Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:748

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
200.073.057-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1163. Het bewijs van de ontvangst door de advocaat van appellant van de brief van 11 september 2003 is niet geleverd. De verjaring van de bevoegdheid van Pegroam het verstekvonnis ten uitvoer te leggen is niet gestuit en genoemde bevoegdheid is (op 28 mei 2007) verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaaknummer 200.073.057/01

10 april 2012 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER


ARREST

in de zaak van:

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , [land] ,

APPELLANT,

advocaat: mr. [A] te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PEGROAM B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. R.E. Jonen te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en Pegroam genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 29 maart 2011 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest (verder: het tussenarrest).

Pegroam heeft als getuigen doen horen mr. [A] , [appellant] en mr. [B] . Van de desbetreffende (twee) terecht-zittingen is telkens proces-verbaal opgemaakt. [appellant] heeft vervolgens afgezien van contra-enquête.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij het tussenarrest heeft het hof Pegroam in het kader van de behandeling van grief 4 opgedragen om, desgewenst door het horen van getuigen, te bewijzen dat de ten processe be-doelde brief van mr. [B] aan mr. [A] van 11 september 2003 is ontvangen.

2.2.

Het hof acht Pegroam in deze bewijslevering niet geslaagd. Niet alleen heeft geen der getuigen (met zoveel woorden) verklaard dat mr. [A] de bewuste brief heeft ontvangen (mr. [A] heeft als getuige juist verklaard de brief níet te hebben ontvangen), de getuigen hebben evenmin iets verklaard waaruit de ontvangst van de brief door mr. [A] valt af te leiden.

2.3.

Reeds omdat er niet van kan worden uitgegaan dat de brief van mr. [B] van 11 september 2003 door mr. [A] is ontvangen, is de verjaring van de bevoegdheid van Pegroam het verstekvonnis ten uitvoer te leggen niet gestuit en is genoemde bevoegdheid (op 28 mei 2007) verjaard. Grief 4 is dus gegrond.

2.4.

Pegroam heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, indien juist, nopen tot het oordeel dat [appellant] zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te dezen niet op verjaring kan beroepen.

2.5.

Op grond van het slagen van grief 4 kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. De door [appellant] gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen in voege als in het dictum te melden, evenals de vordering tot staking van de executie van het verstekvonnis. Ter voorkoming van verdere problemen tussen partijen wordt overwogen dat het eventueel aanwenden door Pegroam van een rechtsmiddel tegen dit arrest niet als een maatregel ter executie van het verstekvonnis kan worden beschouwd en dus buiten het uit te spreken bevel valt. Tot het opleggen van een dwangsom ziet het hof geen aanlei-ding. De vordering tot vergoeding van de kosten die [appellant] heeft gemaakt “ten gevolge van de onrechtmatige tenuitvoerlegging” door Pegroam van het verstekvonnis zal worden afgewezen, omdat [appellant] deze na de betwisting ervan door Pegroam op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd, toegelicht en onderbouwd.

2.6.

Pegroam zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010 (zaak- en rolnummer 428700/HA ZA 09-1661), waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat het recht van tenuitvoerlegging van het ten processe bedoelde verstekvonnis van 17 juni 1982 is verjaard;

veroordeelt Pegroam de tenuitvoerlegging van laatstgenoemd vonnis te staken;

verwijst Pegroam in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van [appellant] begroot voor wat betreft de eerste aanleg op € 347,98 wegens verschotten en € 1.130,= wegens salaris van de advocaat, voor wat betreft het hoger beroep tot op heden op € 401,93 wegens verschotten en € 2.682,= wegens salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, R.J.M. Smit en

J.W. Rutgers, en is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2012 door de rolraadsheer.