Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:4103

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
200.103.891-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht tot verkoop schilderij? Bewijsopdracht. Zie ook eindarrest 31 december 2013

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

18 december 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

wonende te [woonplaats],

2. [APPELLANT SUB 2],

wonende te [woonplaats],

3. [APPELLANT SUB 3],

wonende te [woonplaats],

4. [APPELLANT SUB 4],

wonende te [woonplaats],

5. [APPELLANT SUB 5],

wonende te [woonplaats],

6. [APPELLANT SUB 6],

wonende te [woonplaats],

7. [APPELLANT SUB 6],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. A. Heijder, te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. P.W.L. Russell, te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de erven [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 24 februari 2012 zijn de erven [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 december 2012 van de rechtbank Amsterdam, in deze zaak onder nummer 483947 / HA ZA 11-634 gewezen tussen de erven [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

De erven [appellanten] hebben bij memorie acht grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd als in die memorie vermeld.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van de erven [appellanten], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

Ten slotte is het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vermeld. De juistheid hiervan is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

2.2

Deze zaak betreft het volgende.

2.3

De erven [appellanten] zijn de erfgenamen van de op 14 augustus 2008 overleden [A] ([A]).

2.4

Op 16 maart 1990 heeft [A] Van Kunsthandel Smit te [plaats] (hierna: [X]) het schilderij ‘[Y]’ van [Z] (het schilderij) gekocht.

2.5.

Het schilderij is op 23 maart 1990 door [X] getaxeerd op NLG 340.000,--.

2.6

Op 29 december 1994 heeft [A] het schilderij in bezit gesteld van kunsthandelaar [B] International te Arnhem (hierna: [B]), met de opdracht voor het schilderij een koper te vinden.

2.7

[B] heeft het schilderij niet aan [A] teruggegeven. Nadat [A] niets meer van [B] had vernomen, heeft hij op 20 april 2006 aangifte tegen [B] gedaan wegens oplichting. [B] is hiervoor veroordeeld, maar is tot op heden onvindbaar.

2.8

Op 20 november 2010 is het schilderij gesignaleerd op de kunst- en antiekbeurs Pan te Amsterdam, waar het namens [geïntimeerde] te koop werd aangeboden door kunsthandel Rueb te Amsterdam voor een koopsom van € 260.000,--.

2.9

Het schilderij is door justitie in beslag genomen en in bewaring gesteld bij het Stedelijk Museum te Amsterdam. Voorts is op 14 januari 2011 in opdracht van de erven [appellanten] conservatoir beslag gelegd op het schilderij, met aanstelling van het Stedelijk Museum als gerechtelijk bewaarder. Het strafrechtelijk beslag op het schilderij is inmiddels opgeheven.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg hebben de erven [appellanten], samengevat, gevorderd: verklaring voor recht dat het schilderij aan hen in eigendom toebehoort, veroordeling van [geïntimeerde] tot afgifte van het schilderij aan de erven [appellanten] op straffe van verbeurte van dwangsommen, alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de proces- en beslagkosten.

3.2

De erven [appellanten] stellen daartoe, kort weergegeven, dat [geïntimeerde] het schilderij heeft verkregen van een onbevoegde vervreemder en daarbij niet te goeder trouw was. [A] is eigenaar van het schilderij gebleven, totdat deze eigendom door zijn overlijden op de erven [appellanten] is overgegaan, zodat laatstgenoemden gerechtigd zijn afgifte van het schilderij te vorderen.

3.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van de erven [appellanten] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen, dat de erven onvoldoende hebben onderbouwd dat [B] niet bevoegd was tot verkoop namens [A] en dat tussen [B] en [X] geen verkoop zou hebben plaatsgevonden.

3.4

Het hof neemt tot uitgangspunt dat de erven [appellanten] geen eigenaar van het schilderij zijn, indien het schilderij door [B] namens [A] rechtsgeldig is verkocht en overgedragen aan [X] of aan een derde. Dit uitgangspunt is ook niet bestreden.

3.5

[geïntimeerde] heeft in dit verband gesteld dat [A] aan [B] opdracht heeft gegeven het schilderij te verkopen en daartoe het schilderij in consignatie heeft gegeven. De rechtbank heeft uit de onder 4.8 in het vonnis genoemde omstandigheden afgeleid dat [A] inderdaad een opdracht tot verkoop gaf aan [B]. Deze omstandigheden waren, kort weergegeven, dat in de dagvaarding door de erven is gesteld dat [B] opdracht tot verkoop had en voorts dat [A] bij aangifte wegens oplichting door [B] heeft verklaard dat [B] opdracht had om het schilderij te verkopen in consignatie en dat [B] het schilderij nooit met hem heeft afgerekend.

3.6

In de toelichting op grief IV hebben de erven [appellanten] gesteld dat [A] aan [B] de opdracht heeft gegeven voor het schilderij een koper te vinden zodat [A] over de te vragen koopprijs met de (potentiële) koper zou kunnen onderhandelen. Het hof overweegt, dat, indien komt vast te staan dat dit zo met [B] is overeengekomen, [B] niet bevoegd was zonder overleg met [A] het schilderij aan een derde te verkopen en te leveren. De erven [appellanten] zullen in de gelegenheid worden gesteld hun stelling, die is betwist, te bewijzen. Het hof verzoekt de erven [appellanten], indien mogelijk, hierbij het in het proces-verbaal van de hiervoor aangehaalde aangifte genoemde consignatiecontract van 30 december 1994 in het geding te brengen.

3.8

Grief V is, samengevat, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] voldoende heeft weerlegd dat [geïntimeerde] van [X] voor een te lage verkoopprijs heeft gekocht. Met grief VI klagen de erven [appellanten] er onder meer over dat de rechtbank heeft overwogen dat zij hun stellingen omtrent de door [geïntimeerde] gestelde transacties onvoldoende hebben geconcretiseerd. Het hof is van oordeel dat de erven [appellanten] voldoende concreet hebben gesteld dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw was. Het hof overweegt voorts dat de erven [appellanten] van hun stelling voldoende specifiek bewijs hebben aangeboden. Het hof ziet onvoldoende reden om de erven [appellanten] te volgen in hun stelling dat [geïntimeerde] met het bewijs van zijn goede trouw behoort te worden belast, nu immers goede trouw wordt verondersteld.

3.9

Indien de erven [appellanten] erin slagen het bewijs als bedoeld onder 3.7 te leveren, komt het hof toe aan de vraag of kan worden bewezen dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw was. Gelet op het hiervoor overwogene en met het oog op de proceseconomie, zal het hof de erven [appellanten] als na te melden in de gelegenheid stellen dit bewijs te leveren.

3.10

Het hof verzoekt de erven [appellanten], indien zij zich bij bewijslevering van schriftelijke stukken willen bedienen, deze veertien dagen voor een eventuele enquête in het geding te brengen.

3.11

Ieder verder oordeel wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

- laat de erven [appellanten] toe te bewijzen door middel van getuigen, deskundigen en/of geschriften:

(1) dat [A] aan [B] de opdracht heeft gegeven voor het schilderij een koper te vinden zodat [A] over de te vragen koopprijs met de (potentiële) koper zou kunnen onderhandelen, alsmede

(2) dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw was;

- bepaalt dat een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. J.C. Toorman, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 22 januari 2013 voor opgave door de advocaat van de erven [appellanten] van verhinderdata van beide partijen en van de getuigen in de periode van februari tot en met april 2012;

- houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, C.C. Meijer en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.