Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:4401

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
200.100.150/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet inhoudelijk reageren op brieven en klager ervan niet in kennis stellen dat de aangekondigde openbare verkoop geen doorgang zou vinden. Klachten gegrond.

Uitgangspunt is dat indien een gerechtsdeurwaarder beslag legt op zaken waarvan een derde eigendom pretendeert, het aan die derde is om door middel van bewijsstukken aan te tonen dat die zaken hem of haar in eigendom toebehoren. Een enkele mededeling is in dit verband niet voldoende. Aan klager is herhaaldelijk verzocht met bewijsstukken aan te tonen dat hij onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd. Klager heeft dat niet gedaan. Klacht ongegrond.

Het niet inhoudelijk reageren op de betalingsvoorstellen van klager levert in deze zaak geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen op. Het eerste betalingsvoorstel was al vervallen op het moment dat het de gerechtsdeurwaarders bereikte. Het daarop volgende voorstel ging uit van betaling van een zodanig laag bedrag, dat de gerechtsdeurwaarders ermee konden volstaan te kennen te geven dat aanspraak werd gemaakt op volledige betaling van de vordering, zoals zij hebben gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Beslissing van 18 september 2012 in de zaak van:

[klager] ,

wonende te[plaats],

APPELLANT,

t e g e n

1.[gerechtsdeurwaarder],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te[plaats],

2.[gerechtsdeurwaarder],

waarnemend gerechtsdeurwaarder te[plaats],

GEÏNTIMEERDEN,

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 10 januari 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 20 december 2011. Bij die beslissing heeft de kamer het verzet tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 2 augustus 2011 gegrond verklaard, waardoor die beschikking is vervallen, en de door klager tegen geïntimeerden (verder: de gerechtsdeurwaarders dan wel ieder afzonderlijk de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de waarnemend gerechtsdeurwaarder) ingediende klacht op twee onderdelen gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan de waarnemend gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 24 februari 2012 een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 21 juni 2012.
Klager en de kandidaat-gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager heeft de gerechtsdeurwaarders – naar de kern genomen – het volgende verweten.

1. De gerechtsdeurwaarders hebben ten onrechte onterecht beslag gelegd op roerende zaken die aan klager toebehoren. Zijn echtgenote was de debiteur van de vordering en de gerechtsdeurwaarders hebben er geen rekening mee gehouden dat klager is gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Zij hebben aanvankelijk ook niet om bewijsstukken gevraagd, zoals zij thans stellen.

2. De gerechtsdeurwaarders hebben diverse brieven van klager betreffende de beslaglegging onbeantwoord gelaten.

3. Daarnaast heeft klager de gerechtsdeurwaarders diverse betalingsvoorstellen gedaan, waarop nooit serieus is gereageerd.

4. Tot slot hebben de gerechtsdeurwaarders nagelaten klager ervan in kennis te stellen dat aangekondigde openbare verkoop op 25 februari 2011 niet doorging, waardoor klager onnodige kosten heeft moeten maken.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de stellingen van klager ten aanzien van de klachtonderdelen 4.2 en 4.4 erkend, maar voor het overige betwist en gemotiveerd weersproken. Een en ander zal hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is evenals de kamer van oordeel dat het niet inhoudelijk reageren op brieven onbehoorlijk is, zeker gelet op de zorgvuldigheid die van een gerechtsdeurwaarder verwacht mag worden in het geval op roerende zaken beslag wordt gelegd. Vastgesteld kan worden dat, zoals door de gerechtsdeurwaarders erkend is, in ieder geval de brieven van klager van 10 juni 2010 en 17 januari 2011 niet zijn beantwoord. De klacht ten aanzien van onderdeel 4.2 is gegrond.

6.2. Verder staat tussen partijen niet ter discussie dat de gerechtsdeurwaarders klager ervan niet in kennis hebben gesteld dat de aangekondigde openbare verkoop op
25 februari 2011 geen doorgang zou vinden. Een dergelijk nalaten betaamt een goed gerechtsdeurwaarder niet. Aan het betoog van de gerechtsdeurwaarders dat zij, na ontvangst van de klacht van klager in januari 2011, het een vanzelfsprekend gegeven vonden dat hangende de klachtprocedure er geen openbare verkoop zou plaatsvinden en dat zij er aldus van uitgingen dat klager dezelfde gedachten zou zijn toegedaan, gaat het hof voorbij. Bij de inzet van een ingrijpend middel als openbare verkoop mag in het bijzonder van de daarbij optredende gerechtsdeurwaarder uiterste zorgvuldigheid worden gevergd. Het hof is met de kamer van oordeel dat ook klachtonderdeel 4.4 gegrond is.

6.3. Ten aanzien van klachtonderdeel 4.1. dat ziet op het ten onrechte leggen van beslag, overweegt het hof het volgende. Uitgangspunt is dat indien een gerechtsdeurwaarder beslag legt op zaken waarvan een derde eigendom pretendeert, het aan die derde is om door middel van bewijsstukken aan te tonen dat die zaken hem of haar in eigendom toebehoren. Een enkele mededeling is in dit verband niet voldoende.

6.4. De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd klager herhaaldelijk te hebben verzocht met bewijsstukken aan te tonen dat hij onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, zoals klager aan de gerechtsdeurwaarders had meegedeeld. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder zou hierover, bij gelegenheid van de eerste beslagpoging in juni 2009, nog met klager in persoon hebben gesproken. Hoewel klager betwist dat hem ooit verzocht is bewijsstukken over te leggen en hij bovendien stelt nooit met (een van de) de gerechtsdeurwaarders in persoon te hebben gesproken, blijkt uit de door de gerechtsdeurwaarders in hoger beroep als productie 1 overgelegde brief van klager, gedateerd 28 juni 2009, het tegendeel. In deze brief schrijft klager aan de gerechtsdeurwaarders onder meer

“Zoals wij u reeds mondeling bij ons aan de deur hebben gemeld heeft mijn vrouw geen inkomsten maar is het bedrijf met een aanzienlijke restschuld beëindigd.”

Nu aantoonbaar onjuist is dat klager geen contact heeft gehad met (een van) de gerechtdeurwaarders, acht het hof het, mede gelet op de verklaring die de kandidaat-gerechtsdeurwaarder hierover ter zitting in hoger beroep heeft gegeven, voldoende aannemelijk dat de gerechtsdeurwaarders klager hebben gevraagd om bewijsstukken over te leggen. De klacht is op dit onderdeel ongegrond.

6.5. Tot slot is het hof van oordeel dat het niet inhoudelijk reageren op de betalingsvoorstellen van klager in deze geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen oplevert. Allereerst is het wettelijk uitgangspunt dat een schuldenaar alleen met toestemming van de schuldeiser bevoegd is om het verschuldigde in termijnen te voldoen. Dat houdt in dat een schuldeiser een aangeboden betalingsregeling mag weigeren. Het hof neemt in dit geval in aanmerking dat, zoals uit de stukken is gebleken, klager (dan wel zijn echtgenote) een eerdere betalingsafspraak met de schuldeiser niet is nagekomen. Verder noopten ook de door klager gedane betalingsvoorstellen niet tot min of meer uitgebreide inhoudelijke reactie. In zijn brief van 28 februari 2011 heeft klager een betalingsvoorstel gedaan, maar tot slot geschreven:

“Mocht ik wederom niets van u vernemen vervalt mijn aanbod a.s. maandag 28 februari 2011.”

Het voorstel was dus al vervallen op het moment dat het de gerechtsdeurwaarders bereikte. Het daarop volgende voorstel van 10 maart 2011 ging uit van betaling van een zodanig laag bedrag, dat de gerechtsdeurwaarders ermee konden volstaan te kennen te geven dat aanspraak werd gemaakt op volledige betaling van de vordering, zoals zij hebben gedaan. Nu het, gelet op het voorgaande, de gerechtsdeurwaarders vrij stond de betalingsvoorstellen van klager ter zijde te leggen, moet ook dit klachtonderdeel ongegrond worden verklaard.

6.6. Met de kamer acht het hof voor de gegrond verklaarde klachtonderdelen de maatregel van berisping een passende sanctie. Deze sanctie is door de kamer terecht uitsluitend opgelegd aan de waarnemend gerechtsdeurwaarder, vanwege diens verantwoordelijkheid voor de kantoororganisatie.

6.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.8. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

 bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 september 2012 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 20 december 2011 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 9 augustus 2011 met zaaknummer 353.2011 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer 573.2011 ingediend door:

[klager],

wonende te[plaats],

klager,

tegen:

1. [gerechtsdeurwaarder],

2. [gerechtsdeurwaarder],

respectievelijk toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder en waarnemend gerechtsdeurwaarder te[plaats],

beklaagden.

1 Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief van 24 januari 2011 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders.

Bij brieven van 28 februari 2011 en 10 maart 2011 heeft klager zijn klacht aangevuld met door hem aan de gerechtsdeurwaarders verzonden brieven.

Bij brief van 22 februari 2011 hebben de gerechtsdeurwaarders een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 juli 2011 hebben de gerechtsdeurwaarders een aanvullend schrijven toegezonden.

Bij beslissing van 2 augustus 2011 heeft de voorzitter de klacht als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen.

Bij brief van 8 augustus 2011 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.

Bij brief van 19 augustus 2011 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 november 2011 waar klager en de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 20 december 2011.

2 De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3 De inleidende klacht

In de inleidende klacht verwijt klager de gerechtsdeurwaarders - kort samengevat - dat zij op zaken die aan hem toebehoren beslag hebben gelegd terwijl hij niet aansprakelijk is voor de schuld van zijn vrouw. De gerechtsdeurwaarders waren van deze situatie op de hoogte gesteld bij diverse brieven, welke nooit zijn beantwoord.

4 De beslissing van de voorzitter

4.1

De voorzitter heeft op de inleidende klacht overwogen dat wanneer een gerechtsdeurwaarder beslag legt op zaken waarop een derde eigendom pretendeert, het aan die derde is om zich tegen het beslag te verzetten. De enkele pretentie van derden, zelfs indien gestaafd door bewijsstukken, noopt de gerechtsdeurwaarder niet tot het buiten het beslag houden van die zaken. Volgens de gerechtsdeurwaarders heeft klager nooit schriftelijk aangetoond bijvoorbeeld door toezending van huwelijkse voorwaarden of een notariële akte dat de roerende zaken in de woning op naam staan van klager en niet op naam van zijn vrouw. Als klager of zijn vrouw dit alsnog aantonen, zullen zij het beslag opheffen. Klager heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om dat te doen.

4.2

De voorzitter heeft voorts overwogen dat de gerechtsdeurwaarders in hun verweer hebben aangegeven dat zij een fout hebben gemaakt door inderdaad niet te reageren op de brieven van klager. Naar aanleiding van deze fout is de interne klachtprocedure inmiddels aangepast en moet dit niet meer voorkomen. Een gerechtsdeurwaarder die een vergissing begaat of een rekenfout maakt, maakt zich in het algemeen daarmee niet zonder meer schuldig aan handelen of nalaten dat tuchtrechtelijk dient te worden bestraft. Dit kan anders zijn wanneer de vergissing of fout klaarblijkelijk gevolg is van grote onzorgvuldigheden of van handelen tegen beter weten in. Hiervan is echter niet gebleken.

4.3

Als laatste heeft de voorzitter overwogen dat op grond van het verweer de enkele stellingen van klager niet voldoende zijn om tuchtrechtelijk laakbaar handelen te kunnen vaststellen. Voor het overige heeft de klacht betrekking op executie van een titel, waarover deze Kamer niet kan oordelen. Executiegeschillen dienen op grond van het bepaalde in artikel 438 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering aan de voorzieningenrechter in kort geding te worden voorgelegd. Het is niet aan de Kamer daarover een oordeel uit te spreken.

5 De gronden van het verzet

5.1

In verzet heeft klager aangevoerd dat de communicatie om twee redenen beneden alle peil te noemen is. Op geen enkel schrijven is geantwoord waaruit de conclusie getrokken mag worden dat dit opzettelijk gebeurt. Niet ondenkbaar is dat het bedrijfspolitiek is omdat meerdere personen met de behandeling van het dossier belast zijn. Ten tweede is de inhoud van de brieven welke door de gerechtsdeurwaarders wel zijn verzonden onjuist. Klager noemt enkele voorbeelden.

5.2

De voorzitter is niet ingegaan op de klacht dat de gerechtsdeurwaarders zonder bericht niet op zijn komen dagen op een door de gerechtsdeurwaarders genoemde datum waarop verkoop van de inbeslaggenomen zaken zou plaatsvinden.

5.3

Tussen gerechtsdeurwaarder Geukers en klager is nooit enig contact geweest. Wat de gerechtsdeurwaarders daartoe in het verweer aanvoeren is onjuist. Het verbaast klager dat de voorzitter hier geen aandacht heeft besteed.

5.4

Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat klager diverse betalingsvoorstellen heeft gedaan. Klager heeft uit de correspondentie niet op kunnen maken of die voorstellen aan de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders is voorgelegd. Klager vraagt zich af of dat wel in het belang van de opdrachtgever is.

6 De beoordeling van de gronden van het verzet

De voorzitter is inderdaad niet ingegaan op de klacht met betrekking tot het zonder bericht niet op komen dagen op een door de gerechtsdeurwaarders genoemde datum van openbare verkoop. Alleen al vanwege deze omissie kan de beslissing van de voorzitter niet in stand blijven. De Kamer zal dit punt alsnog in de beoordeling betrekken.

7 De beoordeling van de klacht.

7.1

Naar het oordeel van de Kamer mag van een gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij brieven met betrekking tot een bij hem in behandeling zijnde zaak binnen een redelijke termijn beantwoordt. Nu adequate beantwoording van de brieven, naar de gerechtsdeurwaarders ook hebben erkend, is uitgebleven, is dit onderdeel van de klacht terecht voorgesteld. Anders dan de voorzitter heeft overwogen betreft het hier naar het oordeel van de Kamer geen enkele vergissing.

Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld. De verwarring over de vraag of[gerechtsdeurwaarder] wel of niet met de [klager] heeft gesproken berust kennelijk op een misverstand. Uit het exploot van 14 januari 2011 blijkt dat de [gerechtsdeurwaarder] een afschrift van het proces-verbaal van het gelegde beslag heeft gelaten aan de heer [klager]. In die zin kan er dus wel degelijk met[klager] zijn gesproken.

7.2

De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat indien een gerechtsdeurwaarder beslag legt op zaken waarvan een derde eigendom pretendeert, het aan die derde is om zich tegen dat beslag te verzetten. De enkele mededeling dat de beslagen zaken van een derde zijn, noopt de gerechtsdeurwaarder niet tot het buiten het beslag houden van die zaken. Het moment waarop beslag wordt gelegd leent zich immers niet voor een uitgebreid onderzoek naar de eigendomsverhoudingen ten aanzien van de in beslag te nemen zaken (LJN: BP8039). De derde dient aan te tonen dat de zaken hem in eigendom toebehoren. De enkele mededeling van klager dat hij op huwelijkse voorwaarden was gehuwd is daartoe niet voldoende. In elk geval heeft de gerechtsdeurwaarder bij brieven van 29 maart 2011 en 8 april 2011 schriftelijk aan klager verzocht bewijsstukken over te leggen. Het is niet aan de gerechtsdeurwaarder het huwelijksgoederenregister te raadplegen maar aan klager om de huwelijkse voorwaarden over te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft terecht beslag gelegd en geen onnodige kosten gemaakt. Dit klachtonderdeel acht de Kamer ongegrond.

7.3

Het is vaste tuchtrechtspraak dat het op de weg van een gerechtsdeurwaarder ligt om zoveel als mogelijk is een debiteur tijdig in kennis te stellen van het niet doorgaan van een voor een bepaald tijdstip aangekondigd beslag of openbare verkoop. Niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarders zoveel als mogelijk hebben gedaan om klager tijdig op de hoogte te stellen van het niet doorgaan ervan (LJN: BN4548). Uit de brief van 29 maart 2011 blijkt dat de gerechtsdeurwaarders de verkoop niet hebben doorgezet omdat zij in afwachting waren van het schriftelijke bewijs van klager. Dit moge zo zijn, het ontslaat de gerechtsdeurwaarders niet van de verplichting om hiervan mededeling aan de debiteur te doen. Dit klachtonderdeel is eveneens terecht voorgesteld.

7.4

Betalingsvoorstellen nopen slechts tot een reactie indien een concreet voorstel wordt gedaan. Het aangeven dat men bereid is te betalen is geen concreet voorstel. De door klager wel concreet gedane voorstellen konden door de gerechtsdeurwaarder terzijde worden gelegd. Uit het door de gerechtsdeurwaarders overgelegde vonnis onder punt 2 van de beoordeling blijkt immers dat een eerder getroffen regeling door klager niet was nagekomen. Daarom had de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders vonnis gevraagd. Het was niet te verwachten dat de opdrachtgever met het door klager aangeboden (lagere) bedrag genoegen zou nemen.

8. Op grond van het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard. De beslissing van de voorzitter kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd. De klacht dient op twee onderdelen gegrond te worden verklaard.

8. Beslist wordt als volgt. De Kamer acht termen aanwezig om tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan. De maatregel wordt opgelegd aan de waarnemend-gerechtsdeurwaarder omdat hij verantwoordelijk mag worden gehouden voor het (laten) beantwoorden van brieven en het op de hoogte stellen van justitiabelen indien aangezegde beslagen of aangezegde openbare verkopen geen doorgang vinden.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 verklaart het verzet gegrond;

 vernietigt de beslissing van de voorzitter;

 verklaart de klacht gegrond voor wat betreft het niet beantwoorden van de brieven en het niet verschijnen op de datum van aangezegde verkoop;

 leg aan gerechtsdeurwaarder sub 2 de maatregel van berisping op;

 verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, plaatsvervangend-voorzitter, mr. E.C. Smits en J.C.M. van der Weijden, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.