenigde Staten van Amerika, die aandelen in Converium hebben gekocht in de periode van 7 januari 2002 tot en met 2 september 2004 op een niet-Amerikaanse effectenbeurs, zoals de SWX Swiss Exchange, en die verlies hebben geleden. Voor Amerikaanse kopers en kopers van aandelen op een Amerikaanse effectenbeurs geldt een schikking die is bereikt in een (geconsolideerde) Amerikaanse class action en die bij beslissing van 12 december 2008 is goedgekeurd door de US District Court, Southern District of New York, welke beslissing op 25 juni 2009 onherroepelijk is geworden. De Amerikaanse rechter heeft de niet-Amerikaanse aandeelhouders uitgesloten van deelname aan de class. Voor de desbetreffende procedure verwijst het hof naar het gewijzigde verzoekschrift onder 3.

5.2.2 Het aantal niet-Amerikaanse aandeelhouders is niet bekend. Volgens een schatting in de overeenkomsten is het aantal (bekende) niet-Amerikaanse aandeelhouders ruim 3.000. In het gewijzigd verzoekschrift wordt uitgegaan van ongeveer 12.000 niet-Amerikaanse aandeelhouders. Blijkens de onder 3.2 genoemde verklaring van kandidaat-gerechtsdeurwaarder G.J.M. Wouters van 19 september 2011 zijn 12.218 personen in dit geding opgeroepen.

5.2.3 De vergoeding die aan deze personen wordt toegekend, is vermeld in de onderdelen I.A, II.A, de artikelen XIII.A.49 en XIII.A.72 en bijlage C van de eerste overeenkomst en in de onderdelen I.A, II.A, de artikelen XIII.A.52 en XIII.A.78 en bijlage C van de tweede overeenkomst.

Het totale schikkingsbedrag (vóór aftrek van kosten en honoraria) is USD 40,000,000 ingevolge de eerste overeenkomst en USD 18,400,000 ingevolge de tweede overeenkomst. Voor de verdeling van deze bedragen bevatten de overeenkomsten een uitgewerkt plan van uitdeling.

5.2.4 De voorwaarden waaraan de personen moeten voldoen om voor de vergoeding in aanmerking te komen, zijn vermeld in onderdeel II.C, artikel XIII.A.55 en bijlage C van de eerste overeenkomst en in onderdeel II.C, artikel XIII.A.60 en bijlage C van de tweede overeenkomst.

5.2.5 De wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld en kan worden verkregen, is vermeld in de onderdelen II.B, II.C en bijlage C van de overeenkomsten.

5.2.6 De naam en de woonplaats van degene aan wie de in artikel 7:908 lid 2 en 3 BW bedoelde schriftelijke mededeling (opt-outverklaring) kan worden gedaan, is vermeld in de artikelen VII.A.1 (en 5) en XIII.A.2 van de overeenkomsten. De mededeling kan schriftelijk of per e-mail worden gedaan aan de administrateur van verzoekers:

The Garden City Group Inc

P.O. Box 9616

Dublin, OH 43017-4916

USA

questions@converiumsettlements.com

5.2.7 Gelet op het voorgaande voldoen de overeenkomsten aan de eisen van artikel 7:907 lid 2 BW.

6. De redelijkheid van de toegekende vergoedingen

6.1 Ingevolge artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder b, BW moet het hof het verzoek afwijzen indien de hoogte van de toegekende vergoedingen niet redelijk is, mede gelet op de omvang van de schade, de eenvoud en snelheid waarmee de vergoedingen kunnen worden verkregen en de mogelijke oorzaken van de schade.

6.2 Anders dan verweerders menen, heeft het hof bij de beoordeling van de redelijkheid van de vergoeding alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen, ook de omstandigheden die zich na het vaststellen van de vergoedingen of het sluiten van de overeenkomsten hebben voorgedaan.

6.3 Over de hoogte van de vergoeding per aandeelhouder of per aandeel bestaat geen duidelijkheid, omdat de vergoeding afhankelijk is van diverse variabelen, zoals de datum van aankoop en eventuele verkoop van de aandelen.

6.4.1 Het totale bedrag dat ingevolge de overeenkomsten voor de niet-Amerikaanse aandeelhouders beschikbaar is, is (vóór aftrek van kosten en honoraria) USD 58,400,000.

Dat bedrag is naar verhouding aanzienlijk minder dan het schikkingsbedrag voor de (kleinere groep) Amerikaanse aandeelhouders (USD 84,600,000), die zich in een vergelijkbare positie hebben bevonden als de niet-Amerikaanse aandeelhouders voor zover het hun schade betreft. De rechtvaardiging voor dit verschil is volgens verzoekers met name het feit dat de Amerikaanse rechter de niet-Amerikaanse aandeelhouders heeft uitgesloten van deelname aan de class, zodat zij geen effectieve rechtsgang hebben om hun mogelijke aanspraken in rechte geldend te maken. Verweerders hebben op dit punt bezwaren naar voren gebracht.

6.4.2 Het hof stelt in dit verband voorop dat de gebeurtenissen waarop de vergoeding betrekking heeft, zich in de periode van 2002-2004 hebben voorgedaan en dat voor zover bekend nadien buiten de Verenigde Staten van Amerika geen enkele procedure tot verkrijging van een vergoeding aanhangig is gemaakt. Verzoekers hebben onder overlegging van rapporten van deskundigen gewezen op diverse feitelijke en juridische omstandigheden die het verkrijgen van een dergelijke vergoeding in een gerechtelijke procedure buiten de Verenigde Staten van Amerika bemoeilijken. Daargelaten of en in hoeverre die omstandigheden het verkrijgen van een vergoeding onmogelijk maken, is in elk geval aannemelijk dat zij voor veel niet-Amerikaanse aandeelhouders een wezenlijke belemmering zullen vormen om hun mogelijke aanspraken buiten de Verenigde Staten van Amerika in rechte geldend te maken. Gelet op hun uitsluiting van deelname aan de Amerikaanse class, is het niet aannemelijk dat zij daartoe nog wel effectieve mogelijkheden in de Verenigde Staten van Amerika hebben. Voor het geval verweerders hebben willen betogen dat dit anders is, is hun verweer onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft op dit punt dan ook geen behoefte aan een onderzoek door deskundigen, zoals verweerders hebben verzocht. Er kan dus worden aangenomen dat de juridische positie van de niet-Amerikaanse aandeelhouders wezenlijk anders is dan die van de Amerikaanse aandeelhouders. Dat brengt tevens mee dat geen sprake is van een onaanvaardbaar verschil in behandeling van gelijke gevallen.

6.4.3 Daarbij komt dat de niet-Amerikaanse aandeelhouders die nog wel hun aanspraken in rechte geldend willen maken, de mogelijkheid hebben zich aan de verbindendheid van de overeenkomsten te onttrekken door het uitbrengen van een opt-outverklaring, zodat het hen vrijstaat een individuele procedure aanhangig te maken. Aannemelijk is echter dat gelet op het tijdsverloop en de kosten en risico’s die zijn verbonden aan het voeren van een individuele procedure voor veel van de niet-Amerikaanse aandeelhouders zal gelden dat zij geen procedure aanhangig zullen maken en dus geen enkele vergoeding zullen ontvangen indien de overeenkomsten niet verbindend worden verklaard.

6.4.4 Van belang is verder dat de verbindendverklaring tot gevolg zal hebben dat de niet-Amerikaanse aandeelhouders na de verbindendverklaring betrekkelijk – zeker in vergelijking met het voeren van een individuele procedure – snel en eenvoudig en tegen geen of zeer geringe kosten de toegekende vergoeding zullen ontvangen.

6.4.5 Onder deze omstandigheden ziet het hof geen reden voor het oordeel dat de hoogte van de toegekende vergoeding op zichzelf onredelijk is.

6.5.1 Op de toegekende vergoeding zal een aanzienlijk bedrag aan kosten en honorarium in mindering worden gebracht. De kosten houden verband met het beheer en de verdeling van het bedrag van USD 58,400,000 en het voeren van de onderhavige procedure.

Daarnaast hebben verzoekers hun goedkeuring gegeven aan toekenning van vergoeding voor honorarium en kosten aan de Principal Counsel, ten bedrage van 20 procent van het schikkingsbedrag van USD 58,400,000, in verband met de werkzaamheden in het kader van de schikking. Verweerders hebben aangevoerd dat dit een buitensporige vergoeding is, mede in aanmerking genomen dat de Principal Counsel in de Amerikaanse procedure reeds een dergelijke vergoeding heeft ontvangen, en dat de vergoeding zich niet verdraagt met de Nederlandse maatstaven.

6.5.2 Bij de beoordeling van de redelijkheid van de vergoeding van de Amerikaanse Principal Counsel kan, ook naar Nederlands recht, rekening worden gehouden met wat in Amerika gebruikelijk is en redelijk wordt gevonden. Daarvoor is in dit geval aanleiding omdat de werkzaamheden voor een belangrijk deel binnen de Amerikaanse rechtssfeer en door Amerikaanse advocatenkantoren zijn verricht.

6.5.3 Voor de beoordeling van de redelijkheid is in de eerste plaats van belang dat de Principal Counsel een samenwerkingsverband is van drie Amerikaanse advocatenkantoren (Bernstein Litowitz Berger & Grossmann LLP, Cohen Milstein Hausfeld & Toll, P.L.L.C. en Spector Roseman & Kodroff, P.C.), waarvan een team vanaf 2004 jarenlang al dan niet fulltime aan de zaak heeft gewerkt. De Principal Counsel heeft de werkzaamheden uitvoerig beschreven in een memorandum van 13 augustus 2009.

6.5.4 Een aanwijzing dat een vergoeding van 20 procent van het schikkingsbedrag voor dat werk en het bereikte resultaat in een geval als het onderhavige gebruikelijk en redelijk is, is gelegen in de Order awarding attorneys’ fees and expenses van de US District Court van

17 december 2008, waarbij een dergelijke vergoeding is toegekend voor de werkzaamheden die zijn verricht en de kosten die zijn gemaakt in het kader van de class action.

De US Distrtict Court heeft de vergoeding ‘fair and reasonable and consistent with awards in similar cases’ geoordeeld.

Uit een verslag van de hoorzitting voorafgaand aan de Order blijkt dat het werk van de Principal Counsel en de redelijkheid van de vergoeding uitvoerig is besproken. Daarbij is tevens aan de orde is geweest dat de Principal Counsel voor de onderhavige schikking een zelfde vergoeding zou vragen.

6.5.5 Verder hebben verzoekers een verslag van een empirisch Amerikaans onderzoek naar de hoogte van vergoedingen in vergelijkbare gevallen overgelegd (Theodore Eisenberg and Geoffrey P. Miller, Attorneys fees in class action settlements: an empirical study, NYU Center For Law & Business Working Paper Series CLB-03-017). Uit dat verslag blijkt dat een honorarium van 20 procent van het schikkingsbedrag voor een geval als het onderhavige niet bovenmatig is, maar valt binnen de grenzen van het gebruikelijke.

6.5.6 Verzoekers hebben bovendien een vergelijking gepresenteerd van de gevraagde vergoeding op basis van een percentage van het schikkingsbedrag (fee) met een vergoeding op basis van de uren die de Principal Counsel en zijn medewerkers aan de zaak hebben besteed (lodestar calculation). Bij die vergelijking is rekening gehouden met het werk dat de Principal Counsel zowel ten behoeve van de Amerikaanse als de niet-Amerikaanse aandeelhouders heeft verricht. Dat is redelijk omdat de Principal Counsel voor beide groepen optrad totdat de niet-Amerikaanse aandeelhouders van de class werden uitgesloten.

Uit de Order van de US District Court van 17 december 2008 blijkt dat de Principal Counsel tot dat moment al 65.000 uren aan de zaak had besteed, met een waarde van USD 24,4 miljoen, en dat in de zaak ingewikkelde feitelijke en juridische kwesties speelden, waarbij een aanmerkelijk risico bestond op een minder of geen resultaat. De vergelijking leidt tot de conclusie dat de lodestar calculation een vergoeding oplevert die niet wezenlijk afwijkt van de gevraagde fee.

6.5.7 Hetgeen hiervoor is overwogen, hebben verweerders niet of niet voldoende concreet weersproken, zodat het hof bij zijn beslissing hiervan zal uitgaan. Het hof acht zich hiermee voldoende voorgelicht over de redelijkheid van de vergoeding en ziet daarom geen reden voor aanvullend onderzoek, zoals verweerders hebben verzocht. Op grond van hetgeen is aangevoerd en gebleken, is het hof van oordeel dat de aan de Principal Counsel toegekende vergoeding redelijk is. De hoogte van die vergoeding maakt dan ook niet dat de hoogte van de vergoeding die resteert voor de niet-Amerikaanse aandeelhouders niet meer redelijk is te noemen.

6.6 Ook voor het overige zijn geen gronden aangevoerd of gebleken die tot het oordeel moeten leiden dat de hoogte van de voor de niet-Amerikaanse aandeelhouders beschikbare vergoeding niet redelijk is. Het hof heeft daarom geen reden het verzoek af te wijzen op gronden die verband houden met de redelijkheid van de vergoeding.

7. Zekerheid voor de voldoening

Het schikkingsbedrag staat op een of meer afzonderlijke bankrekeningen onder beheer van een notaris en er zijn voldoende voorzieningen getroffen om te waarborgen dat het bedrag beschikbaar is en blijft voor uitbetaling aan de niet-Amerikaanse aandeelhouders. Daarmee is voldaan aan de eis die ligt besloten in artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder c, BW.

8. Onafhankelijke vaststelling van de vergoedingen

De administrateur van verzoekers stelt de vergoedingen vast met inachtneming van het Plan van Uitdeling. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam of een onafhankelijk bindend adviseur, mr. E.H. Swaab, advocaat te Amsterdam (Dispute Resolution Body). Daarmee is voldaan aan de eis die ligt besloten in artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder d, BW.

9. Voldoende waarborgen belangen benadeelden

Er zijn ten aanzien van de voorwaarden voor uitkering, de behandeling van de groep benadeelden of anderszins geen redenen om aan te nemen dat de belangen van de benadeelden onvoldoende zijn gewaarborgd. Dat brengt mee dat het bepaalde in artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder e, BW geen reden is voor afwijzing van het verzoek.

10. Representativiteit

10.1 Ingevolge artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder f, BW moet het hof het verzoek afwijzen indien de Stichting en VEB niet voldoende representatief zijn ter zake van de belangen van de niet-Amerikaanse aandeelhouders.

10.2 Het hof heeft in eerdere uitspraken overwogen dat niet is vereist dat iedere verzoeker afzonderlijk representatief is ter zake van de belangen van de gehele groep van personen ten behoeve van wie de overeenkomst(en) is (zijn) gesloten. Voldoende is dat zij gezamenlijk voldoende representatief zijn. Het hof verwijst naar zijn uitspraken van 27 januari 2007,

LJN AZ7033 (Dexia), 29 mei 2009, LJN BI5744 (Shell) en 15 juli 2009, LJN BJ2691 (Vedior). Het hof voegt daaraan toe dat er onvoldoende reden is om daarnaast de eis te stellen dat iedere verzoeker voldoende representatief is voor een groep van voldoende omvang.

10.3 VEB kan voldoende representatief worden geacht ter zake van de belangen van de Nederlandse aandeelhouders. Het hof verwijst naar zijn onder 10.2 genoemde uitspraken.

10.4 De Stichting is – door Converium, ZFS en een van de lead plaintiffs in de Amerikaanse class action – op 18 februari 2009 opgericht om de belangen te behartigen van de niet-Amerikaanse aandeelhouders. De organisatie van de Stichting voldoet aan de uitgangspunten van de sinds 1 januari 2012 geldende Claimcode, met dien verstande dat de Stichting geen Raad van Toezicht kent. Wel is voorzien in (passende) andere vormen van toezicht, met name door participanten en door een onafhankelijke accountant. De Stichting heeft voor het verwezenlijken van haar doelstelling steun gezocht en verkregen van 29 buitenlandse organisaties die de belangen van aandeelhouders vertegenwoordigen en institutionele beleggers. Daaronder zijn ook Europese belangenorganisaties en diverse belangenorganisaties en institutionele beleggers uit landen waarin de meeste bekende niet-Amerikaanse aandeelhouders woonplaats hebben, te weten Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk.

Deze belangenorganisaties en beleggers hebben hun steun tot uitdrukking gebracht als participant door het sluiten van een overeenkomst met de Stichting of als supporter. In dit verband is ook van belang dat de representativiteit van de Stichting niet is betwist en dat geen andere organisatie bekend is die zich de belangen van de niet-Amerikaanse aandeelhouders heeft aangetrokken. Ten slotte komt betekenis toe aan het feit dat de Stichting activiteiten heeft verricht om publiciteit aan de overeenkomsten te geven en die overeenkomsten op grote internationale beleggersconferenties te bespreken.

Deze omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof de Stichting en VEB voldoende representatief ter zake de belangen van de niet-Amerikaanse aandeelhouders, zodat is voldaan aan de eis die ligt besloten in artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder f, BW.

11. Voldoende omvang van de groep

Gelet op het aantal bekende niet-Amerikaanse aandeelhouders is de groep van personen ten behoeve van wie de overeenkomsten zijn gesloten, van voldoende omvang om verbindendverklaring te rechtvaardigen. Daarmee is voldaan aan de eis die ligt besloten in artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder g, BW.

12. De rechtspersoon die de vergoedingen verstrekt, is partij bij de overeenkomst

De vergoedingen worden namens de Stichting verstrekt door de administrateur. De Stichting is partij bij de overeenkomsten, zodat is voldaan aan de eis die ligt besloten in artikel 7:907 lid 3, aanhef en onder h, BW.

13. Toewijsbaarheid verzoek

De conclusie is dat de overeenkomsten voldoen aan de wettelijke eisen en dat er geen wettelijke of andere gronden zijn om het verzoek af te wijzen. Het hof zal het verzoek daarom toewijzen.

14. De opt-outverklaring

14.1 Ingevolge artikel 7:908 lid 2 BW heeft de verbindendverklaring geen gevolg ten aanzien van een gerechtigde tot een vergoeding die binnen een door het hof te bepalen termijn van ten minste drie maanden na de in artikel 1017 lid 3 Rv bedoelde aankondiging van de beschikking door een schriftelijke mededeling aan de in artikel 7:907 lid 2, onder f, BW bedoelde persoon heeft laten weten niet gebonden te willen zijn.

14.2 Verzoekers hebben het hof verzocht de onder 14.1 bedoelde termijn te bepalen op drie maanden, eindigend op de laatste dag van de derde maand volgend op de kalendermaand waarin de onder 14.1 bedoelde aankondiging is gedaan. Het hof heeft geen redenen om anders te beslissen dan is verzocht.

14.3 Voor de gerechtigde tot een vergoeding die bij de onder 14.1 bedoelde aankondiging van de beschikking niet met zijn schade bekend kon zijn, bepalen de overeenkomsten (artikelen VII.A.5) de termijn voor het indienen van de opt-outverklaring op zes maanden nadat de gerechtigde schriftelijk in kennis is gesteld dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding en dat hij zich aan de verbindendverklaring kan onttrekken. Het hof acht die regeling redelijk en in overeenstemming met de wet.

14.4 Het hof heeft er kennis van genomen dat de overeenkomsten toestaan dat de opt-outverklaring zowel schriftelijk als per e-mail kan worden gedaan.

14.5 Blijkens artikel VII.A.4 en 5 dient de opt-outverklaring de naam, het adres en het telefoonnummer en/of e-mailadres van de gerechtigde te bevatten. Die eis is toelaatbaar. Daarnaast zal de gerechtigde worden verzocht informatie te verstrekken over zijn transacties met betrekking tot aandelen in Converium. Het hof acht die regeling aanvaardbaar. Dat de geldigheid van de opt-outverklaring niet afhankelijk kan worden gesteld van het verstrekken van nadere informatie, zoals ook in de overeenkomsten tot uitdrukking is gebracht, vormt geen belemmering nadere informatie te vragen die verzoekers nodig hebben om vast te stellen welke waarde het aandelenbezit van de niet-Amerikaanse aandeelhouders die zich aan de werking van de verbindendverklaring onttrekken, vertegenwoordigt, mede met het oog op het recht van SCOR en ZFS om de overeenkomst op te zeggen (artikel XI van de overeenkomsten).

14.6 De opt-outverklaring moet worden gedaan aan de onder 5.2.6 genoemde administrateur.

15. Kennisgeving en aankondiging van de beschikking

15.1 Verzoekers dienen een kennisgeving van de beschikking, zo spoedig mogelijk nadat deze onherroepelijk is, te verzenden aan de bekende niet-Amerikaanse aandeelhouders in de taal waarin de niet-Amerikaanse aandeelhouders zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De kennisgeving kan worden verzonden bij gewone brief of per e-mail, met dien verstande dat de kennisgeving met inachtneming van het Haags Betekeningsverdrag 1965 moet worden betekend aan niet-Amerikaanse aandeelhouders die woonplaats hebben in Zwitserland.

15.2 De kennisgeving dient ook in al de talen waarin deze wordt verzonden, te worden geplaatst op de onder 4.2.4 genoemde websites.

15.3 De kennisgeving dient in elk geval de informatie te bevatten die is vermeld in onderdeel IV.A.1 onder b van de overeenkomsten.

15.4 Verzoekers kunnen ermee volstaan dat de beschikking zelf en een vertaling daarvan in het Engels is te raadplegen op en is te downloaden van de onder 4.2.4 genoemde websites en op aanvraag is te verkrijgen bij hun administrateur.

Daarnaast zal de beschikking kunnen worden geraadpleegd op en gedownload van de website van het hof (www.rechtspraak.nl onder actualiteiten/dossiers) en tevens voor belanghebbenden op aanvraag verkrijgbaar zijn bij de griffie van het hof.

15.5 Verzoekers dienen verder de beschikking, zo spoedig mogelijk nadat deze onherroepelijk is, aan te kondigen in/op:

- de onder 4.2.3 genoemde nieuwsbladen en de daar genoemde newswires,

- de onder 4.2.4 genoemde websites.

15.6 De aankondiging dient in elk geval de informatie te bevatten die is vermeld in onderdeel IV.A.2 onder b van de overeenkomsten.

16. Beslissing

Het hof:

16.1 verklaart de overeenkomsten van 2 juli 2010, waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht, verbindend voor de niet-Amerikaanse aandeelhouders (zoals omschreven in de artikelen II.A.3, XIII.A.51, XIII.A.55 en bijlage C van de eerste overeenkomst en de artikelen II.A.3, XIII.A.54, XIII.A.60 en bijlage C van de tweede overeenkomst) en hun rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, zoals bedoeld in artikel 7:907 lid 1 BW;

16.2 bepaalt de termijn waarbinnen een niet-Amerikaanse aandeelhouder schriftelijk of per

e-mail kan meedelen niet aan de overeenkomst gebonden te willen zijn, zoals bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW, op drie maanden, eindigend op de laatste dag van de derde maand volgend op de kalendermaand waarin de onder 15.4 bedoelde aankondiging is gedaan;

16.3 bepaalt de termijn waarbinnen een niet-Amerikaanse aandeelhouder die bij de onder 15.5 bedoelde aankondiging niet met zijn schade bekend kon zijn, schriftelijk of per e-mail kan meedelen niet aan de overeenkomst gebonden te willen zijn, zoals bedoeld in artikel 7:908 lid 3 BW, op zes maanden nadat de aandeelhouder schriftelijk in kennis is gesteld dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding en dat hij zich aan de verbindendverklaring kan onttrekken;

16.4 bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking, zowel schriftelijk als electronisch (in pdf) zal verstrekken aan de advocaten van verzoekers en de advocaat van verweerders;

16.5 bepaalt dat verzoekers de onder 15.1 tot en met 15.6 genoemde kennisgevingen en aankondiging zullen doen;

16.6 wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J.J. Los, A.H.A. Scholten en J.W. Rutgers en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2012.