Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:4359

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2012
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
200.105.146/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een gerechtsdeurwaarder mag in beginsel afgaan op gegevens uit het Handelsregister. De gerechtsdeurwaarder heeft klager meermaals te kennen gegeven dat klager kon aantonen dat hij – inmiddels – huurder was door het overleggen van zijn huurovereenkomst, maar klager heeft dat geweigerd. Klacht dat gerechtsdeurwaarder bij GBA of de verhuurder had kunnen informeren ongegrond.

Gelet op de omstandigheid dat klager is medegedeeld dat de executieverkoop zou worden opgeschort als klager stukken zou verstrekken waaruit zou blijken dat B.V. niet op het desbetreffende adres was gevestigd en klager hiertoe niet is overgegaan, had het echter wel op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om klager als vermeend huurder en derhalve direct belanghebbende duidelijk en ondubbelzinnig te berichten dat de geplande executoriale verkoop niet zou doorgaan. Door dat na te laten (wat ter zitting werd erkend) heeft de gerechtsdeurwaarder klager ten onrechte en onnodig hieromtrent in spanning gelaten. Dit klemt temeer nu ter zitting naar voren is gekomen dat in het geheel geen voorbereidingen voor de executieverkoop waren getroffen en dus kennelijk reeds in een eerder stadium was besloten de executieverkoop niet door te laten gaan. De klacht is in zoverre gegrond.

Het hof acht deze handelwijze van de gerechtsdeurwaarder echter niet in die mate tuchtrechtelijk verwijtbaar, dat het opleggen van een maatregel passend en geboden is. Hierbij heeft het hof laten meewegen dat de gerechtsdeurwaarder klager schadeloos heeft gesteld, alsmede dat de gerechtsdeurwaarder niet eerder met de tuchtrechter in aanraking is gekomen.

Wetsverwijzingen
Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders 1, 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Beslissing van 20 november 2012 in de zaak van:

[gerechtsdeurwaarder] ,

[plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin,

t e g e n

[klager] ,

[plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 12 april 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 28 februari 2012, waarbij de kamer de klacht van geïntimeerde, verder klager, tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond heeft verklaard en aan hem heeft opgelegd de maatregel van berisping, met aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.

1.2. Klager heeft geen verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2012. De gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Klager is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat, zulks met uitzondering van hetgeen door de kamer is vastgesteld onder 1.c. en 1.d., hetgeen door de gerechtsdeurwaarder wordt betwist.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij niet heeft gereageerd op pogingen van klager met hem in contact te komen. Dit valt de gerechtsdeurwaarder temeer aan te rekenen omdat zijn kantoor was belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank Amsterdam tegen [BV] en in dat kader een executieverkoop had voorbereid, die zou plaatsvinden in de door klager gehuurde woning.

4.2. Door klager niet te informeren omtrent het wel of niet doorgaan van de aangekondigde executoriale verkoop op 1 juli 2011 heeft de gerechtsdeurwaarder klager tot op de dag van de geplande executieverkoop in grote onzekerheid gelaten.

4.3. Daarnaast had een summier onderzoek door de gerechtsdeurwaarder uitgewezen dat [BV] niet meer op het adres [plaats] was gevestigd. De handelwijze van de gerechtsdeurwaarder heeft klager onnodig tijd en geld gekost.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. Op grond van artikel 18 van de Handelsregisterwet mag worden uitgegaan van de juistheid van de in het Handelsregister vermelde gegevens. Klager en medewerkers van zijn kantoor hebben in juni 2011 meermaals telefonisch contact met elkaar gehad. Klager is hierbij medegedeeld dat tot opschorting van de geplande executieverkoop zou worden overgegaan indien klager de gerechtsdeurwaarder een afschrift van zijn huurovereenkomst zou doen toekomen of de verhuurder contact zou laten opnemen met de gerechtsdeurwaarder of stukken zou overleggen waaruit zou blijken dat [BV]. niet op het desbetreffende adres was gevestigd.

5.2. In hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat de kamer ten onrechte heeft aangenomen dat hij niet heeft gereageerd op de herhaalde verzoeken van klager om contact. Klager heeft veelvuldig contact opgenomen met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en is daarbij altijd te woord gestaan door de betrokken zaakbehandelaars (op 24, 27, 28 en 29 juni 2011). Aangezien telefonisch antwoord is gegeven op de in de e-mailberichten door klager gestelde vragen, zijn er geen e-mailberichten verzonden in antwoord op de e-mailberichten van klager.

5.3. Voorts is het vaste rechtspraak dat een derde die eigendom pretendeert van zaken waarop door een gerechtsdeurwaarder beslag is gelegd, zijn recht van eigendom zal moeten bewijzen. Zo is het ook aan de derde om aan te tonen dat hij de nieuwe bewoner is van het perceel in kwestie. Klager is meermalen verzocht een huurovereenkomst te tonen. Een verhuurder verstrekt in verband met de bescherming van de privacy niet gemakkelijk informatie over de identiteit van zijn huurder, wat de gerechtsdeurwaarder juist voorkomt. Formeel mag de gerechtsdeurwaarder niet de GBA raadplegen om te achterhalen of een ander dan de schuldenaar op een bepaald adres woonachtig is.

5.4. Voor het geval het hof van oordeel is dat de gerechtsdeurwaarder klager op onjuiste wijze heeft bejegend voert de gerechtsdeurwaarder aan dat klager door zijn handelwijze niet is benadeeld. Het is de gerechtsdeurwaarder achteraf duidelijk geworden dat klager ervan is uitgegaan dat de executieverkoop op 1 juli 2011 doorgang zou vinden, hoewel er door de gerechtsdeurwaarder geen voorbereidende werkzaamheden voor de geplande executieverkoop waren verricht. Om deze reden heeft de gerechtsdeurwaarder de onkosten van klager vergoed.

5.5. Aan de gerechtsdeurwaarder is nooit eerder een maatregel opgelegd. Op grond van het voorgaande is de door de kamer opgelegde maatregel buitenproportioneel. Ten slotte meent de gerechtsdeurwaarder dat de opgelegde maatregel onvoldoende is gemotiveerd.

6. De beoordeling

6.1. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder niet het verwijt kan worden gemaakt dat (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder niet zou hebben gereageerd op de herhaalde verzoeken van klager om contact met hem op te nemen. Klager heeft immers niet betwist dat hij meerdere malen telefonisch door medewerkers van het deurwaarderskantoor te woord is gestaan. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

6.2. Het hof is voorts van oordeel – in tegenstelling tot de kamer – dat de gerechtsdeurwaarder voldoende heeft onderzocht of[BV] op het desbetreffende adres was gevestigd. De gerechtsdeurwaarder heeft onderzoek verricht in het Handelsregister, waaruit bleek dat [BV] op het voornoemde adres was gevestigd. Op deze gegevens mag een gerechtsdeurwaarder in beginsel afgaan. Toen klager stelde dat niet[BV], maar hij de huurder was van de desbetreffende woning, heeft de gerechtsdeurwaarder (meermaals) te kennen gegeven dat klager dit kon aantonen door het overleggen van zijn huurovereenkomst, maar klager heeft dat geweigerd.

6.3. Gelet op de omstandigheid dat klager is medegedeeld dat de executieverkoop zou worden opgeschort als klager stukken zou verstrekken waaruit zou blijken dat [BV] niet op het desbetreffende adres was gevestigd en klager hiertoe niet is overgegaan, had het echter wel op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om klager als vermeend huurder en derhalve direct belanghebbende duidelijk en ondubbelzinnig te berichten dat de geplande executoriale verkoop niet zou doorgaan. Door dat na te laten (wat ter zitting werd erkend) heeft de gerechtsdeurwaarder klager ten onrechte en onnodig hieromtrent in spanning gelaten. Dit klemt temeer nu ter zitting naar voren is gekomen dat in het geheel geen voorbereidingen voor de executieverkoop waren getroffen en dus kennelijk reeds in een eerder stadium was besloten de executieverkoop niet door te laten gaan. De klacht is in zoverre gegrond.

Het hof acht deze handelwijze van de gerechtsdeurwaarder echter niet in die mate tuchtrechtelijk verwijtbaar, dat het opleggen van een maatregel passend en geboden is. Hierbij heeft het hof laten meewegen dat de gerechtsdeurwaarder klager schadeloos heeft gesteld, alsmede dat de gerechtsdeurwaarder niet eerder met de tuchtrechter in aanraking is gekomen.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en opnieuw rechtdoende;

- verklaart het klachtonderdeel zoals hiervoor weergegeven onder 4.2. gegrond en de klacht voor het overige ongegrond, zonder oplegging van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en

L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 november 2012 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM 6

Beslissing van 28 februari 2012 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 601.2011 ingesteld door:

[klager]

[plaats],

klager,

tegen:

[gerechtsdeurwaarder],

[plaats],

beklaagde.

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 31 augustus 2011, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief, ingekomen op 5 oktober 2011, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 december 2011. Van de behandeling ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze beslissing is gehecht.

1 De feiten

  1. De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een vonnis van de Rechtbank Amsterdam tegen[BV], gevestigd en kantoorhoudende in een appartement op het adres [plaats].

  2. Klager huurt sinds 16 augustus 2010 het betrokken appartement. Hier wonen zijn studerende dochter en een medestudente.

  3. De bewoners ontvangen regelmatig post op naam van de voormalige huurder: [BV] Zij retourneren deze post aan de afzenders met de mededeling dat de betreffende vennootschap daar niet meer gevestigd is.

  4. Hoewel de bewoners door de gerechtsdeurwaarder verzonden post ook hadden geretourneerd en telefonisch hadden gemeld dat [BV] niet meer op het adres was gevestigd, ontvingen zij daarna toch post van de gerechtsdeurwaarder,

  5. Op 23 juni 2011 vonden de bewoners op de deur van hun appartement de aankondiging van een geplande executieverkoop van roerende zaken op hun adres op 1 juli 2011.

  6. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder vervolgens telefonisch op 23, 27, 28 en 29 juni 2011 en per e-mail van 25 en 29 juni 2011 benaderd.

  7. Omdat klager geen reactie ontving van de gerechtsdeurwaarder waren de medebewoonster en haar moeder op de datum van de aangekondigde verkoop aanwezig in de woning. Toen er niemand verscheen is contact opgenomen met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Een medewerker heeft toen gemeld dat de verkoop waarschijnlijk niet door zou gaan.

2 De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder - kort samengevat – dat deze ondanks de melding dat het bedrijf niet meer op het adres was gevestigd geen nader onderzoek heeft gedaan en niet heeft gereageerd op klagers vele pogingen en verzoeken tot contact.

3 Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Hij stelt dat telefonisch aan klager is gemeld dat hij een huurcontract dient te overleggen om te bewijzen dat [BV] daar niet meer is gevestigd. Voorts stelt hij dat de bedrijfsjurist in een telefoongesprek van 29 juni 2011 aan klager heeft gemeld dat de verkoop van 1 juli 2011 zou worden opgeschort om klager in de gelegenheid te stellen de gevraagde stukken alsnog aan te leveren.

4 Beoordeling van de klacht

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Het gerechtsdeurwaarderskantoor kan niet worden aangemerkt als beklaagde. Daarom is de verweervoerende gerechtsdeurwaarder aangemerkt als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beschikking al rekening gehouden.

4.2

Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, of een maatregel kan worden opgelegd.

4.3

De Kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder in deze situatie waarin klager heeft gemeld dat de woning door anderen werd bewoond en waarin de gerechtsdeurwaarder is verzocht om contact op te nemen met de verhuurder, in ieder geval nader had moeteen onderzoeken of klager inderdaad het appartement huurde.

4.4

Het is immers niet in geschil dat bekend is op wiens naam de op het adres gevestigde BV´s staan en dat klager op geen enkele wijze bemoeienis heeft met deze B.V.´s. Het gaat dan niet aan om tegenover een buitenstaander als klager enkel het standpunt in te nemen dat de aangekondigde maatregelen pas worden opgeschort nadat klager het huurcontract heeft ingezonden. Gelet daarop is de klacht terecht voorgesteld.

4.5

De gerechtsdeurwaarder betwist dat niet zou zijn gemeld dat de executieverkoop niet door zou gaan. Gelet daarop kan op dat punt niet worden vastgesteld wie hier het gelijk aan zijn zijde heeft. Een tuchtrechtprocedure als deze biedt geen ruimte voor een nader onderzoek daarnaar. Zoals ter zitting al aan klager is meegedeeld biedt deze procedure evenmin ruimte voor het toekennen van een schadevergoeding.

4.6

Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden en gelet op het feit dat de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op klagers herhaalde verzoeken tot contact ziet de Kamer aanleiding voor het opleggen van na te melden maatregel.

4.7

Hoewel het de gerechtsdeurwaarder siert dat hij, zoals hij bij brief van 23 januari 2012 heeft meegedeeld, alsnog aan klager zijn excuses heeft aangeboden en een tegemoetkoming heeft betaald, leidt dit niet tot een ander oordeel.

5. Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • -

    verklaart de klacht gegrond;

  • -

    legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel op van een berisping, met aanzegging dat, indien andermaal door hem een van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde handelingen of verzuimen wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, (plaatsvervangend) voorzitter,

mrs. E.C. Smits en J. Boudewijn, (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2012 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kunnen partijen binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.