Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:4363

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
200 070 263/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De notaris zou in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap uitzoeken welke formaliteiten in acht zouden moeten worden genomen rond de landbouwgrond in [ land ]. Vastgesteld is dat de notaris dit ruim vier jaar lang op zijn beloop heeft gelaten. Het eenmaal leggen van telefonisch contact met de door klaagster voorgestelde notaris in [ land ] en het eenmaal sturen van een brief met verzoek om inlichtingen aan de door de [ … ] ambassade voorgestelde advocaat in Nederland, is niet voldoende. Dat laatstgenoemde advocaat niet heeft gereageerd op de diverse rappelbrieven van de notaris doet daaraan niet af. De notaris heeft verklaard dat hij de kwestie van de landbouwgrond heeft laten rusten, omdat die geen prioriteit had. Het voorgaande getuigt van een passieve en daarom tuchtrechtelijk laakbare houding van de notaris.

De overige zeven klachtonderdelen met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap door de notaris zijn ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 22 mei 2012 in de zaak van:

1 [ APPELLANTE ],
wonende te [ plaats ],

2. [ APPELLANT ],
wonende te [ plaats ],
gemachtigde: [ appellante ],

APPELLANTEN

t e g e n

[ DE NOTARIS ],

notaris te [ plaats ],

GEÏNTIMEERDE.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellanten, verder klagers, is bij een op 12 juli 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing (nummer 09-22) van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder de kamer, van 9 juni 2010 (verzonden bij brief van 10 juni 2010) waarbij de kamer de klacht tegen geïntimeerde, verder de notaris, op één onderdeel gegrond heeft verklaard en voor het overige ongegrond. De notaris is geen maatregel opgelegd.

1.2.

Van de zijde van de notaris is op 6 september 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 26 april 2012, alwaar de notaris is verschenen en het woord heeft gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klagers hebben weliswaar tegen die vaststelling bezwaar gemaakt, maar het door klagers aangevoerde geeft het hof geen aanleiding om niet van de door de kamer vastgestelde feiten uit te gaan.

4 De standpunten van partijen

De wederzijdse standpunten blijken uit de beslissing waarvan beroep.

5 De beoordeling

5.1.

Het hoger beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die zijn vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

5.2.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

6 De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, A.D.R.M. Boumans en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 mei 2012 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen
’s-Gravenhage

Beslissing van 9 juni 2010 inzake de klacht onder nummer 09-22 van:

  1. [ klaagster ],

    hierna te noemen: klaagster,
    gemachtigde voor klager sub 2,

  2. [ klager ],

    hierna te noemen: klager,

tegen

[ de notaris ],
notaris te [ plaats ],
hierna te noemen: de notaris.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

  • -

    de klacht, ingekomen op 8 juli 2009, met bijlagen;

  • -

    het antwoord van de notaris, met bijlagen;

  • -

    de repliek van klaagster met bijlagen;

  • -

    de dupliek van de notaris, aangevuld bij brief van 13 oktober 2009 met bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010.

Daarbij waren aanwezig:

  • -

    klaagster,

  • -

    de notaris.

Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt.

De feiten

Op 4 januari 2004 is [ X ] (hierna: erflater) overleden. De erven zijn klagers, als de twee kinderen uit het huwelijk van erflater met [ Y ], en de twee kinderen, [ A ] en [ B ], uit een latere relatie van erflater met [ Z ]. De notaris was als boedelnotaris verantwoordelijk voor de afwikkeling van de nalatenschap.

Van de nalatenschap maken onder meer deel uit een reisbureau, een bedrijfsruimte (wijnhandel) in [plaats] en landbouwgrond in [land].

Bij brief van 17 maart 2008 naar aanleiding van een faxbericht van 13 maart 2008 van klaagster heeft de notaris klaagster meegedeeld wegens het ontbreken van enige vertrouwensbasis tussen hem en klaagster zijn werkzaamheden in de afwikkeling van de nalatenschap met onmiddellijke ingang neer te leggen. De eindafrekening voor zijn werkzaamheden tot die datum heeft hij op 25 maart 2008 aan de erven gezonden.

Voor en na de beëindiging van de werkzaamheden door de notaris is er frequent over de afwikkeling van de nalatenschap gecorrespondeerd tussen klaagster en de notaris. Voor zover nodig zal de Kamer hiernaar verwijzen in de volgende overwegingen.

De klacht en het verweer van de notaris

Klagers verwijten de notaris meer in het algemeen aantoonbare corruptie en misbruik bij het afwikkelen van de nalatenschap. De klacht  voor zover gehandhaafd ter zitting  concentreert zich op de volgende verwijten tegen de notaris. De Kamer gaat er daarbij van uit dat ook de klacht betreffende een bedrag van € 4.009,50, dat op een mutatieoverzicht van de notaris zowel als debet- en als creditpost vermeld staat, ingetrokken is nu de notaris verklaard heeft dat dit bedrag een tussentelling betreft en derhalve niet relevant is.

1. De notaris heeft geld van de bankrekening onder nummer [ nummer ] weggesluisd. In een mail van 17 februari 2006 van [ C ] aan de notaris, waarover klaagster beschikt, bevestigde [ C ], een vertrouwenspersoon van klagers, dat er een saldo op deze rekening stond van € 31.959,92, terwijl klaagster op 3 juli 2009 van klager vernam dat € 27.000 op de  geblokkeerde  rekening stond.

2. Bovendien ontkende de notaris een doos met openstaande rekeningen en bankafschriften te hebben ontvangen van [ C ], terwijl hij desalniettemin in zijn brief van 14 juni 2004 aan [ C ] de verwachting uitsprak die “nota’s” van [ C ] te zullen ontvangen.

3. De notaris verzuimde opzettelijk de huurschuld inzake de bedrijfsruimte ad € 41.000 in zijn definitieve boedelbeschrijving bij brief van 4 januari 2008 aan de Kantonrechter te ’s-Gravenhage te vermelden, terwijl hij in zijn brief van 14 juni 2004 aan [ C ] melding maakte van deze huurachterstand.

4. De notaris heeft het bedrag van in totaal circa € 1.800 aan waarborgsommen niet met de eindafrekening afgewikkeld. Volgens een faxbericht van 14 januari 2004 van makelaar Ter Linden & Heijer waren deze waarborgsommen in het verleden bij de verhuurder/verkoper van de huurwoning van erflater gestort.

5. De notaris heeft zonder akkoord van alle erven betalingen uit de nalatenschap gedaan aan [ Z ]. [ Z ] had € 1.320 aan contant geld uit het huis van erflater genomen en gedeponeerd bij de notaris. Daarvan heeft hij vervolgens de helft van de huurschuld betaald, terwijl klaagster en klager wel de andere helft uit eigen zak hebben betaald.

6. De notaris heeft bewust de nalatenschap negatief belast. Volgens zijn mutatieoverzicht heeft hij in totaal € 1.742,34 aan kosten gemaakt voor transport en opslag van roerende zaken uit de nalatenschap (vanuit Amsterdam en Castricum naar Nieuw Vennep) tegen een totaalopbrengst van € 931,60 met de verkoop van deze zaken.

7. De notaris weigerde  ondanks zijn eerder gedane toezegging  om € 950 uit de uitgekeerde begrafenisverzekering ad € 4.538, behorend bij de nalatenschap, aan klaagster te betalen voor de door haar begrote kosten voor het voorgenomen herbegraven van erflater in [land]. Een overzicht van deze kosten had zij per faxbericht van 27 juni 2007 aan de notaris gezonden.

8. Het stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap door de notaris door ruim vier jaar lang te weigeren om de in [land] verplichte beneficiaire aanvaarding van de landbouwgrond in [land], onderdeel van de nalatenschap, te laten regelen.

De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna  voor zover nodig  zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

a. Tegenover de betwisting door de notaris dat hij geld had weggesluisd van de bankrekening  daartoe was hij niet bevoegd, zoals hij stelt, en bovendien was de bankrekening geblokkeerd, terwijl [ C ] de bankafschriften ontving  hebben klagers hun stelling niet onderbouwd.

a. Ook de door de notaris betwiste ontvangst van een doos met openstaande rekeningen en bankafschriften hebben klagers naar het oordeel van de Kamer van Toezicht niet bewezen of aannemelijk gemaakt.

a. De huurschuld is onderdeel van het bedrijfsvermogen. De notaris had dit wellicht in zijn boedelbeschrijving kunnen vermelden. De notaris heeft in de boedelbeschrijving verwezen naar het door de accountant vastgestelde bedrijfsvermogen, waarin de huurschuld waarschijnlijk bepaald is op het na het overlijden overeengekomen schikkingsbedrag.
De Kamer is van oordeel dat het weliswaar vollediger zou zijn geweest als de notaris in de boedelbeschrijving had opgenomen dat het bedrijfsvermogen op de sterfdag van erflater mede de huurschuld van € 41.000 omvatte, maar het wel of niet vermelden hiervan heeft uiteindelijk geen gevolgen voor een juiste afwikkeling van de nalatenschap, ook niet voor wat betreft het successierecht. Dat de notaris de huurschuld ad € 41.000 niet heeft vermeld, is daarom in elk geval niet tuchtrechtelijk laakbaar.

a. In zijn begeleidende brief van 4 januari 2008 aan de kantonrechter te ’s-Gravenhage heeft de notaris over eventuele waarborgsommen het voorbehoud gemaakt dat deze hem niet bekend waren, althans niet op de afrekening stonden toen de woning werd verkocht. Met dit voorbehoud heeft de notaris naar het oordeel van de Kamer het niet opnemen van waarborgsommen in de bij die brief gevoegde boedelbeschrijving voldoende verantwoord.

a. De notaris heeft erkend dat hij een bedrag van € 1.320 van [ Z ] ontvangen had als geld van erflater. Hij heeft hiermee, als geld van de nalatenschap, voor de helft de huurschuld voldaan. Hij heeft niet bestreden dat klaagster en klager de andere helft hebben betaald.
Hiermee staat als onweersproken vast dat klaagster en klager een vordering ter grootte van de helft van de huurschuld hebben op de nalatenschap. Dit vaststaande acht de Kamer klagers geen belang (meer) te hebben bij dit klachtonderdeel.

a. De Kamer acht het alleszins begrijpelijk dat de notaris de zaken behorend bij de nalatenschap op één plaats heeft verzameld. Het negatieve saldo van circa € 800 aan verhuis- en opslagkosten kon de notaris niet voorzien en is hem daarom niet aan te rekenen.

a. De notaris deelde in zijn brief van 21 juni 2007 aan klaagster mee van [ A ] en [ B ] vernomen te hebben dat zij een voorkeur hadden voor een herbegrafenis in het geboortedorp (in [land]) van de vader. De notaris vroeg daarbij aan klaagster een kostenopgaaf voordat zou worden herbegraven, zulks op verzoek van [ A ] en [ B ]. De begroting van in totaal € 950 aan kosten voor de beoogde herbegrafenis heeft klaagster aan de notaris gezonden bij faxbericht van 27 juni 2007 met het verzoek dit bedrag per ommegaande over te maken. Bij brief van 28 juni 2007 heeft de notaris klaagster toegezegd het in dat faxbericht genoemde bedrag te zullen overmaken, onder het voorbehoud dat klaagster niet meer dan € 500 aan marmer zou besteden, zulks op verzoek van [ A ] en [ Z ] namens de toen minderjarige [ B ].
De notaris heeft ter zitting bevestigd bereid te zijn tot betaling mits hij van klaagster een nota ontvangt van de daadwerkelijk gemaakte kosten van de herbegrafenis.
Tot een herbegrafenis van erflater in [land] is het tot nu toe niet gekomen; klaagster heeft dus nog geen kosten hiervoor gemaakt. Hoewel de notaris bij zijn toezegging niet het voorbehoud gemaakt had te zullen betalen na ontvangst van de betreffende nota, is de Kamer van oordeel dat klaagster de toezegging aldus had kunnen begrijpen. Dat dit anders is, kan de notaris niet worden verweten.

a. Niet weersproken is, dat de notaris in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap zou uitzoeken welke formaliteiten in acht zouden moeten worden genomen rond de landbouwgrond in [land]. De Kamer stelt vast, dat de notaris dit ruim vier jaar lang op zijn beloop heeft gelaten. Het eenmaal leggen van telefonisch contact met de door klaagster voorgestelde notaris in [land] en het eenmaal sturen van een brief met verzoek om inlichtingen aan de door de Griekse ambassade voorgestelde advocaat in Nederland, acht de Kamer niet voldoende. Dat laatstgenoemde advocaat niet heeft gereageerd op de diverse rappelbrieven van de notaris, zoals door de notaris gesteld, doet daaraan niet af.
Ter zitting hiernaar gevraagd, verklaarde de notaris dat hij de kwestie van de landbouwgrond heeft laten rusten, omdat die geen prioriteit had.
Het voorgaande getuigt naar het oordeel van de Kamer van een passieve en daarom tuchtrechtelijk laakbare houding van de notaris.

De Kamer van Toezicht komt gelet op het hiervoor overwogene tot het oordeel dat de klachten sub 1 tot en met 7 ongegrond zijn en de klacht onder 8 gegrond. De gegrond bevonden klacht acht de Kamer van Toezicht echter niet zwaarwegend genoeg voor het opleggen van een tuchtmaatregel. De Kamer zal daarom als volgt beslissen.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht gegrond op het klachtonderdeel sub 8, zonder oplegging van een maatregel;

verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.J. Paris, voorzitter, R. van der Galiën, G.P. van Ham, J.Z. Moree en J. Smal, bijgestaan door de secretaris, mr. A. Saab, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2010.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.