Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
200.091.813-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:3404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

inzake :

de COOPERATIEVE RABOBANK WESTFRIESLAND-OOST U.A.,

gevestigd te Medemblik,

EISERES in het incident,

advocaat: mr. M.V. Vermeij te Alkmaar,

in de zaak van :

[APPELLANT SUB 2],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT in de hoofdzaak, VERWEERDER in het incident,

advocaat: mr. B.J. Mekkelholt te Den Helder,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RAMKEMA & DANGERMOND RESTAURATIE EN RENOVATIE B.V.,

gevestigd te Enkhuizen,

GEÏNTIMEERDE in de hoofdzaak, VERWEERSTER in het incident,

niet verschenen.

De partijen zullen hierna Rabobank, [appellant sub 2] en Ramkema worden genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 14 juli 2011 is [appellant sub 2] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Alkmaar van 29 september 2010 en 22 juni 2011, onder zaak- en rolnummer 121839/HA ZA 10-696 gewezen tussen Ramkema als eiseres en [appellant sub 2] als gedaagde.

Op de dienende dag is tegen Ramkema verstek verleend.

Op de rol van 1 november 2011 heeft [appellant sub 2] overgelegd een beschikking van de rechtbank Alkmaar van 18 juli 2011 waaruit blijkt dat Ramkema onder intrekking van de eerder voorlopig verleende surséance van betaling in staat van faillissement is verklaard.

Bij rolbeslissing van 1 november 2011 is [appellant sub 2] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de bevoegdheid tot schorsing van het geding teneinde de curator van Ramkema, [X], op te roepen op grond van artikel 28 van de Faillissementswet (Fw).

Bij exploot van 21 november 2011 heeft [appellant sub 2] de curator opgeroepen op 29 november 2011 in het geding te verschijnen.

Op de genoemde datum is de curator niet verschenen.

Bij rolbeslissing van 30 november 2011 is [appellant sub 2] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het recht op grond van artikel 27 lid 2 Fw ontslag van instantie te vragen dan wel het hoger beroep voort te zetten buiten bezwaar van de boedel.

Op 13 december 2011 heeft [appellant sub 2] aangegeven het hoger beroep voort te willen zetten.

Bij incidentele conclusie tot tussenkomst met producties van 14 januari 2012 heeft Rabobank gevorderd te worden toegelaten als tussenkomende partij in de tussen [appellant sub 2] en Ramkema bij het hof aanhangige zaak.

[appellant sub 2] heeft geantwoord in het incident en geconcludeerd tot referte.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

IN HET INCIDENT

2 Beoordeling

2.1

Het gaat hier, voor zover voor dit incident van belang, om het volgende. Bij het vonnis van 22 juni 2011 is [appellant sub 2] – kort gezegd – veroordeeld tot betaling aan Ramkema van € 57.490,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 52.432,81 en de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

2.2

Ter motivering van haar incidentele vordering heeft Rabobank aangevoerd dat Ramkema, ten behoeve van met Rabobank gesloten kredietovereenkomsten, zekerheden aan Rabobank heeft verstrekt, waaronder de verpanding van vorderingen op derden bij pandakte van 24 maart 2000 en vervolgpandakte van 14 juli 2011. Volgens Rabobank valt de onder 2.1 bedoelde veroordeling tot betaling onder dit pandrecht en is zij, op grond van artikel 3:246 BW, bevoegd deze in rechte op te eisen. Zij heeft er daarom belang bij tussen te komen in het tussen [appellant sub 2] en Ramkema aanhangige hoger beroep, aldus Rabobank.

2.3

[appellant sub 2] heeft zich ten aanzien van de onderhavige incidentele vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof. [appellant sub 2] heeft het hof verzocht rekening te houden met de mogelijkheid dat de aan het pandrecht van Rabobank ten grondslag liggende vordering op Ramkema inmiddels volledig is voldaan, in welk geval Rabobank geen recht en belang heeft bij de gevorderde tussenkomst.

2.4

Bij de beoordeling van de onderhavige incidentele vordering tot tussenkomst op de voet van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelt het hof voorop dat van een belang van de tussenkomst vorderende partij om benadeling of verlies van een recht te voorkomen dient te blijken. In de regel moet hierbij worden aangenomen dat degene die beweert dat hij, en niet de eiser in de hoofdzaak, de crediteur is van de vordering waarvan in de hoofdzaak voldoening wordt gevorderd, het vereiste belang bij tussenkomst heeft (zie HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313).

2.5

Gelet op de door Rabobank overgelegde stukken is, naar het oordeel van het hof, voldoende gebleken van het door Rabobank gestelde pandrecht, wat overigens door [appellant sub 2] ook niet is betwist. Dat de aan dit pandrecht ten grondslag liggende vordering van Rabobank op Ramkema inmiddels volledig is voldaan, is door [appellant sub 2] niet gesteld, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Indien de vordering van Rabobank inmiddels geheel is voldaan, ligt in de rede dat zij – bij gebrek aan belang – tegen de door [appellant sub 2] aan te voeren grieven geen verweer zal voeren. Gezien het voorgaande acht het hof het vereiste belang bij tussenkomst als hiervoor onder 2.4 bedoeld, bij Rabobank aanwezig. De conclusie is dat de incidentele vordering tot tussenkomst toewijsbaar is.

2.6

De beslissing met betrekking tot de proceskosten van dit incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

2.7

In de hoofdzaak zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van [appellant sub 2].

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

staat toe dat Rabobank in de procedure met zaaknummer 200.091.813/02 tussenkomt;

houdt de beslissing over de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak eindarrest zal worden gewezen;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 15 mei 2012 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant sub 2];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en C. Uriot en op 3 april 2012 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.