Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:538

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
23-000544-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3087, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Zuil: criminele drugsorganisatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000544-10

datum uitspraak: 16 maart 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 30 december 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-971002-08 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,

[PI-adres] .

Omvang hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Haarlem vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 en 7 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 1 en 16 december 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 16 februari 2011, 8 en 13 juli 2011, 5 en 7 oktober 2011, 8, 10, 13, 14, 15 en 17 februari 2012 en 2 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 december 1996 tot en met 28 juli 2008 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout en/of Breda, in elk geval in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Frankrijk heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het invoeren en/of uitvoeren en/of bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van verdovende middelen, te weten hash en/of weed en/of hennep en/of cannabis, althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of cocaïne en/of heroïne (diamorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of het witwassen van één of meerdere geldbedrag(en); (Zaak B00)

feit 2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 20 april 1999 te Waalwijk en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of te Hull en/of te Bexhill, in elk geval in Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 400.000 gram hash en/of weed en/of hennep en/of cannabis, althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, althans (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (Zaak B01)

feit 3:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 april 1999 tot en met 31 december 1999 te Waalwijk en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of te Hull en/of te Bexhill, in elk geval in Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens)

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 400.000 gram hash en/of weed en/of hennep en/of cannabis, althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, althans (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; (zaak B01)

feit 4:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 16 maart 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 35 kilogram en/of 75 kilogram heroïne

(diamorfine) in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003 tot en met 8 juni 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of Engeland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (ongeveer) 35 en/of 75 kilogram heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) één of meer (handels) hoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diamorfine),

zijnde heroïne (diamorfine) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behoren lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende/zijn/is, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

  • -

    één of meer ontmoetingen gehad en/of contacten onderhouden met betrekking tot het bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) van voornoemde (handels)hoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine) en/of

  • -

    een auto (merk Jeep) voor 4000 euro verkocht aan één of meer van zijn mededader(s), waarin voornoemde één of meer handelshoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine) werd/werden vervoerd

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[D.S.] en/of [A. de J.] en/of [E. vd V.] en/of [G.C. ] en/of [F.B.] en/of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 16 maart 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans allen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 35 kilogram en/of 75 kilogram heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 16 maart 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [A. de J.] en/of [G.C. ] en/of (een) of meer andere tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een auto (merk Jeep) te verkopen voor 4000 euro waarin voornoemde hoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine) werd/werden vervoerd. (Zaak B04)

feit 5:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003 tot en met 8 juni 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of Spanje en/of Engeland en/of België en/of Italië tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1 miljoen (XTC-)pillen, althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003 tot en met 8 juni 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of Engeland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (ongeveer) 35 en/of 75 kilogram heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) één of meer (handels) hoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diamorfine),

zijnde heroïne (diamorfine) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behoren lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende/zijn/is, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

  • -

    één of meer ontmoetingen gehad en/of contacten onderhouden met betrekking tot het bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) van voornoemde (handels)hoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine) en/of

  • -

    een auto (merk Jeep) voor 4000 euro verkocht aan één of meer van zijn mededader(s), waarin voornoemde één of meer handelshoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine) werd/werden vervoerd

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[D.S.] en/of [A. de J.] en/of [E. vd V.] en/of [G.C. ] en/of [F.B.] en/of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks de periode van 17 maart 2003 tot en met 8 juni 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans allen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 35 kilogram en/of 75 kilogram heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003 tot en met 8 juni 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [A. de J.] en/of [G.C. ] en/of (een) of meer andere tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een auto (merk Jeep) te verkopen voor 4000 euro waarin voornoemde hoeveelhe(i)d(en) heroïne (diamorfine) werd/werdern vervoerd (zaak B04).


feit 6:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 16 maart 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of Spanje en/of Engeland en/of België en/of Italië tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1 miljoen

(XTC-)pillen, althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet; (zaak B05)

feit 7:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003 tot en met 31 december 2003 te Waalwijk en/of Oosterhout en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of Spanje en/of Engeland en/of België en/of Italië tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1 miljoen (XTC-)pillen, althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, althans (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. (zaak B05)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie/bewijsuitsluiting

Het hof is van oordeel dat waar het de vervolging van de feiten 2 en 3 op de tenlastelegging betreft het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging is, voor zover de vervolging ziet op andere feiten dan de uitvoer van de daar bedoelde middelen, nu die feiten bij aanvang van de vervolging reeds waren verjaard.

De raadsman heeft, in navolging van zijn pleidooi in eerste aanleg, aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, althans dat de verklaringen van [G.C. ] (het hof begrijpt: in zijn eigen zaak als verdachte afgelegd) niet kunnen bijdragen tot het bewijs.

Het hof stelt vast dat de raadsman geen nieuwe feiten of omstandigheden aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd dan in eerste aanleg. Als onderbouwing in eerste aanleg gold dat in de cassatieschriftuur van [A. de J.] was aangevoerd dat het bewijs in de zaak tegen [A. de J.] onrechtmatig was verkregen, doordat met betrekking tot de contacten met [G.C. ] Duitse politieambtenaren in Nederland hebben geopereerd zonder dat daarvoor toestemming was gegeven, alsmede dat de raadsman op grond van de hem ter beschikking staande stukken niet heeft kunnen afleiden dat destijds tussen de Nederlandse en de Duitse autoriteiten passend overleg heeft plaatsgevonden dan wel toestemming was gegeven op grond waarvan de Duitse politie op Nederlands grondgebied mocht opereren. Als gevolg daarvan heeft de raadsman niet kunnen controleren of de formaliteiten van de Nederlandse wetgeving zijn nageleefd, hetgeen moest leiden tot de door de raadsman bepleite conclusie.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat de toepassing van art. 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem ten laste gelegde feit. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Voor zover in de Duitse zaak van [G.C. ] al sprake zou zijn van enige onrechtmatigheid met betrekking tot infiltratieactiviteiten door Duitse politieambtenaren is het aan de Duitse rechter om een dergelijke schending te sanctioneren binnen de tegen [G.C. ] ingestelde procedure.

Dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen is overigens niet aannemelijk geworden. Uit het Duitse strafvonnis van [G.C. ] , dat zich in het dossier bevindt, blijkt niet van enig zodanig onrechtmatig handelen. Ook uit het Duitse strafvonnis van [A. de J.] blijkt dit niet. De raadsman heeft zijn stelling dat in de zaak van de verdachte sprake zou zijn van schending van essentiële voorschriften en bepalingen van het Wetboek van Strafvordering niet nader onderbouwd en gemotiveerd. De enkele verwijzing naar een cassatieschriftuur van [A. de J.] in diens Duitse zaak, waarin een beroep wordt gedaan op onrechtmatig verkregen bewijs in die zaak en de enkele stelling dat niet vast kan worden gesteld of er passend overleg met dan wel toestemming is verleend door de Nederlandse autoriteiten voor een dergelijke infiltratieactie in de zaak van [G.C. ] , is daartoe onvoldoende.

Het verweer wordt op alle onderdelen verworpen.

Bespreking van een aantal bewijsverweren en bewijsoverwegingen

Verweren met betrekking tot de getuige [G.C. ]

De verdediging heeft in de zaken in het onderzoek Zuil, ook in de zaak van de verdachte, verweren gevoerd die zien op de betrouwbaarheid van de getuige [G.C. ] en daaraan conclusies verbonden met betrekking tot de bruikbaarheid van die verklaringen voor het bewijs. In een aantal gevallen heeft de verdediging betoogd dat die verklaringen, omdat zij onbetrouwbaar zijn, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Zo heeft de verdediging betoogd dat de verklaringen van [G.C. ] met behoedzaamheid moeten worden gebruikt en minder bewijswaarde moeten worden toegekend dan de verklaringen van gewone getuigen, gelet op een aantal raakvlakken die zijn positie vertoont met die van een zogenaamde kroongetuige (als bedoeld in artikel 226a Sv). Het afleggen van een verklaring heeft in zijn eigen strafzaak in Duitsland immers voordelen meegebracht, waarbij belangen, anders dan het uitsluitend vertellen van de waarheid een rol kunnen spelen. Dit klemt te meer, omdat [G.C. ] in de Duitse zaak nimmer door de verdediging van de medeverdachten in die zaak kritisch is bevraagd. Er is geen reden de verklaringen die [G.C. ] in 2009 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd ter zijde te stellen en meer geloof te hechten aan zijn verklaringen afgelegd bij de politie, een en ander zoals de rechtbank kennelijk heeft gedaan.

Ook heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de getuige op diverse onderdelen tegenstrijdig zijn of soms aantoonbaar onjuist, van horen zeggen, en door andere (voormalige) verdachten in dit dossier worden weersproken. Anderzijds is tevens door een aantal raadslieden aangevoerd dat het ‘gevaar’ van de verklaringen van [G.C. ] nu juist gelegen is in het feit dat zij op vele punten juist zijn gebleken en dat juist daardoor ook de – in de ogen van de verdediging – onjuiste onderdelen van die verklaringen voor waar worden aangenomen.

De verweren lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Het hof overweegt als volgt.

De getuige [G.C. ] is talrijke malen gehoord verspreid over een periode van vele jaren. Hij is gehoord door politieambtenaren en rechters. De verdediging is meermalen in de gelegenheid geweest hem vragen te stellen. Zijn verklaringen beslaan honderden pagina’s en betreffen uiteenzettingen over een grote hoeveelheid personen en gebeurtenissen, waarover hij niet alleen in grote lijnen verklaart, maar ook in detail. Daarbij geeft hij ook een uitgebreide uiteenzetting van door hem zelf gepleegde strafbare feiten, ook van feiten die op dat moment aan de politie nog niet bekend waren.

Zoals de verdediging heeft betoogd vallen zeker een aantal verschillen waar te nemen tussen zijn verklaringen, onder meer tussen die afgelegd bij de politie en die tegenover de rechter-commissaris en laatstelijk de raadsheer-commissaris. Ook is het zo, dat het hem ten voordele heeft gestrekt bij de afdoening van zijn eigen strafzaak om tegenover de Duitse politie en justitie verklaringen af te leggen. Dit neemt echter niet weg dat moet worden geconstateerd dat zijn verklaringen over het algemeen consistent zijn. Ook worden zijn verklaringen op tal van onderdelen bevestigd door verklaringen van anderen of ander bewijsmateriaal. In de paragrafen 3.6.1 tot en met 3.6.3 van het requisitoir geeft het openbaar ministerie daarvan een groot aantal voorbeelden. Het hof verwijst daarnaar en neemt die hier over. Voor zover hij de auditu heeft verklaard wordt daarvan veelal door de getuige melding gemaakt. Dat de getuige bij het afleggen van zijn verklaringen gemotiveerd is geweest om anderen ten onrechte te belasten met het oog op strafvermindering is, mede ook gezien de bevestiging door ander bewijsmateriaal van zijn verklaringen op voornoemde punten, niet aannemelijk geworden. Dat er verschillen waarneembaar zijn tussen de onderscheiden verklaringen is op zichzelf niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verklaringen als geheel niet betrouwbaar zijn en zich voor bewijsgebruik niet lenen. Dit hangt immers te zeer af van de inhoud van (onderdelen van) de desbetreffende verklaring en de samenhang met ander bewijsmateriaal. Ook speelt daarbij een rol, welke achtergrond die verschillen kunnen hebben. In dit geval kan daarover worden opgemerkt dat de getuige daarvoor soms zelf een verklaring heeft gegeven, te weten dat hij zichzelf in eerste instantie minder strafwaardig wilde voordoen dan hij was. Ook is aannemelijk dat het tijdsverloop een rol heeft gespeeld en dat herinneringen aan het precieze verloop van gebeurtenissen zijn vervaagd. De omstandigheid dat anderen, waaronder verdachten in het feitencomplex Zuil, zijn verklaringen hebben weersproken, doet daaraan niet af.

De beschouwing van een en ander leidt tot het oordeel dat de verklaringen van [G.C. ] in beginsel voldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen. Hetgeen de verdediging op dit punt overigens naar voren heeft gebracht maakt dat niet anders.

Het hof zal bij het concrete gebruik van de onderdelen van de verklaringen van de getuige natuurlijk wel de nodige behoedzaamheid in acht nemen. Zo zullen die onderdelen worden bezien in het licht van het andere bewijsmateriaal en kan het bewijs dat een verdachte betrokken is bij een strafbaar feit niet worden aangenomen op alleen de verklaring van de getuige of indien het overig bewijs te weinig gewicht in de schaal legt. Indien (onderdelen) van een verklaring mede gelet op een andere door de getuige afgelegde verklaring te veel twijfels oproepen omtrent hetgeen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zal van bewijsgebruik geen sprake kunnen zijn. Die onderdelen van de verklaringen van de getuige, die het hof voor het bewijs gebruikt, acht het hof echter voldoende betrouwbaar en voor bewijsgebruik geschikt. Zo nodig zal het hof zich daarover in een nadere bewijsoverweging nader verantwoorden bij de bewijsvoering van de afzonderlijke feiten.

Gelet op het voorgaande worden de verweren die op dit punt door de verdediging zijn gevoerd verworpen.

Verweren ten aanzien van een criminele organisatie, beschouwingen omtrent het bewijs van het bestaan daarvan en het deelnemen van de verdachte

Wettelijk en juridisch kader (criminele) organisatie

Aan de verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft misdrijven te plegen. Dit is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr en – voor zover het gaat om bepaalde misdrijven omschreven in de Opiumwet – sinds 1 juli 2006 in artikel 11 a van de Opiumwet. De verdediging heeft verweren gevoerd die ertoe strekken dat de verdachte aan zo’n organisatie niet heeft deelgenomen en vrijspraak moet volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 140, eerste lid, Sr luidt (en luidde, afgezien van de maximale strafbedreiging, die met ingang van 26 februari 1999 met een jaar werd verhoogd, in de in de tenlastelegging bedoelde perioden):

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven, waarop de organisatie het oog heeft, zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een deelnemer aan de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers daaraan zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Niet is vereist dat een deelnemer aan de organisatie enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Een persoon is strafbaar louter vanwege zijn (opzettelijke) deelneming aan die organisatie.

Volgens bestendige jurisprudentie moeten onder een organisatie en deelneming daaraan als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan:

Een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.

Niet is vereist dat het samenwerkingsverband steeds uit dezelfde personen bestaat of dat alle deelnemers elkaar kennen. Evenmin is vereist dat ten aanzien van alle deelnemers blijkt van een gestructureerde vorm van samenwerking met een of meer andere deelnemers aan de organisatie. Wel is vereist dat de deelnemers opzet hadden op het deelnemen aan deze organisatie, waartoe het voorwaardelijk opzet onvoldoende is. Daartoe dient vast komen te staan dat zij gedurende zekere tijd hebben samengewerkt met tenminste een van de andere deelnemers aan de organisatie en dat zij in zijn algemeenheid weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Die samenwerking dient voorts te hebben bestaan uit het hebben van een aandeel in -, of het leveren van een bijdrage aan gedragingen, die strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Feitelijke invulling

Het bestaan van een organisatie

Het hof stelt het volgende vast.

Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van [M.S.] , [S.S.] , [G.C. ] en [M. Sch] komt ten aanzien van hun eigen rol en die van [A. de J.] het volgende naar voren.

[M.S.] is vroeg in de jaren negentig van de vorige eeuw een samenwerking begonnen met [A. de J.] op het gebied van de smokkel van hasjiesj. Na korte tijd is ook [S.S.] hieraan gaan deelnemen. De smokkel verliep onder meer via bedrijven die door deze personen werden opgericht dan wel overgenomen. [A. de J.] voerde besprekingen over de (aan)levering van de drugs en het daarmee gemoeide geld, [M.S.] regelde de transporten. [S.S.] ’s taak bestond hoofdzakelijk uit het inpakken van de hasjiesj in dekladingen, maar ook uit het oprichten van bedrijven als dekmantel, samen met zijn vader en [A. de J.] . Aan dit samenwerkingsverband nam vanaf 1997 de toen in Duitsland wonende [G.C. ] deel, en, alleen in dat jaar, ook [M. Sch] . Zij werden door [A. de J.] benaderd om dekmantelbedrijven op te richten en het vervoer te verzorgen van de zogenoemde ‘Estlandtransporten’; de transporten van enkele tonnen hasjiesj vanuit Estland via Duitsland naar Nederland, van waaruit ze werden doorgesmokkeld naar Engeland. Deze transporten vonden plaats in het jaar 1997.

Vanaf het eind van de jaren negentig organiseerde dezelfde groep personen opnieuw een aantal transporten hasjiesj naar Engeland, in eerste instantie nog vanuit Nederland, maar later vanuit Spanje en Portugal via België.

In of rond 2002, toen in de handel in softdrugs steeds minder te verdienen viel, besloten [A. de J.] en [G.C. ] zich ook met de handel in harddrugs te gaan bezighouden. Vanaf 2000 hadden [A. de J.] , [B.S.] en [M.S.] al gesprekken in die richting gehad. Enige tijd later, begin 2003, zijn [M.S. en S.S.] uit het samenwerkingsverband gestapt. [A. de J.] en [G.C. ] gingen echter door, waarbij ook daadwerkelijk werd overgegaan tot het smokkelen van harddrugs, zoals heroïne, cocaïne en XTC. In ieder geval vanaf 2002 reisden [A. de J.] en [G.C. ] regelmatig naar Engeland om geld, afkomstig van drugstransacties, op te halen en via deels onbekend gebleven kanalen in andere valuta te wisselen en terug te sluizen naar het samenwerkingsverband van [A. de J.] en de zijnen. [A. de J.] is in december 2003 in Engeland aangehouden op verdenking van witwassen en daarvoor ook in Engeland veroordeeld. Bij zijn aanhouding had [A. de J.] een grote hoeveelheid Engelse en Schotse ponden voorhanden. Uiteindelijk zijn [G.C. ] en [A. de J.] in Duitsland (onderzoek Rampe) aangehouden in respectievelijk juli 2004 en april 2005 voor onder meer de handel in genoemde verdovende middelen.

De boekhouding van [A. de J.] en de daarin vermelde gegevens

In het dossier speelt de digitale administratie die onder [A. de J.] in beslag is genomen bij zijn aanhouding op verdenking van witwassen in Engeland op 11 december 2003 een belangrijke rol, voor zover het na te noemen periode betreft. Het gaat daarbij om bestanden die zijn aangetroffen op een zogenoemde palmtop (Sony), die [A. de J.] bij zijn aanhouding bij zich droeg en op een laptop (Asus), die in de hotelkamer van [A. de J.] werd gevonden. Zowel van de bestanden op de palmtop als van die op de laptop zijn door de Engelse politie duplicaten (images) gemaakt, die op twee afzonderlijke CD-roms zijn gezet. Deze CD-roms zijn in het kader van een daartoe strekkend rechtshulpverzoek door de Engelse autoriteiten aan het Nederlandse onderzoeksteam Zuil (dienst nationale recherche) overgedragen (dossierpagina’s AE-4-013 – AE-4-021). Ook door Duitsland zijn deze gegevens, die door Duitsland in het kader van het eigen onderzoek naar [A. de J.] , genaamd Rampe, vanuit Engeland waren verkregen, middels een rechtshulpverzoek aan het Nederlandse onderzoeksteam ter beschikking gesteld (dossierpagina’s AE-1-2009 – AE-1-2057). Vastgesteld kan worden dat het derhalve om dezelfde bestanden gaat.

Uit onderzoek door een digitaal rechercheur van de dienst nationale recherche is gebleken dat de palmtop is gesynchroniseerd met de laptop, en wel voor het laatst op 30 juni 2003 (dossierpagina’s AE-4-082 e.v.). Hoewel [A. de J.] nimmer vragen omtrent de inhoud van de palmtop en de laptop heeft willen beantwoorden, bestaat er gelet op de duidelijke relatie tussen de palmtop en de laptop en [A. de J.] , geen enkele twijfel over dat [A. de J.] degene was die de bestanden gebruikte en beheerde.

De op de palmtop en de laptop aangetroffen bestanden bevatten een agenda “Calender for [A. de J.] ”, een telefoonlijst “Contacts for [A. de J.] ”, notities “Memos for [A. de J.] ” (op de palmtop) en een boekhouding bestaande uit de bestanden Kas en Kas A, het bestand NL, het bestand GB, het bestand A+D-overzicht, een bestand aangeduid als Nov 2003 alsmede de bestanden Date.pst en Memo (op de laptop) (dossierpagina’s AE-4-082 - AE-4-389). De boekhouding beslaat de periode van medio 2002 tot eind 2003.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze boekhouding niet anders kan worden geduid dan als een verdovende middelenadministratie van een criminele organisatie, die door [A. de J.] mede ten behoeve van – de eveneens daarin opgenomen – [D.S.] werd opgesteld en bijgehouden. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in het vonnis van 30 december 2009 daartoe heeft overwogen in de alinea’s te beginnen met: “In deze boekhouding worden bedragen in combinatie met termen als soaps, skunk, buttons, brandy, sugar en spijkers regelmatig genoemd.” tot en met: “Ook [G.C. ] heeft, toen hij werd geconfronteerd met het kas.xls bestand, verklaard dat de aantekening “D” staat voor [D.S.] .” en vervolgens de alinea’s vanaf: “De aanhef van het bestand Kas verwijst naar het oordeel van de rechtbank duidelijk naar personen, nu daar behalve “D” alleen afkortingen van namen staan zoals Ma, Ar, Ser, Stef+Bert, Eddie+Roger, Genaro etc.” tot en met: “Deze namen worden als voor- of achternaam genoemd in de telefoonlijst die in de palmtop is aangetroffen alsmede in de boekhouding in combinatie met bedragen en de eerder aangehaalde terminologie voor verdovende middelen.”. Het hof maakt deze overwegingen van de rechtbank tot de zijne.

Het hof gaat er daarnaast van uit, mede in het licht van de afgelegde verklaringen, maar ook gezien de aanduidingen met (delen) van voornamen dan wel bijnamen, terwijl niet gebleken is dat anderen met dergelijke namen aan de organisatie hebben deelgenomen, dat met “Ma” [M.S.] is bedoeld, met “Se” [S.S.] , met “Ar/A” [A. de J.] met “Genaro/Gennaro” [G.C. ] , met “Bert” de verdachte [B.S.] , met “Frank /Paco” de verdachte [F.B.] en met “Ari/Ario” de [verdachte] .

De aard en samenstelling van de verdovende middelen

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat in voldoende mate vaststaat, dat de stoffen die de organisatie rond [A. de J.] verhandelde en vervoerde daadwerkelijk verdovende middelen als bedoeld in de Opiumwet betroffen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Met betrekking tot de hasjiesj geldt dat een aantal malen door de organisatie vervoerde transporten door de (buitenlandse) autoriteiten zijn onderschept en dat vervolgens middels forensisch deskundigenonderzoek is vastgesteld, dat het daadwerkelijk om hasjiesj ging. Mede op grond daarvan acht het hof bewezen dat de bewezen verklaarde transporten ter zake ook daadwerkelijk betrekking hadden op hasjiesj als vermeld op lijst 2 van de Opiumwet.

Met betrekking tot de harddrugs geldt dit echter niet. Het hof acht, evenals de rechtbank, dat echter geen beletsel om toch aan te nemen dat het telkens daadwerkelijk ging om middelen of substanties die onder de Opiumwet vallen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank hieromtrent, zoals weergegeven in het vonnis van 30 december 2009 in de alinea’s vanaf: “Hoewel er slechts partijen met hasjiesj en XTC door de politie zijn onderschept, is de rechtbank van oordeel dat in alle gevallen waarin kennelijk gehandeld werd in hasjiesj, weed, heroïne, cocaïne en XTC dit ook daadwerkelijk middelen of substanties betroffen die onder de Opiumwet vallen en dat geen sprake kan zijn van daarop gelijkende middelen.” tot en met: “Onder diverse codenamen werd nauwkeurig onderscheid gemaakt tussen diverse drugs en aan verschillende verdovende middelen hingen verschillende prijskaartjes.” over en maakt deze tot de zijne.

Het hof voegt hier nog aan toe dat uit zowel door betrokkenen afgelegde verklaringen als de daartoe bijgehouden boekhouding van [A. de J.] blijkt dat groothandelshoeveelheden XTC, heroïne en cocaïne werden verhandeld en getransporteerd en dat daarvoor prijzen werden berekend die ongeveer overeenkwamen met de door de politie (onder meer de dienst nationale recherche) aangegeven indicaties voor de handelsprijzen voor dergelijke zaken in de betreffende periode.

Met betrekking tot de XTC overweegt het hof voorts nog in het bijzonder dat de werkzame stof in wat gewoonlijk als “XTC” wordt aangeduid MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine, volgens algemeen beschikbare informatie van het Trimbos Instituut) pleegt te zijn en dat uit hetgeen de rechtbank omtrent de handel in XTC heeft overwogen, alsmede uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de kans dat de XTC-pillen, waarvan in deze zaak sprake is geen MDMA of ander middel genoemd op lijst I van de Opiumwet bevatten verwaarloosbaar klein is. Bovendien is [G.C. ] in juli 2004 in het onderzoek Rampe aangehouden met een grote hoeveelheid XTC-pillen, waarvoor hij ook in Duitsland is veroordeeld. Uit het dossier noch uit het verhandelde terechtzitting is gebleken van aanwijzingen in een andere richting.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat binnen de tenlastegelegde periode, vanaf 1996 tot in ieder geval april 2005, een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband heeft bestaan dat oorspronkelijk gericht was op de smokkel van softdrugs en later, vanaf ongeveer 2002, mede op de smokkel van harddrugs en witwassen. In ieder geval de hiervoor genoemde personen hebben aan deze criminele organisatie deelgenomen, waarbij [A. de J.] de organiserende en financiële kant van het werk voor zijn rekening nam, daarbij ondersteund door [G.C. ] en [M.S.] , die de belangrijkste uitvoerende en coördinerende taken behartigden.

Het hof merkt overigens op dat de verdachte het bestaan van een criminele organisatie als zodanig niet gemotiveerd heeft bestreden.

Deelneming aan de criminele organisatie

[G.C. ] , [M.S.] , [S.S.] , [M. Sch] en [E. vd V.] , die moet worden gezien als koerier/transporteur van hasjiesj en eveneens deelnemer aan de organisatie was, hebben ook andere personen als betrokkenen aangewezen. In hun verklaringen zijn zij uitvoerig ingegaan op de rol die deze andere betrokkenen zouden hebben gespeeld. Daaruit komt het volgende naar voren. Voor zover het de periode betreft waarop de administratie van [A. de J.] betrekking heeft, wordt dat bevestigd door die administratie.

Een aantal van de verdachten in deze zaak is betrokken geweest bij de Estlandtransporten: [J.L.] als een van de organisatoren daarvan, [G.H.] als de persoon naar wiens loods de transporten werden vervoerd en die hielp bij het lossen van de hasjiesj en [verdachte] als helper bij het lossen, het verstoppen van de hasjiesj in legale dekladingen en het verdere transport.

Vanaf ongeveer het eind van de jaren negentig trad [D.S.] als leverancier van de hasjiesj op, mogelijk in eerste instantie nog naast [J.L.] , die tot in 2002 als zodanig actief is geweest. Daarbij was ook weer Vermeeren betrokken, in dezelfde rol als die hij eerder vervulde. Ook toen de organisatie zich later was gaan toeleggen op de handel in harddrugs bleef Vermeeren bij die organisatie betrokken.

In de jaren vanaf 2000 werden, zoals gezegd, gesprekken gevoerd met [B.S.] over de handel in XTC. [B.S.] was daarna actief als leverancier van XTC aan de organisatie en Frank [F.B.] als afnemer, dan wel doorverkoper, daarvan. In die periode was [D.S.] ook betrokken bij de financiering en handel in harddrugs.

Uit het voorgaande volgt dat de verweren die op de hiervoor besproken punten zijn gevoerd worden verworpen en dat het hof bewezen acht dat de verdachte in de in de bewezenverklaring genoemde periode aan de criminele organisatie heeft deelgenomen.

De verdediging van heeft nog aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [M.S. en S.S.] in Duitsland onjuist en onvolledig worden weergegeven en dat uitsluitend de verklaringen die zij bij de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris hebben afgelegd voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu de getuigen in Duitsland niet van rechtskundige bijstand waren voorzien en de verdediging in Duitsland niet in de gelegenheid is geweest om hen vragen te stellen. Daar komt bij dat de getuige [M.S.] later heeft verklaard dat hij in Duitsland onder druk is gezet en dat zijn gezondheidssituatie een rol speelde bij zijn afgelegde verklaringen.

Ook heeft de verdediging bij de verklaring van de getuige [M. Sch] vraagtekens gezet.

Het hof overweegt als volgt.

De getuigen [M.S.] , [S.S.] en [M. Sch] zijn diverse malen door de politie gehoord, ook door de rechter-commissaris en in hoger beroep: [M.S.] ter terechtzitting van het hof en [S.S.] en [M. Sch] bij de raadsheer-commissaris. De verdediging is in de gelegenheid geweest de getuigen te ondervragen en hun verklaringen te onderzoeken.

De verklaringen die [M.S.] , [S.S.] en [M. Sch] bij de (Duitse) politie hebben afgelegd, zijn uitvoerig, gedetailleerd en sluiten in belangrijke mate op elkaar aan, alsmede op de inhoud van ander bewijsmateriaal. Zij verschaffen inzicht in hun soms jarenlange bezigheden op het gebied van de handel in verdovende middelen, de spelers op dat terrein met wie zij hebben samengewerkt en de rol die diegenen daarbij hebben vervuld. Uit de verklaringen is in belangrijke mate af te leiden dat zij daarbij uit eigen wetenschap verklaren. De getuige [M. Sch] is in de kern steeds gebleven bij zijn politieverklaringen. De latere verklaringen van de getuigen [M.S.] en [S.S.] , waarin zij in belangrijke mate op die eerdere verklaringen terugkomen en onder meer verklaren dat zij namen van verdachten hebben aangereikt gekregen van de Duitse politie of onder druk zijn gezet of dat de gezondheidssituatie een rol speelde bij het afleggen van de verklaringen, overtuigen het hof op die onderdelen geenszins.

Het dossier biedt voor die stellingen verder ook geen aanknopingspunten. Uit de verhoren door de raadsheer-commissaris van de getuige [S.S.] of ter terechtzitting van het hof van de getuige [M.S.] is verder ook niet gebleken van ontoelaatbare druk die de Duitse politie op hen zou hebben uitgeoefend. Het hof gaat er van uit dat de gewijzigde houding bij het afleggen van die latere verklaringen is ingegeven door de wens af te doen aan belastend materiaal dat ten aanzien van bepaalde verdachten was verkregen door hun eerdere verklaringen.

Het hof acht de onderdelen van de verklaringen van [M.S.] , [S.S.] en [M. Sch] die het voor het bewijs gebruikt voldoende betrouwbaar nu die op de relevante punten elkaar ondersteunen en voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De verweren worden verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3, 5 en 6 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 3 is het hof van oordeel dat uit de gegevens in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wel blijkt van betrokkenheid van de verdachte in de periode als ten laste gelegd onder feit 2, maar onvoldoende volgt dat de verdachte ook in de bij feit 3 ten laste gelegde periode, te weten van 21 april 1999 tot en met 31 december 1999, de feiten heeft medegepleegd.

Met betrekking tot feit 5 en 6 is het hof van oordeel dat de verklaringen van [G.C. ] weliswaar aanwijzingen vormen voor betrokkenheid van de verdachte bij die feiten en als zodanig bewijs kunnen vormen, maar dat bij de beoordeling van de vraag of de verdachte ten aanzien van deze concrete feiten uitvoeringshandelingen heeft gepleegd en opzet heeft gehad de conclusie moet luiden dat die verklaringen niet, dan wel in onvoldoende mate worden ondersteund door ander bewijsmateriaal waaruit dat mede kan worden afgeleid. Deze verklaringen staan aldus in dit verband te zeer op zichzelf en daarom moet worden geconcludeerd dat het wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelegde ontbreekt.

De bevindingen omtrent de verkoop van een Jeep en de aanwezigheid van plastic buizen en keramische zuiltjes in de loods van de verdachte maken dit niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:
hij in de periode van 22 december 1996 tot en met 1 mei 2005 in Nederland en Spanje en Italie en Engeland heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het invoeren en uitvoeren en verkopen en afleveren en vervoeren van verdovende middelen, te weten hasjiesj en cocaïne en heroïne (diamorfine) en materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en het witwassen van geldbedragen;


feit 2:
hij in de periode van 1 januari 1997 tot en met 20 april 1999 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk telkens buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), dit zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 5 primair en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van het voorarrest en met beslissingen omtrent het beslag.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Uit het onderzoek in de zaak Zuil is gebleken dat er sprake was van een omvangrijke criminele organisatie die zich gedurende langere tijd, op internationale schaal en op zeer systematische en professionele wijze, bezig hield met de handel in verdovende middelen.

De diverse verdovende middelen waarin gehandeld werd brengen grote gezondheidsrisico’s voor de gebruikers met zich mee en de handel in die middelen gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit onder de gebruikers, temeer om de hoge kosten van het gebruik te kunnen bekostigen. Daarnaast genereert de handel in en smokkel van verdovende middelen grote illegale geldstromen, hetgeen schadelijke gevolgen heeft voor de samenleving.

De verdachten in deze zaak, die weliswaar ieder een eigen rol in het geheel hadden, hebben er allen blijk van gegeven bereid te zijn een substantiële bijdrage te leveren aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in zowel Nederland als het buitenland. Het hof neemt daarbij aan dat zij steeds uit winstbejag handelden.

De verdachte is voornamelijk betrokken geweest bij de internationale smokkel van grote partijen hasjiesj, waarbij hij een belangrijke rol heeft gespeeld bij het inpakken en verbergen van de verdovende middelen en de opslag en overslag daarvan. Toen de organisatie was overgestapt op harddrugs is de verdachte daaraan blijven deelnemen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden en dat die overschrijding gecompenseerd dient te worden door een eventueel op te leggen straf te verminderen. De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is gaan lopen op een eerder moment dan het moment van aanhouding, namelijk op het moment dat de verdachte op 30 augustus 2006 is gehoord en daarbij op 31 augustus 2006 zijn loods is doorzocht.

Het hof overweegt als volgt.

De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaruit die verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. Uit het verhoor van de verdachte op 30 augustus 2006 en de doorzoeking op 31 augustus 2006 kon de verdachte niet redelijkerwijs afleiden dat ook daadwerkelijk een vervolging zou volgen en het hof neemt dan ook als datum dat de redelijke termijn is gaan lopen de datum van aanhouding, te weten 18 december 2007.

Het hof stelt vast dat deze zaak in zijn totaal niet binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is behandeld en dat deze termijn in eerste aanleg licht, en in tweede aanleg met een aantal weken is overschreden.

Opgemerkt moet daarbij het volgende worden. De zaak Zuil, waarvan de zaak tegen de verdachte deel uitmaakt, betreft een gelijktijdige berechting van meerdere verdachten ter zake van meerdere feiten. Het dossier is zeer omvangrijk. In eerste aanleg zijn op verzoek van de verdediging in dat feitencomplex vele getuigen gehoord, ook in het buitenland en ook in hoger beroep is op verzoek van de verdediging in deze en andere zaken voorts een groot aantal getuigen gehoord, van wie een deel in het buitenland. Het hof, alles overziende en in aanmerking genomen de geringe overschrijding, volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn bij de berechting is overschreden, maar verbindt daaraan geen gevolgen.

Anderzijds let het hof wel op het gegeven dat het feiten betreft die zich jaren geleden hebben voorgedaan.

Het hof heeft voorts kennis genomen van rapportage van de Reclassering Nederland ten behoeve van de re-integratie van de verdachte.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 februari 2012 is de verdachte eerder ter zake van onder overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen artikel 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57, 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het onder 4 en 7 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, voor zover het betreft de feiten 2 en 3, waar de vervolging ziet op andere feiten dan strafbaar gesteld in artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

104 stuks doppen, 1 pot lijm en 19 stuks pvc buis.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Winkels, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 maart 2012.

mr. Röttgering is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.