Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:744

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
106.006.035-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering van bank met betrekking tot voormalige directeur aan wiens nieuwe werkgever een integriteitsverklaring af te geven. Onrechtmatig, nu niet gebleken is dat de ex – directeur niet integer was. Na bewijsvoering volgt bekrachtiging van de verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0852

Uitspraak

(rolnummer 1933/06)

27 maart 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats]

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. E.C. Stratenus te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Partijen zullen hierna worden aangeduid als ABN AMRO en [geïntimeerde].

1.2

Voor de loop van het geding tot 2 november 2010 verwijst het hof naar het op die datum uitgesproken (tweede) tussenarrest.

1.3

Bij dit arrest is ABN AMRO in de gelegenheid gesteld de in de overwegingen 4.8 en 4.13 van het (eerste) tussenarrest van 7 oktober 2008 genoemde stellingen alsnog te bewijzen. ABN AMRO heeft op 20 januari 2011 vijf getuigen doen horen. [geïntimeerde] heeft in contra-enquête op 25 juli 2011 zichzelf als getuige doen horen.

1.4

Vervolgens heeft ABN AMRO een memorie na getuigenverhoor tevens akte aanvullende grief genomen en daarbij producties in het geding gebracht. Daarop heeft [geïntimeerde] bij akte na enquête – eveneens met producties - gereageerd. Hierna heeft ABN AMRO nog een akte uitlaten producties genomen.

1.5

Partijen hebben ten slotte wederom arrest gevraagd op de processtukken van beide instanties.

2 Verdere beoordeling

2.1

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of [geïntimeerde] integer was in de zin van de Integriteitscode van de NVB en of ABN AMRO al dan niet terecht heeft geweigerd een zogenoemde integriteitsverklaring af te geven aan MeesPierson toen

MeesPierson daarom bij brief van 12 mei 2005 verzocht nadat [geïntimeerde] op 1 mei 2005 in dienst was getreden bij Fortis Bank (Nederland) N.V. in de functie van relatiemanager bij

MeesPierson.

2.2

In het (eerste) tussenarrest van 7 oktober 2008 is overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of ABN AMRO al dan niet terecht heeft geweigerd een zogenoemde integriteitsverklaring aan MeesPierson af te geven, de in de overwegingen 4.8, 4.13 en 4.18 van dat arrest besproken stellingen van ABN AMRO van belang kunnen zijn alsmede haar in de overwegingen 4.9 en 4.14 besproken stellingen. In het eerste tussenarrest is ABN AMRO vervolgens toegelaten tot het bewijs van haar in de overwegingen 4.8, 4.13 en 4.18 van dat arrest genoemde stellingen en is voorts overwogen dat ABN AMRO met betrekking tot het in de overwegingen 4.9 en 4.14 besproken gedrag van [geïntimeerde] haar stellingen bij akte nader zou mogen toelichten. [geïntimeerde] zou vervolgens eveneens bij akte mogen reageren. In overweging 4.19 van het eerste tussenarrest is ten slotte bepaald dat ABN AMRO zou mogen bepalen of zij er de voorkeur aan gaf eerst getuigen te (doen) horen of eerst een aktewisseling wilde laten plaatsvinden. Partijen hebben

vervolgens getuigen doen horen en memories na enquête genomen, maar de bedoelde aktewisseling heeft (nog) niet plaatsgevonden. ABN AMRO heeft ook niet te kennen gegeven dat zij van het nemen van een akte afziet. ABN AMRO zal daarom in de gelegenheid worden gesteld zich alsnog bij akte uit te laten als bedoeld in de overwegingen 4.9 en 4.14 van het eerste tussenarrest. Indien zij van die gelegenheid gebruik maakt zal [geïntimeerde], eveneens bij akte, mogen reageren.

2.3

Thans wordt voorts reeds het volgende overwogen. In haar memorie na getuigenverhoor tevens akte aanvullende grief stelt ABN AMRO dat zich na het horen van getuigen over de stellingen van ABN AMRO, genoemd in de overwegingen 4.8 en 4.13 van het eerste tussenarrest, een “novum” heeft voorgedaan met betrekking tot het achterhouden van bankstukken door [geïntimeerde]. ABN AMRO stelt dat zij onlangs bekend geworden is met het feit dat [geïntimeerde], anders dan hij heeft gesteld, niet alle stukken van ABN AMRO, die hij op dat tijdstip onder zich had, op

3 september 2004 aan haar heeft afgegeven zonder daarvan kopieën te behouden. [geïntimeerde] heeft, zo voert zij aan met het oog op zijn verdediging in deze procedure, bewust een grote hoeveelheid bankstukken achter gehouden, waaronder financiële gegevens over [X] en gevoelige gegevens over rekeninghouders van de bank, die hij kort te voren moet hebben gekopieerd. Niet alleen uit het feit dat [geïntimeerde] stukken heeft achtergehouden maar ook uit het feit dat hij daaromtrent heeft gelogen blijkt dat hij niet integer was, aldus ABN AMRO. Het hof overweegt als volgt.

2.4

In het eerste tussenarrest heeft het hof (in overweging 4.5) de door ABN AMRO aangevoerde voorbeelden van – in haar visie – niet–integer gedrag van [geïntimeerde] opgesomd, waaronder “het feit dat tijdens de onderhandelingen (tussen partijen) op 26 augustus 2004 bleek dat [geïntimeerde] in strijd met de daarvoor geldende regels interne stukken van ABN AMRO thuis had”. Hieromtrent is in dat arrest onder 4.17 overwogen:

“Het enkele thuis hebben door [geïntimeerde] van stukken van de bank (personeelsdossiers en bankdocumentatie van klanten) maakt hem niet niet-integer in de zin van de code ook al handelde [geïntimeerde] daarmee in strijd met de interne richtlijnen van de bank. Dat zou mogelijk anders geweest zijn als [geïntimeerde] die stukken ongeoorloofd, bijvoorbeeld in contacten met derden, zou hebben gebruikt dan wel dergelijk gebruik beoogde. Dat daarvan sprake is geweest, heeft ABN AMRO niet gesteld en is ook niet gebleken.”

2.5

Dat [geïntimeerde] op 3 september 2004 niet alle stukken van ABN AMRO, die hij op dat moment onder zich had, aan haar heeft afgegeven en dat hij toen wel heeft verklaard dat hij alles afgegeven had, heeft ABN AMRO in eerste aanleg niet als grond voor het weigeren van de integriteitsverklaring aangevoerd. Zij voert ter zake thans derhalve een nieuwe grond aan (die zij presenteert als nieuwe grief). Het in dit stadium van de procedure inbrengen van een nieuwe grond, waarop de integriteitsverklaring destijds terecht zou zijn geweigerd is tardief. Dat zou alleen anders zijn als aan die “nieuwe” grond een of meer feiten ten grondslag gelegd waren die ABN AMRO eerder niet bekend waren en haar ook niet eerder bekend konden zijn. Daarvan is in dit geval, anders dan ABN AMRO betoogt, geen sprake. Bij de ter rolle van 3 mei 2006 door [geïntimeerde] in de procedure in eerste aanleg genomen conclusie van repliek heeft [geïntimeerde] als producties 16, 17 en 18 een aantal stukken in het geding gebracht, waaromtrent ABN AMRO in haar vervolgens genomen conclusie van dupliek opmerkt:

“Nu legt [geïntimeerde] bij repliek producties over die doen vermoeden dat hij nog altijd beschikt over vertrouwelijke bank-documenten. Producties 16, 17 en 18 behoren tot de stukken die [geïntimeerde] op 3 september 2005 (hof: bedoeld zal zijn 2004) inleverde en waarvan hij dus geen kopieën zou mogen bezitten. Productie 18 draagt nota bene het opschrift “strikt vertrouwe-lijk”.

Zowel het feit dat [geïntimeerde] ook na 3 september 2004 stukken van ABN AMRO thuis had als het feit dat hij kennelijk ten onrechte heeft verklaard dat hij alle stukken had afgegeven, waren ABN AMRO in ieder geval vanaf 3 mei 2006 bekend. De door ABN AMRO aangevoerde “nieuwe“ grond wordt daarom als tardief aangevoerd buiten beschouwing gelaten.

2.6

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

stelt ABN AMRO in de gelegenheid bij ter rolle van 24 april 2012 te nemen akte haar in de overwegingen 4.9 en 4.14 van het tussenarrest van 7 oktober 2008 genoemde stellingen nader toe te lichten;

bepaalt dat, indien ABN AMRO van deze gelegenheid gebruik maakt, [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld – eveneens bij akte – op de akte van ABN AMRO te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, A.M.A. Verscheure en D. Kingma en is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012 door de rolraadsheer.