Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:4176

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
26-08-2013
Zaaknummer
200.114.325/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eventueel gebrek geheeld gelet op terugwerkende kracht en geldigheidstermijn van indicatiebesluiten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261, geldigheid: 2013-08-26
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg 23, geldigheid: 2013-08-26
Wet op de jeugdzorg 3, geldigheid: 2013-08-26
Wet op de jeugdzorg 5, geldigheid: 2013-08-26
Wet op de jeugdzorg 6, geldigheid: 2013-08-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 11 december 2012

Zaaknummer: 200.114.325/01

Zaaknummer eerste aanleg: 133280 / OT RK 11‑1297

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.A. Korver te Amsterdam,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord‑Holland,

locatie Alkmaar,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en BJZNH genoemd.

1.2.

De moeder is op 21 september 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 juni 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 133280 / OT RK 11‑1297.

1.3.

BJZNH heeft op 29 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 12 november 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

 de moeder, bijgestaan door mr. W. van Egmond, advocaat te Amsterdam, namens mr. R.A. Korver;

 mevrouw A.T. van den Berg (hierna: de gezinsvoogd) en mevrouw M. Savenije namens BJZNH;

 mevrouw D. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad).

1.6.

De heer en mevrouw [x] (hierna: de pleegouders) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

1.7.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft BJZNH nog stukken aan het hof toegezonden. De moeder heeft daarvan afschriften ontvangen en op 19 november 2012 een schriftelijke reactie ingediend.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en de heer [y] (zonder bekende woon- of verblijfplaats; hierna: de vader) zijn geboren [a] (hierna: [kind a]) [in] 2001 en [b] (hierna: [kind b]) [in] 2002 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds 9 november 2011 bij de pleegouders.

2.2.

Bij beschikking van 22 december 2010 zijn de kinderen onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd tot 22 december 2012. In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de kinderen op 31 mei 2011 uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is nadien verlengd tot 22 juni 2012.

2.3.

Bij de stukken in het dossier bevinden zich – onder meer – indicatiebesluiten van BJZNH, welke zijn genomen op 1 november 2011 respectievelijk 13 november 2012.

2.4.

Er is een begeleide bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld van eenmaal per twee weken op het kantoor van BJZNH. De kinderen hebben geen contact met de vader.

2.5.

BJZNH heeft de moeder op 4 juni 2012 een schriftelijke aanwijzing gegeven in de zin van artikel 1:258 Burgerlijk Wetboek (BW). Hierbij zijn aan de moeder de volgende aanwijzingen gegeven:

  • -

    “u laat zich naar de kinderen toe niet negatief uit over de pleegouders;

  • -

    u belast de kinderen niet met informatie over rechtszaken e.d.;

  • -

    u overlegt met de gezinsvoogd over welke informatie u de kinderen kunt geven aangaande hun toekomstperspectief.”

Het verzoek van de moeder de schriftelijke aanwijzing geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren is door de kinderrechter afgewezen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op het (resterende) verzoek van BJZNH de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij pleegouder(s) 24‑uurs tot 22 december 2012 verlengd, zulks ter effectuering van de indicatiebesluiten, gedateerd 1 november 2011, en onder de voorwaarde dat vóór 1 november 2012 geldige indicatiebesluiten worden genomen; bij gebreke waarvan deze beschikking komt te vervallen.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, naar het hof begrijpt, het verzoek van BJZNH de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen tot 22 december 2012, alsnog af te wijzen. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij tevens verzoekt de kinderen te horen, dan wel een bijzonder curator aan te stellen, alsmede (subsidiair) haar de mogelijkheid te bieden middels een objectief onderzoek te bewijzen dat zij beschikt over de benodigde opvoedingscapaciteiten.

3.3.

BJZNH verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Uit het bepaalde in artikel 261 lid 2 BW volgt dat een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in artikel 5 lid 2 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz), is gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 Wjz, waarbij de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg wordt gevestigd. Dit brengt mee dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit dient te worden overgelegd, zoals eveneens volgt uit het bepaalde in artikel 261 lid 2 BW.

Uit het bepaalde in artikel 23, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wjz volgt dat de geldigheidstermijn in beginsel ten hoogste een jaar bedraagt na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet is aangevangen, zijnde de ingangsdatum van de verlening dan wel verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Uit het bepaalde in artikel 3 lid 4 Wjz volgt immers dat een indicatiebesluit dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling, niet eerder in werking treedt dan nadat de machtiging als bedoeld in artikel 1:261 BW van de kinderrechter is verkregen.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat vóór 1 november 2012 (opvolgende) geldige indicatiebesluiten dienden te worden genomen. Het hof stelt vast dat BJZNH op 13 november 2012 desgevraagd alsnog opvolgende indicatiebesluiten heeft overgelegd, waarbij ten aanzien van [kind a] een geldigheidstermijn van zes maanden wordt vermeld en ten aanzien van [kind b] een geldigheidstermijn van een jaar. Hoewel deze indicatiebesluiten eerst op 13 november 2012 zijn ondertekend en derhalve niet vóór 1 november 2012 zijn genomen, blijkt uit de daarin vermelde indicatiedatum dat deze besluiten met terugwerkende kracht gelding hebben vanaf 22 juni 2012.

Voor zover de moeder betoogt dat de indicatiebesluiten te laat zijn ingediend, overweegt het hof als volgt. Daargelaten of de rechtbank met juistheid ervan is uitgegaan dat er vóór 1 november 2012 opvolgende indicatiebesluiten dienden te worden genomen, acht het hof gelet op de terugwerkende kracht die aan de thans in hoger beroep overgelegde indicatiebesluiten is verleend en de in die besluiten vermelde geldigheidstermijn een eventueel gebrek, voor zover het de periode van 1 november 2012 tot 13 november 2012 betreft, geheeld. Vaststaat dat ten tijde van de ingangsdatum van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen die bij de bestreden beschikking op het resterende verzoek van BJZNH is uitgesproken, zijnde 22 juni 2012, aan die verlenging geldige indicatiebesluiten ten grondslag lagen.

Voorts betoogt de moeder dat de opvolgende indicatiebesluiten ten aanzien van [kind a] en [kind b] nagenoeg een kopie zijn van elkaar en van de eerdere indicatiebesluiten en dat de doelen gelijk zijn gebleven, zodat volgens haar niet meer wordt gewerkt aan thuisplaatsing van de kinderen. Voor zover de moeder aldus bedoelt te betogen dat de indicatiebesluiten in strijd met de vereiste zorgvuldigheid zijn genomen, acht het hof die stelling niet aannemelijk geworden. Nu de in hoger beroep overgelegde indicatiebesluiten betrekking hebben op de resterende termijn van de door BJZNH in haar inleidende verzoekschriften verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, voor welke termijn bij de bestreden beschikking – onder voorwaarde – een machtiging tot uithuisplaatsing is afgegeven, bestaat een nauwe samenhang tussen deze indicatiebesluiten en de eerdere indicatiebesluiten van 1 november 2011 en worden deze indicatiebesluiten geacht mede ten grondslag te liggen aan de inleidende verzoeken van BJZNH. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit alle indicatiebesluiten blijkt dat de kinderen aanspraak maken op zorg in de vorm van verblijf bij pleegouders 24 uurs. In de enkele omstandigheid dat de in de opvolgende indicatiebesluiten gestelde doelen niet zijn gewijzigd, ziet het hof derhalve geen grond om die besluiten in strijd te achten met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat de op de jeugdige gerichte doelen voor beide kinderen gelijkluidend zijn. Voor de conclusie dat thans in hoger beroep geen rechtsgeldige indicatiebesluiten zijn overgelegd, bestaat derhalve geen grond.

4.2.

De moeder betoogt voorts in haar eerste grief dat de kinderrechter het recht op een eerlijk proces heeft geschonden als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de argumenten van haar raadsman ongemotiveerd terzijde zijn geschoven door het standpunt van BJZNH dat er twijfels zouden bestaan over haar opvoedcapaciteiten zonder meer over te nemen, terwijl dit standpunt onvoldoende is onderbouwd. Wat daarvan zij, nu het hoger beroep er mede toe strekt fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen, heeft zij geen belang bij behandeling van deze grief.

4.3.

Aan het hof ligt ten materiële ter beoordeling voor of de gronden voor uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, Wjz, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

4.4.

De moeder betoogt – samengevat weergegeven – dat voormelde gronden ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn. Hiertoe voert zij aan dat zich geen acute ontwikkelingsbedreiging van de kinderen voordoet en dat geen onderzoek is gedaan naar minder ingrijpende maatregelen, zoals hulpverlening in een ambulant kader. In dit verband heeft zij aangevoerd dat zij beschikt over een uitgebreid sociaal netwerk waarop zij een beroep zou kunnen doen. Voorts betwist zij dat onvoldoende zicht zou bestaan op haar thuissituatie en haar pedagogische vaardigheden. BJZNH heeft niet aangetoond dat sprake is van een onveilige thuissituatie, aldus de moeder.

BJZNH heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat zich sinds de beschikking van dit hof van 15 mei 2012 geen (positieve) wijziging van de situatie heeft voorgedaan, dat de moeder niet, althans onvoldoende heeft willen meewerken aan de gestelde voorwaarden voor thuisplaatsing en dat de zorgen en onduidelijkheden over haar opvoedcapaciteiten nog steeds aanwezig zijn. Voorts stelt BJZNH dat de moeder niet meer over een eigen woning beschikt, alle samenwerking met BJZNH en Parlan heeft beëindigd en de kinderen reeds lange tijd niet heeft gezien of gesproken en evenmin naar hun welbevinden heeft geïnformeerd.

4.5.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.6.

Het hof overweegt als volgt. In zijn beschikking van 15 mei 2012, welke in kracht van gewijsde is gegaan, heeft het hof overwogen dat de gronden voor uithuisplaatsing ten tijde van het verstrekken van de toen voorliggende machtiging aanwezig waren. De kinderen werden bedreigd in hun ontwikkeling doordat het in de thuissituatie ontbrak aan structuur, regelmaat en rust. Daarnaast stond de moeder niet open voor hulpverlening waardoor er weinig zicht was op de thuissituatie. Voorts blijkt uit voormelde beschikking dat de moeder de problemen die zich bij de kinderen en in de opvoedsituatie voordeden, niet erkende en dat zij geen inzicht had in haar eigen opvoedcapaciteiten.

In hetgeen de moeder heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende grond voor het oordeel dat deze situatie ten tijde van de bestreden beschikking of thans zou zijn veranderd. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep bestaan er nog steeds zorgen over de kinderen. De gestelde ontwikkelingsdoelen zijn nog niet behaald. De kinderen bevinden zich in een loyaliteitsconflict wat hun gevoelens voor de moeder en voor de pleegouders betreft en vertonen hechtingsproblemen. [kind a] voelt zich niet vrij om haar eigen gevoelens en gedachten te uiten. Voorts raakt zij in verwarring door de diskwalificerende uitlatingen van de moeder over de pleegouders. [kind a] heeft nog steeds last van stemmingswisselingen en woede-uitbarstingen. Zij heeft weinig vertrouwen in volwassenen en heeft moeite met het feit dat haar toekomst onzeker is. Ook [kind b] kan haar gevoelens niet adequaat uiten en laat zich niet troosten als ze verdrietig of boos is. Zij lijkt te verharden. Zij luistert nog steeds slecht naar volwassenen, zoekt de grenzen op en kan erg brutaal zijn. Voorts zet zij zich regelmatig af tegen de pleegouders en lijkt zij afwijzing op te zoeken.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof voorts aannemelijk dat de moeder onvoldoende heeft meegewerkt aan het behalen van de ontwikkelingsdoelen en onvoldoende inzicht toont in haar aandeel in de problematiek van de kinderen. De moeder heeft nog steeds moeite zich aan gemaakte afspraken te houden. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen dat de moeder zich, ondanks de schriftelijke aanwijzing van BJZNH, diskwalificerend blijft uitlaten jegens de pleegouders, onder meer via berichtgeving op Facebook, en strijd blijft voeren tegen de plaatsing van de kinderen bij de pleegouders. De door de moeder in dit verband gestelde zorgen met betrekking tot de pleegvader acht het hof onvoldoende onderbouwd.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat sinds mei 2012, nadat de uitbreiding naar een onbegeleide bezoekregeling was teruggedraaid, geen begeleide bezoeken meer tussen de moeder en de kinderen hebben plaatsgevonden. Volgens de gezinsvoogd heeft de moeder te kennen gegeven dat zij wegens drukte niet in staat was om naar de bezoekafspraken te komen, hetgeen door de moeder onvoldoende is betwist. BJZNH heeft de telefonische contactregeling tussen de moeder en de kinderen tot na de zomervakantie opgeschort, omdat de moeder zich jegens de kinderen diskwalificerend bleef uitlaten over de pleegouders, hetgeen veel onrust bij de kinderen teweegbracht. Tussen de moeder en de gezinsvoogd bestaat sindsdien evenmin contact. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat door de moeder uitvoering wordt gegeven aan de bestaande (begeleide) bezoekregeling. De moeder heeft echter onvoldoende initiatief getoond om tot contactherstel met de kinderen en met BJZNH te komen. Dit ligt wel op haar weg, temeer nu is gebleken dat de moeder aan BJZNH heeft gezegd van plan te zijn naar [eiland] te vertrekken en dat BJZNH vanuit de Gemeentelijke Basisadministratie de melding had ontvangen dat de moeder was geëmigreerd. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij nog steeds dit voornemen heeft, dat zij haar voormalige woning in [plaatsnaam] inmiddels heeft verlaten en dat zij in afwachting van het hoger beroep in Nederland is gebleven en bij een peettante van één van de kinderen logeert.

Onder deze omstandigheden stelt het hof met BJZNH vast dat er nog steeds geen zicht bestaat op de thuissituatie van de moeder en op haar opvoedingsvaardigheden. De stelling van de moeder dat zij thans geen fulltime dagbesteding meer heeft en voor de opvoeding van de kinderen zorg kan dragen, acht het hof in dit verband onvoldoende. Evenmin is voldaan aan de door BJZNH gestelde voorwaarden voor thuisplaatsing van de kinderen. De Eigen Kracht Conferentie is niet van de grond gekomen. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep in dit verband toegelicht dat dit te maken had met haar zorgen over de pleegvader en dat zij bovendien al over een uitgebreid sociaal netwerk beschikt. Dat de moeder over een uitgebreid sociaal netwerk – met name op [eiland] – beschikt, acht het hof – nog afgezien van het feit dat zij die stelling niet heeft onderbouwd – niet ter zake doend, zolang onvoldoende is gebleken dat haar opvoedingscapaciteiten toereikend zijn. Bovendien is de voorwaarde met betrekking tot de inschrijving van de kinderen op een school in [plaatsnaam] inmiddels achterhaald, nu de moeder daar niet meer woont en voornemens is naar [eiland] te vertrekken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de derde voorwaarde, inhoudende dat er intensieve gezinsbegeleiding zal worden gestart, ziet op de situatie nadat de kinderen zouden zijn thuisgeplaatst. Ook deze voorwaarde is om dezelfde reden achterhaald.

Gelet op het vorenstaande is het hof, anders dan de moeder, van oordeel dat hulpverlening in een ambulant kader ontoereikend is om een veilige opvoedingssituatie voor de kinderen te kunnen waarborgen en een bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen af te wenden.

Het hof hecht er evenwel aan op te merken dat in het belang van de kinderen zo spoedig mogelijk de onderlinge communicatie tussen de moeder en BJZNH wordt hersteld. Zoals hiervoor overwogen ligt daar echter niet alleen een taak voor BJZNH, maar ook voor de moeder.

4.7.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing van beide kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn.

Het betoog van de moeder dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, treft, gelet op het bepaalde in lid 2 van dat artikel en het hiervoor overwogene, geen doel, nu de belangen van de kinderen deze inbreuk rechtvaardigen. Haar betoog dat de uithuisplaatsing van de kinderen een ongerechtvaardigde inperking vormt op het bepaalde in artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind treft, gelet op het voorgaande, evenmin doel. Het beroep van de moeder op artikel 6 EVRM slaagt evenmin. Haar stelling ter zitting in hoger beroep – voor zover deze al als een nagekomen grief zou kunnen worden opgevat – dat de wijze van het aanvoeren van bewijs voor een ingrijpende maatregel als uithuisplaatsing in strijd is met het recht op “fair trial” acht het hof onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt het hof ten overvloede, onder verwijzing naar het ook in hoger beroep toepasselijke artikel 284 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat de procedureel voluntaire aard van een jeugdbeschermingzaak als de onderhavige zich verzet tegen onverkorte toepassing van de regels omtrent bewijslevering bedoeld in titel 2, afdeling 9 van dat Wetboek.

4.8.

Daargelaten de vraag of – de hiervoor onder 3.2 vermelde – aanvullende verzoeken van de moeder ter zitting in hoger beroep tardief zijn, ziet het hof geen aanleiding om de kinderen te horen. Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de mening van de kinderen in dit geval niet van belang voor zijn oordeelsvorming. Bovendien acht het hof een verhoor, gezien hun voorgeschiedenis, een te zware belasting voor de kinderen.

Evenmin ziet het hof in hetgeen de moeder heeft aangevoerd aanleiding om een bijzondere curator te benoemen. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:250 BW kan de rechter overgaan tot benoeming van een bijzondere curator indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht vanwege strijdigheid tussen de belangen van de minderjarige en die van de met het gezag belaste ouder(s) of voogd(en). In het onderhavige geval is van een dergelijk belangenconflict geen sprake, maar gaat het om een tegengestelde visie van de moeder en BJZNH. De benoeming van een bijzondere curator dient niet plaats te vinden met als doel in het algemeen de belangen van de minderjarige te beschermen (vgl. HR 23 november 2012, LJN: BY3968).

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de moeder om een contra‑expertise overweegt het hof dat een nader onderzoek evenzeer te belastend is voor de kinderen. Voorts volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dat het hof zich op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende voorgelicht acht. Het hof merkt in dit verband nog op dat de moeder door niet mee te werken aan de ingezette hulpverlening en haar woning op te zeggen de mogelijkheid om haar opvoedingscapaciteiten adequaat te laten onderzoeken, zelf heeft afgesloten. Het hof is dan ook van oordeel dat bedoelde contra-expertise niet kan bijdragen aan de beslissing van deze zaak.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, M. Wigleven en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2012.