Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:4198

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
200.097.462-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Spookpartij?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 december 2012

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma [APPELLANT SUB1],

gevestigd te [WOONPLAATS],

2. [ APPELLANT SUB 2],

wonende te [WOONPLAATS,

3. [ APPELLANT SUB 3],

wonende te [WOONPLAATS],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [WOONPLAATS],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk (in enkelvoud) [appellant] genoemd. Geïntimeerde wordt aangeduid met [geïntimeerde].

Bij dagvaarding van 16 november 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het kortgedingvonnis van 19 oktober 2011 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem (hierna: het vonnis), in deze zaak onder zaaknummer/rolnummer 185201 /KG ZA 11-412 gewezen tussen hem als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Bij memorie heeft [appellant] tegen het vonnis negen grieven aangevoerd en - onder verwijzing naar de appeldagvaarding - geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en tot terugbetaling van de door [appellant] aan [geïntimeerde] betaalde proceskosten in eerste aanleg.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de Staat de grieven bestreden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

[appellant] heeft een akte genomen en daarbij producties in het geding gebracht. Hierop heeft [geïntimeerde] bij antwoordakte, met overlegging van een productie, gereageerd.

Ten slotte hebben partijen aan het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2 Feiten

Omtrent de door de voorzieningenrechter in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 opgesomde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellant] huurde van Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij BV (hierna te noemen: verhuurster) het bedrijfspand gelegen aan [adres].

(ii) Op 6 april 2009 is [appellant] in een bodemprocedure gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem tot betaling van achterstallige huurpenningen, vermeerderd met rente en kosten. In de dagvaarding staat als eisende partij “Forma Natura Onroerend Goed B.V.” vermeld. Bij tussenvonnis van 24 juni 2009 is een comparitie gelast, waarna op 5 augustus 2009 de behandeling van de zaak pro forma is aangehouden.

(iii) Op 24 april 2009 is [appellant] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Haarlem, sector kanton, en is bij wijze van voorlopige voorziening de betaling van de huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten, gevorderd. Ook in deze dagvaarding staat “Forma Natura Onroerend Goed B.V.” als eisende partij vermeld. [appellant] heeft die vordering erkend. Bij vonnis van 14 mei 2009 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen en [appellant] veroordeeld om aan eiseres (in het vonnis vermeld als “Forma Natura Onroerend Goed B.V.”) het bedrag van (in hoofdsom) € 22.188,- te betalen. Op 2 juni 2009 heeft [appellant] ter zake € 25.800,- aan verhuurster betaald.

(iv) In de bodemprocedure heeft op 17 februari 2011 een comparitie van partijen plaatsgevonden. In het proces-verbaal van die zitting (hierna te noemen: het proces-verbaal) staat onder meer het volgende:

Forma Natura Onroerend Goed (Exploitatie Maatschappij) B.V.,

eiseres

hierna: Forma Natura

en

[appellant sub 1]

[appellant sub 2]

[appellant sub 3]

gedaagden

hierna: [appellant].

(…)

Kantonrechter: Het verweer dat de naam van eiseres niet juist in de dagvaarding vermeld is zal ik op grond van artikel 128 Rv lid 3 passeren omdat het tardief is.

mr. van den Ouden: Dat de naam van eiseres niet volledig in de dagvaarding vermeld staat klopt op zich.

mr. Oudendijk: Ik betwist dat het verweer te laat zou zijn, ook niet omdat er al eerder een procedure tussen partijen is gevoerd. De rechtsverhouding tussen partijen dient ambtshalve geverifieerd te worden, u kunt daar niet aan voorbij. Gedaagden hebben er belang bij dat zij op een juiste rechtsverhouding worden veroordeeld. Ik heb nog steeds het recht om vernietiging in te roepen.

mr. van den Ouden: Ik ben van mening dat het te laat is. Partijen zijn al jaren aan het procederen dan kan je niet nu nog een dergelijk verweer voeren. Je moet dat zelfs doen vóór alle weren. En je hebt er ook niets aan want dan ligt er morgen een nieuwe dagvaarding. Het gaat hier om een kennelijke verschrijving, er is maar één Forma Natura.

Mr. Oudendijk: Er zijn twee woorden weggelaten, [appellant] is door de verkeerde partijen gedagvaard, die partij heeft niets met de rechtsverhouding tussen partijen te maken.”

( v) In de bodemprocedure is op 6 april 2011 vonnis gewezen (hierna te noemen: het vonnis), waarbij [appellant] is veroordeeld om aan eiseres (in het vonnis vermeld als “Forma Natura Onroerend Goed B.V.”) het bedrag van (in hoofdsom) € 37.613,49 te betalen. In het vonnis staat onder meer het volgende:

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forma Natura Onroerend Goed B.V.,

te Amsterdam

eiseres

hierna te noemen: Forma Natura

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden

tegen

[appellant sub 1]

[appellant sub 2]

[appellant sub 3]

te [woonplaats]

gedaagden

hierna gezamenlijk te noemen: [appellant]

gemachtigde: eerst mr. J.W. Spanjer

thans mr. J. Oudendijk

(…)

Voorts heeft [appellant] bij akte van 7 oktober 2010 aangevoerd dat Forma Natura geen recht had om [appellant] in rechte te betrekken nu [appellant] een huurovereenkomst is aangegaan met Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V. en niet met Forma Natura Onroerend Goed B.V.

(…)

De beoordeling

Het meest verstrekkende verweer, dat Forma Natura niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat [appellant] een huurovereenkomst heeft met Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V. en niet met Forma Natura Onroerend Goed B.V., zal worden gepasseerd. Niet alleen dient een dergelijke exceptie ter rolle en voor alle weren te worden opgeworpen, zodat dit verweer tardief is, maar vast staat dat sprake is van een - ook voor [appellant] kennelijke - verschrijving. Dit was [appellant] duidelijk niet alleen omdat in de dagvaarding wordt verwezen naar de aangehechte huurovereenkomst met Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V., maar ook omdat zij in kort geding, eveneens aangespannen door Forma Natura Onroerend Goed B.V., dit verweer niet heeft gevoerd en de vordering heeft erkend. (…)”

(vi) Bij brief van 14 april 2011 hebben [geïntimeerde], in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder, en zijn kantoorgenoot H.J. Boswinkel [appellant] verzocht om de hiervoor onder (v) genoemde hoofdsom vermeerderd met rente en kosten, binnen vijf dagen nadien op hun kantoor te voldoen.

(vii) In opdracht van verhuurster heeft [geïntimeerde] op 30 augustus 2011 het vonnis aan [appellant] betekend en op 6 september 2011 executoriaal beslag gelegd op de woning met aanhorigheden van appellant sub 3, gelegen aan [adres].

(viii) In het onderhavige kort geding vordert [appellant], samengevat, dat [geïntimeerde] het door hem geven bevel tot betaling zal intrekken en het door hem gelegde beslag zal opheffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor elke dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,- en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Hij voert daartoe aan dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem handelt door, ondanks dat hij erop is gewezen dat het vonnis is uitgesproken ten behoeve van een niet bestaande vennootschap (Forma Natura Onroerend Goed B.V. in plaats van Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V.) en hij aansprakelijk is gesteld in het geval hij dit vonnis zou executeren, de executie toch door te zetten.

(ix) In het vonnis heeft de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de (hierboven onder (v) weergegeven) overweging in het bodemvonnis, geoordeeld dat de naam van eiseres in het (bodem)vonnis moet worden gelezen als Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V. en dat [geïntimeerde], door over te gaan tot de hem door verhuurster opgedragen executie, daarom niet onrechtmatig jegens [appellant] handelt. De voorzieningenrechter heeft de door [appellant] gevorderde voorziening geweigerd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.

Met de aangevoerde grieven verwijt [appellant] de voorzieningenrechter onder meer dat hij heeft miskend dat Forma Natura Onroerend Goed B.V.(een in de ogen van [appellant] niet bestaande (spook)partij) geen verhuurster is, dat hij zijn lijdelijkheid heeft geschonden, dat hij zelfstandig had moeten beoordelen of geen sprake was van een spookpartij, dat hij ten onrechte overweegt dat [appellant] tegen het vonnis van 6 april 2011 in beroep had kunnen komen, dat hij onvoldoende oog heeft gehad voor het door [appellant] in de bodemprocedure gevoerde verweer, dat geen sprake kan zijn van een kennelijke verschrijving en dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat de uitspraak is gedaan ten behoeve van verhuurster. Ten slotte zou, zo begrijpt het hof, [appellant] de mogelijkheid zijn ontnomen een vordering in reconventie in te stellen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3.

Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de tenaamstelling in het vonnis van 6 april 2011 moet worden begrepen als (staande op naam van) Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V. en dat [geïntimeerde] derhalve niet onrechtmatig handelt door het vonnis te willen executeren op naam van Forma Natura Onroerend Goed B.V. is juist. Het hof acht het volgende van (doorslaggevend) belang:

- de mededeling van de advocaat van verhuurster ter gelegenheid van de comparitie in de bodemprocedure dat “op zich klopt” dat de naam van verhuurster in de inleidende dagvaarding niet volledig is vermeld,

- in het ter zake van de huurachterstand - tijdens de bodemprocedure – gevoerde kort geding is, zonder bezwaar van [appellant], geprocedeerd (ook) op naam van Forma Natura Onroerend Goed B.V.

In het licht van deze omstandigheden heeft er in redelijkheid, ook voor [appellant], geen twijfel over kunnen bestaan dat met de aanduiding Forma Natura Onroerend Goed B.V., zowel in het vonnis als in het exploot tot aanzegging van de executie, de verhuurster van [appellant], Forma Natura Onroerend Goed Exploitatie Maatschappij B.V., als materiële procespartij werd aangeduid. Aan de zijde van [appellant] is geen in rechte te respecteren belang aangevoerd om beroep te doen op de onjuiste tenaamstelling. Zonder twijfel zou het verhuurster in geval van ingesteld hoger beroep hebben vrijgestaan om, nu de kantonrechter dat had nagelaten, de partijnaam aan haar zijde in overeenstemming te (doen) brengen met de werkelijkheid. Anders dan hij aanvoert had [appellant] in de gegeven omstandigheden - indien hij dit zou hebben gewenst, hetgeen evenwel niet aannemelijk is geworden - wel degelijk een vordering in reconventie kunnen instellen en ook had hij tegen het vonnis van 6 april 2011 (geldig) in hoger beroep kunnen gaan.

3.4.

Niet gebleken is dat de voorzieningenrechter de grenzen van zijn lijdelijkheid heeft overschreden.

3.5.

De grieven, die voor het overige geen bespreking behoeven, falen derhalve en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 284,- wegens verschotten en op € 1.341,- wegens salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, R.J.F. Thiessen en N. van Lingen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 december 2012.